Conclusie
curator)
Mijn Hoek)
[verweerder 3])
[verweerder 4])
[verweerder 5])
[verweerster 6])
Intertrust)
Becom Beheer)
OK) die ziet op twee, samenhangende zaken: de eerste betreft Prien Holding B.V. (hierna:
Prien Holding), de tweede betreft Gravier E. Beheer B.V. (hierna:
Gravier). In deze beschikking - een eindbeschikking - heeft de OK onder meer afgewezen de ter zake gedane verzoeken tot vaststelling van (verantwoordelijkheid van bepaalde personen voor) wanbeleid, het treffen van voorzieningen en het ten laste brengen van de onderzoekskosten van bepaalde personen. Daartegen wordt opgekomen in cassatie door de curator (in het faillissement van Prien Holding en van Gravier). M.i. zonder succes.
1.Feiten
beschikking). [1]
ATC) van 21 juli 2000 tot 21 januari 2011 (ATC heeft per 1 december 2013 haar naam gewijzigd in die van Intertrust);
RCS) van 28 juli 2005 tot 21 januari 2011 (RCS is op 9 juli 2019 als verdwijnende rechtspersoon gefuseerd met Becom Beheer);
[betrokkene 1]) vanaf 11 februari 2016.
Goldvalentin), waarvan [verweerder 3] bestuurder is, en Mas & Saz Inversiones y Proyectos S.L. (hierna:
Mas & Saz), waarvan [verweerder 4] bestuurder is. Daarnaast houdt Prien Holding alle aandelen in de Zwitserse vennootschap Belview GmbH (hierna:
Belview).
Kata 10), waarvan [verweerder 3] bestuurder is, en de aandelen in de Spaanse vennootschap Niewiemans S.L. Kata 10 houdt onder meer aandelen in Spaanse vastgoedvennootschappen.
Publimun).
Lumejam). Kata 10 en Publimun houden ieder 14,33% van de aandelen in Lumejam. Gravier is bestuurder van Lumejam.
Mediasat), een internationaal opererend mediaconcern. Na de oprichting van Prien Holding op 21 juli 2000 hebben [verweerder 4] en [verweerder 3] op 30 augustus 2000 al hun aandelen in Mediasat in Prien Holding ingebracht tegen uitgifte aan ieder van 50% van de aandelen in Prien Holding. Deze structurering, en daarmee de oprichting van Prien Holding, vond plaats om fiscale redenen, vooruitlopend op een verkoop van het aandelenbelang in Mediasat. Medio 2004 heeft Prien Holding een deel van haar aandelen in Mediasat verkocht voor circa € 26 miljoen. Op basis van fiscaal advies is de verkoopopbrengst door Prien Holding als kapitaal in Goldvalentin respectievelijk Mas & Saz ingebracht, die elk aldus € 13 miljoen aan kapitaal verkregen. Goldvalentin en Mas & Saz hebben dit kapitaal geïnvesteerd in voornamelijk onroerend goed.
[betrokkene 2]) aangewezen als respectievelijk bestuurder van Prien Holding en beheerder van aandelen.
onderzoeker). De OK overwoog onder meer (rov. 2.3):
2.Procesverloop
Prien Holdingtot afwijzing van de verzoeken en in de zaak
Graviertot afwijzing van de verzoeken en veroordeling van Gravier, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding aan de zijde van Intertrust. De beschikking, die 33 pagina’s beslaat, is als volgt opgebouwd.
De omvang van het onderzoek5.1 [verweerder 3 en Mijn Hoek] [ [verweerder 3] en Mijn Hoek, A-G] en Intertrust c.s. [Intertrust en Becom Beheer, A-G] hebben opgemerkt dat het merendeel van het onderzoeksverslag betrekking heeft op gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan buiten de door de Ondernemingskamer vastgestelde onderzoeksperiode en bovendien betrekking heeft op gebeurtenissen bij Belview en 132M en niet bij Prien Holding en Gravier. [verweerder 3 en Mijn Hoek] en Intertrust c.s. betogen dat die gebeurtenissen daarom niet op zichzelf tot het oordeel kunnen leiden dat bij Prien Holding en Gravier in de onderzoeksperiode sprake is geweest van wanbeleid.
