Conclusie
1.Overzicht
callopties op 2,34% van de aandelen in een Japanse vennootschap die op 2 maart 2017 is genoteerd aan de
Tokyo Stock Exchange. Door die beursgang is haar belang verwaterd tot 2,28% van de aandelen en daarnaast gedekte opties op 1,58% van de aandelen. Binnen drie jaar na de beursgang heeft zij al haar opties uitgeoefend en alle aandelen [A] in fasen verkocht.
Rechtbank Gelderlandis van een aflopende deelneming ex art. 13(16) Wet Vpb slechts sprake als het belang vóór het moment waarop het beneden 5% zakt, een ‘deelneming’ was in de zin van art. 13(2) Wet Vpb. Een optie valt daar volgens haar niet onder omdat een optie geen aandelenkapitaal is. Het Cum/ex-arrest HR
BNB2021/12 maakt dat niet anders, nu dat arrest, over ongedekte opties, niet zegt dat gedekte opties wél als ‘deelneming’ kunnen gelden. Het
Falcons-arrest HR
BNB2003/34, dat de deelnemings-vrijstelling ex art. 13(2) Wet Vpb onder voorwaarden ook doet gelden voor resultaten op
call-opties, maakt dat evenmin anders omdat art. 13(16) Wet Vpb pas op 1 januari 2007 in de wet kwam en dat arrest dus niet kan zien op vijf jaar eerder nog niet bestaande aflopende deelnemingen. Ook belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel strandde omdat haar brief 7 oktober 2014 waarmee de Inspecteur zich akkoord heeft verklaard, over een aandelenbezit groter dan 5% gaat en niet over een aflopende deelneming.
sprongcassatiebetoogt de belanghebbende dat de vrijstelling voor aflopende deelnemingen wel degelijk ook geldt als de aflopende deelneming mede uit vóór de verwatering al gehouden gedekte
callopties bestaat, gegeven: (i) de tekst van art. 13(16) Wet Vpb, (ii) uw vaste rechtspraak, die erop neerkomt dat de deelnemingsvrijstelling geldt voor resultaten op gedekte opties die bij uitoefening tot een deelneming gaan behoren, (iii) het
Falcons-arrest, waarvan niet valt in te zien dat het niet zou gelden voor gedekte
callopties tijdens de afloop van een voorheen deelneming, nu niet valt in te zien waarom een aflopende deelneming qua ‘opgesplitst belang’ anders zou zijn dan een niet-aflopende deelneming en (iv) de miskenning door de Rechtbank dat het niet om een ‘faciliteit’ gaat. Klacht (v) stelt opnieuw dat de Inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.
Falcons-arrest niet zegt dat gedekte opties tot een deelneming behoren, dus ook niet tot een aflopende deelneming.
Falcons-arrest kon zijn voor de reikwijdte van de vrijstelling voor aflopende deelnemingen als er opties bij zijn betrokken. Ik bezie daarom niet alleen waartoe grammaticale en wetshistorische interpretatie van art. 13(6) Wet Vpb voeren, maar ook en vooral waartoe teleologische interpretatie leidt, nu uw
Falcons-doctrine volledig steunt op de ratio van de deelnemingsvrijstelling. De meningen in de literatuur lopen uiteen.
Falcons-arrest. Nu ‘belang’ een ruimer term is dan ‘deelneming’, lijkt die term in lid 16 eerder het standpunt van de belanghebbende dan dat van de Staatssecretaris te steunen, maar die term in lid 16 moet denkelijk verklaard worden door de wens om met één term alle soorten deelnemingen in lid 2 te omvatten, dus niet alleen deelnemingen in kapitaalvennootschappen (letter a), maar ook commanditaire en fondsparticipaties, coöperatielidmaatschappen en deelnemingen in
reverse hybrids (letters b t/m d). Volgens de letterlijke tekst van art. 13 Wet Pro Vpb hebben enkel ‘aandeelhouders’ aanspraak op de deelnemingsvrijstelling, maar dit tekstuele argument is bepaald zwak na uw ontwikkeling van de gesplitst-belang-leer in het
Falcons-arrest. De tekst biedt dus weinig houvast, maar biedt enige steun aan het standpunt van de Staatssecretaris.
call-opties kan omvatten, maar die geschiedenis biedt wel enige steun aan het standpunt van de belanghebbende. De wetgever heeft bij invoering van lid 16 verklaard dat met de wijziging van art. 13 Wet Pro Vpb geen wijziging werd beoogd in de
Falcons-doctrine, en hij heeft verklaard dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing ‘blijft’ op een belang waarvoor de vrijstelling gold voordat het onder de 5% zakte. Dat kan overigens ook in de wettekst gelezen worden. Als de wetgever had gewild dat de
Falcons-doctrine niet zou gelden voor aflopende deelnemingen zoals voor niet-aflopende deelnemingen, had het voor de hand gelegen om daar iets over te zeggen of te regelen, maar hij heeft dat niet gedaan. Ook de wetsgeschiedenis biedt aldus weinig houvast, maar biedt mijns inziens minstens evenveel steun aan de belanghebbende als grammaticale interpretatie aan de Staatssecretaris geeft, nu de wettekst ook zo gelezen kan worden dat die het standpunt van de belanghebbende steunt.
