Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het vierde middel van de verdachte
3.Het eerste middel van de verdachte
-verbaal van aangifted.d. 9 november 2018 met nummer PL1700-2018336336-1 van de politie Eenheid Rotterdam (pagina's 5 tot en met 7). Dit proces-verbaal houdt onder meer in: als de op 9 november 2018 afgelegde – zakelijk weergegeven – verklaring van
aangever [benadeelde] :
Een proces-verbaal van verhoord.d. 10 november 2018 met nummer PL1700-2018336336-15 van de politie Eenheid Rotterdam (pagina's 13 en 14). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
aangever [benadeelde] :
Een proces-verbaal van bevindingend.d. 9 november 2019 met nummer PL1700-2018336336-3 van de politie Eenheid Rotterdam (pagina's 34 tot en met 36). Dit proces-verbaal houdt onder meer in: als – zakelijk weergegeven – relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Een proces-verbaal van verhoord.d. 9 november 2018 met nummer PL1700-2018336336-5 van de politie Eenheid Rotterdam (pagina 24). Dit proces-verbaal houdt onder meer in: als de op 9 november 2018 afgelegde – zakelijk weergegeven – verklaring van
getuige [betrokkene 1]:
Een proces-verbaal van verhoord.d. 10 november 2018 met nummer PL1700-2018336336-12 van de politie Eenheid Rotterdam (pagina's 28 en 29). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
getuige [betrokkene 1]:
Een proces-verbaal van verhoord.d. 10 november 2018 met nummer PL1700-2018336336-14 van de politie Eenheid Rotterdam (pagina 32 en 33). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
getuige [betrokkene 2]:
Een proces-verbaal van verhoord.d. 9 november 2018 met nummer PL1700-2018336336-4 van de politie Eenheid Rotterdam (pagina's 20 en 21). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
getuige [betrokkene 6]:
Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van het slachtoffer [benadeelde] , opgemaakt door specialist [betrokkene 7] op 13 november 2018. Deze geneeskundige verklaring houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in:
Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van het slachtoffer [benadeelde] , opgemaakt door [betrokkene 8] , Keel-, neus- en oorarts op 14 december 2018. Deze geneeskundige verklaring houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in:
Perna, cited above, § 29). It is not sufficient for a defendant to complain that he or she has not been allowed to question certain witnesses; he or she must, in addition, support the request by explaining why it is important for the witnesses concerned to be heard, and their evidence must be capable of influencing the outcome of a trial or must reasonably be expected to strengthen the position of the defence (see
Perna, cited above, § 29, and
Murtazaliyeva, cited above, §§ 140 and 160). Whether the defendant has advanced “sufficient reasons” for his or her request to call a witness will depend on the role of the testimony of that witness in the circumstances of any given case (ibid., § 161). The Court has formulated the following three-pronged test where a request for the examination of a defence witness on behalf of the accused has been made in accordance with domestic law (ibid., § 158):
Pernatest the issue of whether an accused substantiated his or her request to call a witness on his or her behalf is decided by reference to the relevance of that individual’s testimony for “the establishment of the truth”. While certain post-
Pernacases examined whether a witness’ testimony was relevant for the “establishment of the truth”, others relied on its ability to influence the outcome of a trial (see
Tarasov, cited above, § 105), reasonably establish an accused’s alibi (see
Polyakov, cited above, § 34), arguably lead to an acquittal (see
Dorokhov, cited above, § 72) or arguably strengthen the position of the defence or even lead to the applicant’s acquittal (see
Topić, cited above, § 42). What appears to unite all of the above standards is the relevance of a witness’s testimony to the subject matter of the accusation and its ability to influence the outcome of the proceedings. In the light of the evolution of its case-law under Article 6 of the Convention the Court considers it necessary to clarify the standard by bringing within its scope not only motions of the defence to call witnesses capable of influencing the outcome of a trial, but also other witnesses who can reasonably be expected to strengthen the position of the defence.
Pello, cited above, § 33, largely reflecting this approach). It is impossible to evaluate in the abstract whether certain reasons for the examination of a witness could be considered sufficient and relevant to the subject matter of the accusation. This assessment necessarily entails consideration of the circumstances of a given case, including the applicable provisions of the domestic law, the stage and progress of the proceedings, the lines of reasoning and strategies pursued by the parties and their procedural conduct. Admittedly, the relevance of a defence witness’ testimony might be so apparent in certain cases that even scant reasoning given by the defence would be sufficient to answer the first question of the test in the affirmative (compare
Pello, cited above, § 33).
Popov, cited above, § 188, and
Topić, cited above, § 42).
Van de Hurk v. the Netherlands, 19 April 1994, § 61, Series A no. 288, and
Boldea v. Romania, no. 19997/02, § 30, 15 February 2007).
Ibrahim and Others v. the United Kingdom[GC], nos. 50541/08 and 3 others, §§ 250-52, 13 September 2016;
Dvorski, cited above, § 82; and
Schatschaschwili, cited above, § 101). Compliance with the requirements of a fair trial must be examined in each case having regard to the development of the proceedings as a whole and not on the basis of an isolated consideration of one particular aspect or one particular incident (see
Ibrahim and Others, cited above, § 251).
Wat betreft [betrokkene 3] en [betrokkene 4] geldt, dat zij beiden aanwezig zijn geweest in [A] op de betreffende avond. [betrokkene 3] heeft al uitgebreid en helder verklaard over de betreffende avond. [betrokkene 4] is nog niet gehoord. Zij is echter net als [betrokkene 3] getuige geweest van het gebeurde en kan daarom verklaren over hetgeen voorgevallen is. Juist omdat de politierechter te Rotterdam meer waarde heeft gehecht aan de verklaringen van [benadeelde] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 5] , wenst de verdediging getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] (nader) te bevragen over het gebeurde. Zij kunnen immers helder verklaringen over de sfeer op de betreffende avond, de handelingen van aangever en de vermeende handelingen van appellant. Gezien het voorgaande meent de verdediging dat het horen van voornoemde getuigen noodzakelijk is voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en Pro 350 Sv.”
(…)
De verklaring van getuige [betrokkene 1] is eveneens zeer summier en bovendien uiterst opmerkelijk, nu hij verklaart dat zijn vriend ineens zou zijn geslagen. Hij verklaart in het geheel niet over de toedracht voorafgaand aan het incident. Terwijl aangever ook spreekt over twee personen, verklaart deze getuige in het geheel niet over een tweede persoon. Hij zegt dat aangever door een blanke jongen met wit T shirt zou zij geslagen. De getuige verklaart dat de man die is aangehouden de dader is. Dat vind ik een lastige verklaring. Want het brein kan nu eenmaal zo werken dat je van degene die in het politiebusje zit, je ervan uitgaat dat dat de dader is.
(…)