5.2 De Ondernemingskamer heeft in de beschikking van 11 februari 2016 een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Prien Holding over de periode vanaf 1 januari 2015. Bij beschikking van 9 juni 2016 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Gravier vanaf 1 januari 2014. Bij beschikking van 18 oktober 2018 heeft de Ondernemingskamer op verzoek van partijen, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] het onderwerp van het onderzoek uitdrukkelijk beperkt tot de financiële verhoudingen tussen Prien Holding en Gravier enerzijds en anderzijds hun dochtervennootschappen en [verweerder 3] en [verweerder 4] en aan laatstgenoemden gelieerde (rechts)personen. De Ondernemingskamer heeft daarbij expliciet overwogen dat het onderzoek betrekking heeft op de periode vanaf respectievelijk 1 januari 2015 (Prien Holding) en 1 januari 2014 (Gravier) tot en met 31 december 2016 en dat gebeurtenissen vóór en na die data - zoals de gang van zaken met betrekking tot de investering van Belview in Argentinië en met betrekking tot 132M - in het onderzoek kunnen worden betrokken voor zover die gebeurtenissen, naar het oordeel van de onderzoeker, licht werpen op gebeurtenissen in de onderzoeksperiode, of voor een goed begrip van de financiële verhoudingen nodig zijn. Bij beschikking van 22 juli 2020 heeft de raadsheer-commissaris nog eens benadrukt dat ook de wijze waarop [verweerder 5] met de kwestie van de leningen is omgesprongen geen zelfstandig onderwerp is van de beperkte onderzoeksopdracht.
5.3 De onderzoeker heeft blijkens het verslag (bijv. par. 9.2) de gang van zaken bij Belview en het Project Mulieris (in het bijzonder de verkoop van de appartementen) en de gang van zaken rondom 132M in het onderzoek betrokken, omdat volgens hem beide kwesties een aanzienlijke weerslag hebben gehad op de financiële verhoudingen bij Prien Holding en Gravier tijdens de onderzoeksperiode. Die beslissing van de onderzoeker valt binnen de aan de onderzoeker toekomende ruime marge van waardering. De gang van zaken met betrekking tot Belview en 132M is evenwel op grond van de beschikkingen van 11 februari 2016, 9 juni 2016 en 18 oktober 2018 geen zelfstandig voorwerp van onderzoek (en, voor zover het gaat om de gang van zaken binnen deze vennootschappen, kan het dat ook niet zijn nu het buitenlandse vennootschappen betreft) en die gebeurtenissen zijn voor de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van wanbeleid bij Prien Holding en Gravier slechts van belang voor zover zij een licht werpen op gebeurtenissen in de onderzoeksperiode of nodig zijn voor een goed begrip van de financiële verhoudingen tussen Prien Holding en Gravier enerzijds en anderzijds hun dochtervennootschappen en [verweerder 3] en [verweerder 4] en aan laatstgenoemden gelieerde (rechts)personen. Over de vraag of ter zake van de gang van zaken met betrekking tot de investering van Belview in Argentinië en met betrekking tot 132M op zichzelf beschouwd sprake is geweest van wanbeleid, zal de Ondernemingskamer zich dan ook niet uitspreken.”
Algemeen5.4 In haar beschikking van 11 februari 2016 heeft de Ondernemingskamer overwogen dat sprake is van gebrekkige informatievoorziening door het bestuur van Prien Holding aan de aandeelhouders en een inmiddels dreigende patstelling in de algemene vergadering (r.o. 3.19). Daarbij heeft de Ondernemingskamer opgemerkt dat zij over onvoldoende informatie beschikte om zich over de kwestie van de leningen een oordeel te kunnen vormen. Zo ontbraken stukken op basis waarvan kon worden vastgesteld of nog sprake was van opeisbare leningen op [verweerder 4] en ontbraken toereikende gegevens over de door Prien Holding aan Belview verstrekte lening en de vraag of Belview in staat zou zijn deze lening af te lossen (r.o. 3.20).