Falcons-doctrine, die geheel gebaseerd is op de ratio van de deelnemingsvrijstelling en daarmee op teleologische interpretatie (naar doel en strekking) van art. 13 Wet Pro Vpb, komt aan die ratio mijns inziens ook bij de uitleg van lid 16 doorslaggevende betekenis toe. De ratio van lid16 is afloopbegeleiding voor vrijgestelde deelnemingen: een deelnemer moet niet door dreiging van verlies van de deelnemings-vrijstelling gedwongen worden om een groot pakket ineens te verkopen in plaats van in opportunere kleinere tranches over een langere periode. Soms kán een deelneming niet ineens worden verkocht door een
lock up. Die ratio moet geplaatst worden binnen de omvattender ratio van de deelnemingsvrijstelling als zodanig: voorkoming van economische dubbele belasting van dezelfde vennootschapswinst bij zowel de vennootschap die de winst maakt als de vennootschap die de uitdeling van die al belaste winst ontvangt of het belang in de winstmaker verkoopt.
ne bis in idem-ratio in het licht van de
Falcons-doctrine en het doel van de aflopende-deelnemingsvrijstelling meebrengt dat gedekte, maar niet uitgeoefende
call-opties die vóór de 5%-onderschrijding onder de vrijstelling vielen, ná de verwatering ook onder de vrijstelling van de daardoor aflopende deelneming vallen, hoewel zij vóór die onderschrijding geen aandelenkapitaal zijn geworden en daarmee volgens de tekst van lid 2 geen ‘deelneming’ zijn geworden. Uit het
Falcons-arrest blijkt dat niet-uitoefening van
call-opties niet aan toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de weg staat als inclusief (virtuele uitoefening van) die opties maar aan het 5%-criterium wordt voldaan. Het
Cum/ex-arrest leert dat het om gedekte
call-opties moet gaan, wat in casu niet in geschil is. Het lijkt dan inconsistent om de vrijstelling niet op
call-optieresultaten van toepassing te achten als die deelneming afloopt. Aan vrijstelling van een aflopende deelneming zouden dan strengere eisen worden gesteld dan aan vrijstelling van een niet-aflopende deelneming. Strengere eisen zijn echter noch vanuit de ratio van de deelnemingsvrijstelling, noch vanuit de ratio van de deelnemings-afloopbegeleiding verklaarbaar. De wetsgeschiedenis van lid 16 zegt dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing ‘blijft’ op een belang waarvoor de vrijstelling gold voordat het onder de 5% zakte. Nu de deelnemingsvrijstelling in casu vóór de belangverwatering van toepassing was op resultaten op de litigieuze opties, lijkt voortdurende toepassing van de vrijstelling op resultaten op die opties ná de verwatering geheel in lijn met doel en strekking van lid 16 van art. 13 Wet Pro Vpb.
Cum/ex-arrest dat de deelnemingsvrijstelling enkel voor opties kan gelden als zowel de optiehouder als de optieschrijver 5% houden. Vóór dat standpunt pleit dat de
Falcons-doctrine is gebaseerd op ‘splitsing’ van een belang bij een deelneming. Is er geen deelneming, dan kan het belang erbij niet gesplitst worden. Dat is echter gedacht vanuit de schrijver. Als de optie
koperal een deelneming heeft, valt vanuit
diensperspectief niet in te zien waarom bijkoop van gedekte opties niet meedeelt in de voor hem al geldende deelnemingsvrijstelling. Als een houder van 6% van de aandelen er 1% bijkoopt van een verkoper die slechts 1% en dus geen deelneming had, staat dat evenmin aan toepassing van de deelnemingsvrijstelling op die extra % bij de koper in de weg. Vereist is mijns inziens daarom slechts dat de
call-optieschrijver de aandelen bezit en dat de opties bij uitoefening tot een (uitbreiding van een al bestaande) deelneming leiden bij de koper.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
callop een aandelenbelang van 5%. In november 2015 heeft de belanghebbende een deel van haar
callopties prijsgegeven, waardoor haar
calldaalde naar 2,34%.
callopties uitgeoefend en haar aandelenbelang in [A] in fasen verkocht. Op het verkoopresultaat heeft zij in haar aangifte Vpb 2017 de vrijstelling in art. 13(16) Wet Vpb voor aflopende deelnemingen toegepast. Zij heeft een belastbare winst van € 1.007.766 en een belastbaar bedrag van € 1.007.694 aangegeven.
corporate treeweggelaten; PJW]
3.Fiscale overwegingen
4.Verzoek
Falcons-arrest kan volgens haar niet worden afgeleid dat bij een aflopende deelneming ook (gedekte) opties onder die deelneming vallen omdat dat arrest stamt van ruim vóór 1 januari 2007, toen art. 13(16) Wet Vpb werd ingevoerd, zodat het
Falcons-arrest niet op aflopende deelnemingen kon zien. De Rechtbank overwoog:
NTFR2022/2488) is niet overtuigd van de juistheid van deze uitspraak en acht de feitenvaststelling mager:
Falconsarrest; PJW] niet expliciet is beantwoord. Dat de Hoge Raad daarover (…) niets heeft gezegd, betekent nog niet per se dat een calloptie niet als deelneming zou kwalificeren. Al in het NTFR-commentaar op het besluit deelnemingsvrijstelling 2010 werd opgemerkt: ‘De houdbaarheid van deze opvatting zal ongetwijfeld in rechte worden getoetst.’ (…). Het oordeel van de Hoge Raad over de aflopende deelneming in deze procedure kan dus ook gevolgen hebben voor het standpunt in het besluit deelnemingsvrijstelling over toepassing van de meesleepregeling en de meetrekregeling bij opties.
NLF2022/1241) het oordeel van de Rechtbank uiteindelijk onderschrijft, plaatst zij vraagtekens bij dier oordeelsvorming en zou het haar niet zou verbazen als u anders oordeelt:
Aflopende deelneming
Belastingadvies2022/18.2) menen dat er anders over gedacht kan worden dan de Rechtbank doet:
3.Het geding in sprongcassatie
Klacht (i)komt erop neer dat reeds uit de tekst van art. 13(16) Wet Vpb volgt dat de aflopende-deelnemingsvrijstelling van toepassing is op gedekte opties. Art. 13(16) Wet Vpb is (wél) toepasselijk omdat (i) de belanghebbende de aandelen en opties sinds 2014, dus langer dan een jaar hield, (ii) zij tot het moment waarop haar belang verwaterde (de beursgang) onafgebroken voor de deelnemingsvrijstelling in aanmerking kwam, (iii) de omvang van haar belang na 22 maart 2017 onder de 5% is gezakt en (iv) de drie in art. 13(16) Wet Vpb gegunde afloopjaren in 2017 nog niet verstreken waren. Voor het geval het begrip ‘belang’ voor aandelen en opties separaat beoordeeld moet worden, merkt de belanghebbende op dat de opties zelfstandig bezien na november 2015 nog een recht gaven op 2,34% van de aandelen, zodat ook in dat geval aan het driejaarscriterium wordt voldaan.
Falcons-arrest [4] en de post-Falcons-jurisprudentie, met name HR
BNB2005/254 [5] (de waardedaling van een recht op nieuw uit te geven aandelen valt onder de deelnemingsvrijstelling) en het
Cum/ex-arrest HR
BNB2021/12. [6] De belanghebbende leidt uit art. 13(16) Wet Vpb af dat het optiebelang niet voorafgaand aan de daling onder de 5% een deelneming hoefde te zijn. De overweging van de Rechtbank inhoudende “Nog daargelaten de omstandigheid dat het belang van eiseres op 22 maart 2017 in [A] minder bedraagt dan 5% faalt reeds hierom deze beroepsgrond” kan de belanghebbende niet plaatsen. Zij wijst opnieuw op uw Cum/ex -arrest waarin u heeft geoordeeld dat de deelnemingsvrijstelling niet geldt voor ongedekte opties, waaruit volgens haar logisch volgt dat als het om gedekte opties gaat, die wel degelijk onder de deelnemingsvrijstelling vallen.