5.5 In haar beschikking van 9 juni 2016 heeft de Ondernemingskamer overwogen dat Gravier, [verweerder 3] en [verweerder 4] het erover eens zijn dat tussen hen geschillen bestaan die vergelijkbaar zijn en verband houden met de geschillen die bestaan bij Prien Holding, waaronder een geschil over de omvang en inning van de leningen en de rekening-courantverhoudingen tussen Gravier enerzijds en [verweerder 4] en [verweerder 3] en aan hen gelieerde rechtspersonen anderzijds. Volgens Gravier, [verweerder 3] en [verweerder 4] was duidelijk dat mede vanwege die kwesties een hevig conflict bestaat tussen de aandeelhouders en dat dit ertoe leidt dat binnen de algemene vergadering geen besluiten kunnen worden genomen en een patstelling is ontstaan. (r.o. 3.1). Naar het oordeel van de Ondernemingskamer was sprake van een ernstig verstoorde verhouding tussen [verweerder 4] en [verweerder 3] met als gevolg dat de algemene vergadering van Gravier niet meer naar behoren kon functioneren (r.o. 3.4).
5.6 In haar beschikking van 18 oktober 2018 heeft de Ondernemingskamer vervolgens overwogen dat partijen, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] het erover eens zijn dat Prien Holding en Gravier vooral belang hebben bij duidelijkheid over de financiële verhoudingen (r.o. 2.3). Bij partijen, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bestond op dat moment kennelijk de verwachting dat die door het onderzoek te verkrijgen duidelijkheid een einde zou kunnen maken aan het onderling wantrouwen en de ernstig verstoorde verhouding tussen [verweerder 4] en [verweerder 3] . Het onderzoek zou daarmee een grondslag kunnen bieden voor een afwikkeling van de onderlinge financiële verhoudingen en kunnen leiden tot een ontvlechting van de door [verweerder 4] en [verweerder 3 en Mijn Hoek] gehouden belangen in Prien Holding en Gravier, waarbij een rol speelde dat [verweerder 3] te kennen had gegeven dat hij zich bij de uitkomst van het onderzoek zou neerleggen. Dit heeft de Ondernemingskamer ertoe gebracht een beperkte onderzoeksopdracht te verstrekken (zie 2.17).
5.7 Het onderzoek betrof derhalve uitsluitend de stand van zaken op het punt van de financiële verhoudingen tussen Prien Holding en Gravier enerzijds en anderzijds hun dochtervennootschappen en [verweerder 3] en [verweerder 4] en aan laatstgenoemden gelieerde (rechts)personen. Onderwerpen die de Ondernemingskamer in haar eerdere beschikkingen als gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en juiste gang van zaken had aangemerkt zijn niet nader onderzocht, zoals bij Prien Holding het voorgenomen gebruik door [verweerder 3] van de zeggenschap waarover hij beschikte als gevolg van de uitgifte van één extra aandeel aan Mijn Hoek, de uitgifte nadien van een extra aandeel aan [verweerder 4] zonder [verweerder 3] daarin te kennen, de door Prien Holding aan [verweerder 4] verschafte volmacht, de informatievoorziening aan [verweerder 3] /Mijn Hoek en de dreigende patstelling in de algemene vergadering van aandeelhouders en bij Gravier het geschil tussen [verweerder 3] en [verweerder 4] over diverse aspecten van het functioneren van [verweerder 5] als bestuurder en eveneens de patstelling in de algemene vergadering van aandeelhouders.
5.8 In het onderzoeksverslag wordt bij de schets van de geschillen bevestigd dat de verhoudingen tussen [verweerder 4] en [verweerder 3] in de loop van de tijd ernstig verstoord zijn geraakt. De na het onderzoek van de Spaanse belastingdienst opgelegde belastingaanslag van circa € 18 miljoen en de gelegde beslagen hebben spanningen tussen [verweerder 4] en [verweerder 3] veroorzaakt die hun weerslag hebben gehad op de financiële verhoudingen tussen Prien Holding, Gravier en hun dochtervennootschappen en [verweerder 3] en [verweerder 4] en aan hen gelieerde (rechts)personen. Doordat liquiditeiten en vermogens grotendeels waren geblokkeerd, konden bestaande financiële verhoudingen niet worden afgewikkeld. Tevens werden bij Prien Holding en Gravier nog aanwezige middelen op hun verzoek aan [verweerder 3] en [verweerder 4] of aan hen gelieerde (rechts)personen ter beschikking gesteld, wat tot nieuwe financiële posities leidde. Toen het geschil met de Spaanse belastingdienst uiteindelijk was opgelost, waren de verhoudingen tussen [verweerder 3] en [verweerder 4] ernstig verstoord geraakt, aldus het verslag. De onderzoeker heeft vervolgens vermeld dat hij zich uitsluitend richt op het verkrijgen van duidelijkheid over de bedoelde financiële verhoudingen en in verband daarmee de gang van zaken rondom Project Mulieris en 132M heeft onderzocht en dat hij andere onderwerpen van geschil die blijken uit alle beschikkingen van de Ondernemingskamer, waaronder alle kwesties die spelen na de einddatum van de onderzoeksperiode, buiten beschouwing heeft gelaten.”