Falcons-arrest werd gewezen, zou impliceren dat dat arrest alleen ziet op volle deelnemingen en ‘derhalve’ niet op aflopende deelnemingen. Dat gegeven wil volgens de belanghebbende niet zeggen dat het Falcons-arrest in casu niet geldt of dat een optie niet als onderdeel van een aflopende deelneming kan gelden. Die gevolgtrekking door de Rechtbank (‘derhalve’) acht de belanghebbende onbegrijpelijk. Door in het
Falcons-arrest kwalificerende opties onder de deelnemingsvrijstelling te brengen, heeft u die volgens de belanghebbende ook onder de vrijstelling voor aflopende deelnemingen gebracht.
lacht (iv)bestrijdt het gebruik van de term ‘faciliteit’ voor (het resultaat van toepassing van) de aflopende-deelnemingsregeling. Die term ‘faciliteit’ komt niet in de wettekst voor en is ook in de procedure nooit gevallen. Een faciliteit is volgens het Groene boekje “een middel dat je ergens voor kunt gebruiken”. De belanghebbende ziet geen reden waarom zij het middel van de aflopende deelneming niet zou mogen gebruiken voor (het resultaat behaald met) kwalificerende opties. De Rechtbank lijkt ‘faciliteit’ als synoniem voor ‘tegemoetkoming’, zoals een gedeeltelijke vergoeding van de kosten te gebruiken; dat doet zich in casu niet voor. De vrijstelling van de voordelen uit een aflopende deelneming is een wettelijk recht en geen faciliteit. Ook als het wel om een faciliteit zou gaan, ziet de belanghebbende geen grond om die beperkt uit te leggen.
verweerbetoogt de Staatssecretaris ad (i) dat voor een aflopende deelneming vereist is dat het belang vóór de daling beneden 5% als deelneming kwalificeerde. Uit art. 13(2) Wet Vpb blijkt dat opties niet als zodanig kwalificeren. De belanghebbende meent ten onrechte dat art. 13(16) Wet Vpb niet als voorwaarde zou stellen dat er een deelneming moet zijn geweest. Die eis volgt duidelijk uit de wettekst en de totstandkomingsgeschiedenis. De wetgever had daarbij het oog op aandelenbelangen en niet op andere belangen.
BNB2021/12
(Cum/ex),noch uit de voorafgaande Hofuitspraak in die zaak valt af te leiden dat een (gedekte) optie als deelneming kwalificeert. De Staatssecretaris wijst op zijn besluiten van 20 januari 2017 en 9 maart 2020 (zie 4.11 en 4.13 hieronder).
Falcons-arrest de deelnemingsvrijstelling van toepassing achtte op een optieresultaat, nl. omdat het resultaat behaald met een optie op een kwalificerend aandeel een opbrengst is die van een kwalificerend aandeel is afgesplitst. De Rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of daarmee is bedoeld om ook het resultaat op uitoefening van een optie op tot een aflopende deelneming behorende aandelen onder de deelnemingsvrijstelling te brengen, en heeft die vraag ontkennend beantwoord omdat art. 13(16) Wet Vpb toen nog niet bestond. De Staatssecretaris deelt de conclusie van de Rechtbank dat dit te ver zou voeren.
Falcons-arrest meebracht dat opties die bij uitoefening zelfstandig recht gaven op minstens 5% van de aandelen voor de deelnemingsvrijstelling in aanmerking kwamen.
BNB1986/118) en dat kwalificerende opties voor de toepassing van art. 13 Wet Pro Vpb wel degelijk onder de term ‘deelneming’ vallen. Art. 13(16) Wet Vpb verwijst immers naar een ‘belang’ en niet naar ‘deelneming’, en uit de kamerstukken blijkt niet dat de wetgever het oog slechts had op juridisch bezit van aandelen. Ad (ii) ziet de belanghebbende innerlijke tegenspraak in de stelling van de Staatssecretaris dat opties niet als deelneming kunnen worden aangemerkt maar wel als belang waarvoor de deelnemingsvrijstelling geldt. Ad (iv) constateert zij dat de Staatssecretaris de term ‘faciliteit’ duidt, wat de Rechtbank echter niet heeft gedaan, zodat die duiding mogelijk tardief is. Hoewel zij meent dat een kwalificerende optie als belang en daarmee als deelneming kan kwalificeren, zodat aan de vraag of het om een ‘faciliteit’ gaat niet wordt toegekomen, weerspreekt zij dat het relevant zou zijn dat een optiehouder ervoor kan kiezen om de opties al dan niet uit te oefenen; het gewenste moment doet zich nu eenmaal niet altijd voor. Dat aan opties nog geen aandeelhoudersrechten zijn verbonden, is juridisch juist, maar gaat volgens de belanghebbende in economische zin niet op. Bij gedekte opties geldt namelijk dat de optiehouder vanaf het moment van uitoefening recht heeft op de in de aandelen besloten dividenden.
4.De aflopende deelneming ex art. 13(16) Wet Vpb en aandelenopties
De wet
Falcons-doctrine.
Falcons-arrest: [10]
Deelnemingsbegrip
Falcons-doctrine in verband met de vrijstelling voor aflopende deelnemingen in lid 16 heb ik in de wetsgeschiedenis niets specifieks kunnen vinden.
1.5. Artikel 13, vijfde lid, Wet Vpb
3.3. Toerekening middellijke belangen
1.5.1.2. Houder van calloptie; begrip deelneming
1.5. Artikel 13, vijfde lid, Wet Vpb
Falcons-arrest niet van toepassing acht op opties in aflopende-deelneming-gevallen:
1.5. Artikel 13, vijfde lid, Wet Vpb
Optierechten
NTFR2022/2248 bij de uitspraak van de Rechtbank) lijkt de Rechtbank de hierboven geciteerde paragraaf 1.16.2 uit het 2020-besluit te volgen:
Rozendalvolgt uit de opzet van art. 13 Wet Pro Vpb en de formulering van art. 13(16) Wet Vpb dat ‘belang’ in lid 16 een alternatief is voor het begrip ‘deelneming’: [23]
6.9 Kwalitatieve en kwantitatieve invulling van het begrip belang in het deelnemingsbegrip
Albertdat de vrijstelling voor aflopende deelnemingen van toepassing is als aan het ‘Falcons-criterium’ wordt voldaan (ik laat voetnoten weg): [28]
Martensis zelfs onduidelijk of de aflopende deelneming van art. 13(16) Wet Vpb zelf wel een ‘deelneming’ is: [32]
5.Falcons c.a.
Falcons-arrest [33] op de maand af twintig jaar geleden, toen de vrijstelling voor aflopende deelnemingen nog niet bestond. Uit dat arrest blijkt dat de deelnemingsvrijstelling ook door de houder van gedekte
callof
putopties kan worden toegepast als de opties zien op een pakket aandelen dat een deelneming vormt. U kwam tot dat oordeel op basis van de strekking van de deelnemingsvrijstelling (voorkoming van economische dubbele belasting), waarin past dat als een belang bij een deelnemingsaandeel wordt opgesplitst, de resultaten van en op beide deelbelangen bij dat aandeel onder de vrijstelling vallen. De zaak betrof opties op bestaande (al uitgegeven) aandelen:
Falcons-doctrine bevestigd en uitgebreid in latere arresten, met name HR
BNB2005/254, [34] over waardedaling van opties op nog niet bestaande (nog te emitteren) aandelen, HR
BNB2005/260, [35] over in aandelen converteerbare obligaties, het Netwerkorganisatie-arrest HR
BNB2006/7, [36] inhoudende dat de voormalige aandeelhouder de deelnemingsvrijstelling geniet voor het resultaat op een door hem bij de verkoop van zijn deelneming bedongen recht op een deel van het resultaat op doorverkoop van de deelneming, en HR
BNB2008/6, [37] over waardemutaties van conversierechten. In het Kazachse-voorkeursrechtarrest HR
BNB2017/11 [38] achtte u de deelnemingsvrijstelling echter niet van toepassing op een schadevergoeding ontvangen van een mede-aandeelhouder wegens schending van het voorkeursrecht op de aandelen van die mede-aandeelhouder (die aan een derde had verkocht), omdat geen recht op levering en tegenprestatie waren totstandgekomen.
Cum/ex-arrest HR
BNB2021/12. [39] De belanghebbende beriep zich bij de Rechtbank vergeefs op dit arrest op basis van een
a contrarioredenering. Uit het arrest blijkt dat resultaten op ongedekte
callopties niet onder de deelnemingsvrijstelling vallen. Het arrest gaat niet over art. 13(16) Wet Vpb en het lijkt mij daarom van beperkt belang. De deelnemingsvrijstelling geldt niet voor de voor- en nadelen op
callopties als de schrijver ten tijde van de optieovereenkomst niet beschikt over de aandelen die bij uitoefening van de
calloptie geleverd zouden moeten worden. U overwoog (ik laat voetnoten weg):
BNB2017/11; PJW] volgt dat de reikwijdte van de deelnemingsvrijstelling beperkt is tot het opsplitsen van het (economische) belang bij aandelen die bij de wederpartij van het optiecontract ten tijde van het schrijven van de optie tot een deelneming behoren. Voorts is het Hof van oordeel dat ter zake van beurstransacties met opties in de regel ervan kan worden uitgegaan dat geen sprake is van een deelnemingsrelatie bij een van de betrokken partijen en dat de transacties ook niet zullen resulteren in het ontstaan van een deelneming. Volgens het Hof is niet aannemelijk geworden dat de schrijvers van de callopties die door belanghebbende vanaf 4 mei 2007 zijn uitgeoefend, over de onderliggende aandelen beschikten op het moment waarop de optieovereenkomst tot stand kwam. Daarom is ook niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van het opsplitsen van een aandeel in een optie en het (resterende) aandeel, als bedoeld in de hiervoor genoemde arresten.
calloptie behalve het onderliggende aandeel ook een deelneming moet hebben om het optieresultaat bij de optiehouder onder de deelnemingsvrijstelling te kunnen doen vallen. De redactie van
V-N2020/57.8 schreef:
Ongedekte opties en deelneming
BNB2021/12 bestrijdt De Vries de conclusie van de redactie V-N dat de schrijver van de
calloptie geen deelneming hoeft te hebben, als de optie maar gedekt is. De deelnemingsvrijstelling kan zijns inziens bij (
call)optiehouders alleen van toepassing zijn als de schrijver ervan ten tijde van het sluiten van de optieovereenkomsten aandelen bezit die een deelneming vormen omdat, kort gezegd, een niet-bestaande deelneming niet kan worden opgesplitst:
Boulogne(
FED2021/18) meent, om dezelfde reden, dat buiten redelijke twijfel staat dat de aandelen bij de schrijver van de optie tot een deelneming moeten behoren:
2020-0000000002,
Stcrt.2020, 15230,
V-N2020/17.97 over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op optierechten dat standpunt al ingenomen (punt 1.2.1.3: “om het voordeel uit het optierecht daadwerkelijk onder de deelnemingsvrijstelling te brengen, moeten naar mijn mening de aandelen waarop het optierecht betrekking heeft bij een calloptie of putoptie bovendien in het bezit zijn van de optieschrijver respectievelijk de optiehouder
en bij deze partij tot een deelneming behoren”). De staatssecretaris en ik hebben de redactie van
V-N2019/15.7overigens niet aan onze zij, ik citeer: “Het arrest haalt een streep door de omstreden opvatting van de Staatssecretaris van Financiën dat de optie niet alleen gedekt moet zijn, maar de onderliggende aandelen bij deze partij tevens tot een deelneming moeten behoren (…).
Dit oordeelt de Hoge Raad hier uitdrukkelijk niet.”
FED2003/104 en de redactie van
V-N2019/15.7). Ik denk dat dat juist is omdat (alleen) in dat geval symmetrie bereikt kan worden tussen het (vrij te stellen, positieve) resultaat op de calloptie en het (negatieve) resultaat op de putoptieverplichting (evenwichtsgedachte).
Belastingadvies2021/4.5) daarentegen meent dat de opvatting van de staatssecretaris van Financiën in het besluit van 9 maart 2020 door uw
Cum/ex-arrest is achterhaald. De aandelen hoeven bij de optieschrijver volgens Vernoij niet tot een deelneming te behoren:
NTFR2020/3147) meent dat het
Cum/ex-arrest aan duidelijkheid te wensen overlaat:
zouden moetenworden’ (cursivering NG), zodat daarmee het voor- of nadeel van deze opties onder de deelnemingsvrijstelling zou kunnen vallen.”
6.Klachten (i) t/m (iv); vrijstelling voor aflopend belang in gedekte opties?
callopties. Aan alle overige voorwaarden van art. 13(16) Wet Vpb, zoals in het driejaarscriterium, is haars inziens eveneens voldaan.
Falcons-doctrine slechts inhoudt dat het resultaat op opties die bij uitoefening tot een deelneming gaan behoren, is vrijgesteld, maar niet dat die opties onderdeel van de ‘deelneming’ zijn.
Falcons-arrest kon hebben voor de reikwijdte van zijn vrijstelling van aflopende deelnemingen waarbij opties zijn betrokken. Ik bezie daarom niet alleen waartoe grammaticale en wetshistorische interpretatie van art. 13(6) Wet Vpb voeren, maar ook en vooral waartoe teleologische interpretatie leidt, nu uw
Falcons-doctrine volledig steunt op de ratio van de deelnemingsvrijstelling. Zoals bleek, lopen de meningen in de literatuur uiteen.
Falcons-arrest niet bestaan. Aangezien ‘belang’ een vager en ruimer term is dan ‘deelneming’, lijkt het gebruik van die term in lid 16 eerder het standpunt van de belanghebbende dan dat van de Staatssecretaris te steunen, maar het gebruik van de term ‘belang’ in lid 16 moet denkelijk verklaard worden door de wens van de wetgever om met één term alle soorten deelnemingen genoemd in lid 2 te omvatten, dus niet alleen deelnemingen in kapitaalvennootschappen (letter a), maar ook fondsparticipaties, commanditaire participaties, coöperatielid-maatschappen en deelnemingen in
reverse hybrid entities(letters b t/m d), en niet uit een wens om een ruimer begrip dan ‘deelneming’ te introduceren; dat zou ook niet logisch zijn omdat de bedoeling was om stervensbegeleiding te geven aan ‘deelnemingen.’ Dat neemt echter niet weg dat de term ‘deelneming’ onafgebakend is en in het midden laat of het door de Staatssecretaris gemaakte onderscheid tussen (het bestaan van) een ‘deelneming’ en het object van de deelnemings
vrijstellingwettelijke basis heeft. Volgens de letterlijke tekst van art. 13 Wet Pro Vpb hebben inderdaad enkel ‘aandeelhouders’ aanspraak op de deelnemingsvrijstelling, maar dit tekstuele argument is bepaald zwak na uw ontwikkeling van de gesplitst-belang-leer in het Falcons-arrest. De tekst biedt dus weinig houvast, maar biedt wellicht enige steun aan het standpunt van de Staatssecretaris.
call-opties kan omvatten, maar biedt wel enige steun aan het standpunt van de belanghebbende. De medewetgever antwoordde op een Kamervraag dat met de wijziging van art. 13 Wet Pro Vpb geen wijziging werd beoogd in de
Falcons-doctrine (zie 4.5 hierboven). De wetgever verklaarde verder (zie 4.3 hierboven) dat met de vrijstelling voor aflopende deelnemingen is bedoeld dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing ‘blijft’ op belangen waarvoor de deelnemingsvrijstelling gold voordat het belang onder de 5% zakte. Dat kan overigens ook in de wettekst gelezen worden. Als de wetgever had gewild dat de
Falcons-doctrine niet zou gelden voor aflopende deelnemingen zoals voor niet-aflopende deelnemingen, had het voor de hand gelegen om daar iets over te zeggen of te regelen, maar hij heeft dat niet gedaan. Ook de wetsgeschiedenis biedt aldus weinig houvast, maar biedt mijns inziens minstens evenveel steun aan belanghebbendes standpunt als grammaticale interpretatie biedt aan het standpunt van de Staatssecretaris, temeer nu de wettekst ook zo gelezen kan worden dat die het standpunt van de belanghebbende steunt.
Falcons-doctrine, die geheel gebaseerd is op de ratio de deelnemingsvrijstelling, dus op teleologische interpretatie (naar doel en strekking) van art. 13 Wet Pro Vpb, komt aan die ratio mijns inziens doorslaggevende betekenis toe ook bij de uitleg van lid 16, dat deelnemingsvrijstelling-(uit)stervensbegeleiding inhoudt: een deelnemer moet niet door dreiging van verlies van de vrijstelling gedwongen worden om een groot pakket ineens te verkopen (met koersgevolgen) in plaats van in kleinere tranches over een langere uitsterfperiode; soms kán een deelneming (vooralsnog) niet eens ineens worden verkocht als gevolg van een
lock upvan aandelen (zie 4.2 en 4.3 hierboven).
ne bis in idem-ratio in het licht van uw
Falcons-doctrine en het uitstervensbegeleidingsdoel van de aflopende-deelnemingsvrijstelling meebrengt dat gedekte, maar niet uitgeoefende
call-opties die vóór de 5%-onderschrijding onder de deelnemingsvrijstelling vielen, ná de verwatering ‘blijven’ vallen onder de vrijstelling voor de daardoor aflopende deelneming, hoewel zij vóór die onderschrijding geen aandelen zijn geworden en daarmee volgens de tekst van lid 2 geen deelneming waren. Aan u het antwoord.
Falcons-arrest blijkt dat het niet-uitoefenen van
call-opties niet aan toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de weg staat als - inclusief (virtuele uitoefening van) die opties - maar aan het 5%-criterium wordt voldaan. Uit het
Cum/ex-arrest blijkt dat het om gedekte
call-opties moet gaan, hetgeen in casu niet in geschil is. Het lijkt dan inconsistent om de deelnemingsvrijstelling niet op het resultaat op
call-opties van toepassing te achten als die deelneming afloopt. Aan vrijstelling van een aflopende deelneming zouden dan strengere eisen worden gesteld dan aan vrijstelling van een niet-aflopende deelneming, welke strengere eisen noch vanuit de ratio van de deelnemingsvrijstelling, noch vanuit de ratio van de deelnemingsafloopbegeleiding verklaard kunnen worden. Uit de wetsgeschiedenis van lid 16 volgt dat met de vrijstelling voor aflopende deelnemingen juist is bedoeld dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing ‘
blijft’op belangen waarvoor de deelnemingsvrijstelling gold voordat het belang onder de 5% zakte. Nu de deelnemingsvrijstelling in casu vóór de belangverwatering van toepassing was op de litigieuze opties, lijkt na verwatering voortdurende toepassing van de vrijstelling op die opties geheel in lijn met doel en strekking van art. 13(16) Wet Vpb.
Falcons-arrest, zegt mijns inziens slechts dat art. 13(16) Wet Vpb toen nog niet bestond en verder niets. Dat gegeven verandert mijns inziens niets aan het feit dat het hier slechts om twee maatstaven gaat: (i) de ratio van de deelnemingsvrijstelling en (ii) de ratio van de vrijstelling voor aflopende deelnemingen. Ad (i) als het om gedekte opties gaat die bij uitoefening tot een deelneming zouden gaan behoren, is de deelnemingsvrijstelling van toepassing bij de optiehouder, zeker als hij ook al een deelneming in aandelen heeft, zoals de belanghebbende had vóór de beursgang. Volgens de
Falcons-doctrine is de deelnemingsvrijstelling dan naar haar ratio met vlag en wimpel van toepassing. Ad (ii) ook bij opties kan zich het probleem van moeilijke ineens-verkoopbaarheid of dat van een
lock upvoordoen en niet valt in te zien waarom de samenstelling van het vrijgestelde belang ná de verwatering opeens wél van belang zou moeten zijn voor de vrijstelling waar die samenstelling vóór de verwatering juist niet van belang was voor de vrijstelling, als de 5% maar (virtueel) gehaald werd. Het enige dat de verwatering anders maakt, is dat de belanghebbende die 5% niet meer haalt, maar
juistdaarvoor is de vrijstelling voor aflopende deelnemingen bedoeld. Niet valt in te zien waarom in haar geval minder of geen uitsterfbegeleiding vergund zou moeten worden dan aan een vergelijkbaar verwaterd belang in alleen aandelen.
Cum/ex-arrest afleiden dat de deelnemingsvrijstelling enkel voor opties kan gelden als zowel de optiehouder als de optieschrijver aan het 5%-criterium (blijven) voldoen. Als dat zo is, zou de zaak verwezen moeten worden om dat uit te doen zoeken: bij de feitenrechter is dat niet onderzocht. Vóór hun standpunt pleit dat uw Falcons-doctrine is gebaseerd op de gedachte van
opsplitsingvan een belang bij een deelneming. Als er geen deelneming is, kan het belang erbij ook niet opgesplitst worden. Dat is echter gedacht vanuit de schrijver. Als de optiekoper/houder al een deelneming heeft, valt echter vanuit
diensperspectief niet in te zien waarom de bijkoop niet zou meedelen in de door hem reeds genoten deelnemingsvrijstelling. Als een houder van 6% van de aandelen één procent bijkoopt van een verkoper die slechts die ene procent en dus geen deelneming had, staat dat evenmin aan toepassing van de deelnemingsvrijstelling op die extra procent bij de koper in de weg. In de Cum/ex-zaak merkte ik daarover het volgende op:
callopties gaat, zij gedekt moeten zijn door aandelen die al – bij de schrijver – tot een deelneming behoren. Zo streng hoeft u mijns inziens echter niet te zijn. Met de belanghebbende meen ik dat de aandelen niet tot een reeds bestaande deelneming hoeven te behoren, als zij daartoe maar wel (zouden) gaan behoren als de opties uitgeoefend (zouden) worden. Vereist is dus wel dat de opties gedekt zijn, al is het niet binnen een al bestaande deelneming. Daarmee wordt zeker gesteld dat het – alle belangen bij elkaar opgeteld – om niet meer kan gaan dan precies éénmaal het werkelijke belang bij de werkelijk uitstaande aandelen in de vennootschap om wier bedrijfsresultaat het uiteindelijk gaat. Het voorkomt dat niet-overzienbare spook-, dubbelganger- en synthetische deelnemingen of nog naardere dingen ontstaan. Ik meen daarom (…) dat uit de overeenkomt tussen schrijver en koper moet volgen dat bij een daadwerkelijke
callde aandelen ook daadwerkelijk geleverd kunnen en zullen worden. Uitgesloten zijn dan opties op aandelen die slechts als rekengrootheid dienen, opties waarvan
cash settlementop voorhand vaststaat en opties waar niets over te zeggen valt. Daarbij ware de bewijsregel te stellen dat de bewijslast van de vereiste dekking rust op degene die zich op de deelnemings-vrijstelling beroept. Ik ga ervan uit dat dit in de praktijk betekent dat beursopties, anders dan OTC-opties, nauwelijks zullen kunnen meedoen, maar als iedereen dat weet, weet iedereen waaraan hij toe is.
call-optieschrijver de aandelen bezit en dat de opties bij uitoefening tot een (uitbreiding van een al bestaande) deelneming leiden.
Falcons-arrest negeert. Volgens de tekst van art. 13 Wet Pro Vpb hebben inderdaad enkel ‘aandeelhouders’ aanspraak op de deelnemingsvrijstelling, maar dit tekstuele argument is dus bepaald zwak na uw ontwikkeling van de gesplitst-belang-leer, begonnen in het Falcons-arrest.