De financiële verhoudingen5.9 Uit het onderzoeksverslag blijkt dat de gang van zaken bij Belview van invloed is geweest op de financiële verhoudingen tussen Prien Holding en haar 100% dochter Belview. [verweerder 3] en [verweerder 4] hebben vanaf 2007 zelf de verkoop van de appartementen ter hand genomen. De administratieve vastlegging daarvan is zeer gebrekkig geweest en er bestaan concrete aanwijzingen dat een aanzienlijk deel van de verkoopopbrengst niet aan Belview ten goede is gekomen. Bij gebreke van een volledige administratie kan de exacte omvang daarvan niet worden bepaald. Wel is duidelijk dat een cash betaling van USD 100.000 door [verweerder 3] niet aan Belview is doorbetaald. Volgens [verweerder 3] heeft [verweerder 4] de helft van dat bedrag ontvangen. [verweerder 4] betoogt dat hij slechts CHF 5.000 heeft ontvangen. Dit kan niet worden geverifieerd; vast staat in ieder geval wel dat hij van de ontvangst van het bedrag van USD 100.000 op de hoogte was. Daarnaast is bij de verkoop van twee appartementen, waarbij [verweerder 4] en [verweerder 3] namens de verkoper betroken waren, door de koper een cheque van € 195.074 aan de notaris verstrekt waarvan aannemelijk is dat dit bedrag wel is geïncasseerd, maar niet aan Belview is doorbetaald.
5.10 Belview is niet in staat geweest uit eigen middelen het restant van de door Prien Holding aan Belview verstrekte lening I geheel terug te betalen, waardoor per 31 december 2016 nog een bedrag van € 699.908 open stond. In hoeverre dit het gevolg is geweest van het feit dat de verkoopopbrengst van de appartementen niet aan Belview is doorbetaald, kan hier in het midden blijven. De omvang van de restantvordering uit hoofde van lening I staat op zichzelf vast en is administratief juist verantwoord, zo volgt uit het verslag.
5.11 Uit het onderzoeksverslag blijkt dat ook de gang van zaken met betrekking tot 132M van invloed is geweest op de financiële verhoudingen tussen Prien Holding en Gravier enerzijds en [verweerder 4] en [verweerder 3] anderzijds. Uit de beschreven gang van zaken volgt dat 132M door [verweerder 4] en [verweerder 3] als dochter van Gravier is opgericht zonder dat ATC als bestuurder van Gravier daarbij betrokken is geweest. Gravier heeft - wederom zonder medeweten van ATC - USD 1.300.000 van Belview geleend en dit bedrag als kapitaalstorting doorbetaald aan 132M. Van dit bedrag zijn voor USD 1.100.000 aandelen in Inversiones gekocht, wederom zonder dat de bestuurder van Gravier, inmiddels [verweerder 5] , daarvan op de hoogte was. [verweerder 4] en [verweerder 3] hebben vervolgens de aandelen in Inversiones bij helfte aan zichzelf, althans aan hun familieleden overgedragen. [verweerder 4] en [verweerder 3] moeten zich er daarbij van bewust zijn geweest dat zij aldus effectief een bedrag van USD 1.100.000 aan Gravier onttrokken.
5.12 Deze gang van zaken heeft bijgedragen aan het ontstaan van onduidelijkheid over de financiële verhoudingen binnen Gravier en Prien Holding. Nadat [verweerder 5] ervan op de hoogte raakte dat [verweerder 4] en [verweerder 3] een bedrag van USD 1.100.000 aan Gravier hadden onttrokken, heeft hij het ertoe geleid dat deze onttrekking zou worden omgezet in twee leningen van USD 550.000 van Gravier (of Prien Holding) aan [verweerder 4] en [verweerder 3] . Om fiscale redenen was het de bedoeling dat deze leningen vervolgens aan Prien Holding en daarna aan Belview zouden worden overgedragen. [verweerder 4] heeft daaraan meegewerkt in die zin dat zijn aandeel in het aan Gravier onttrokken bedrag van USD 1.100.000 met terugwerkende kracht is omgezet in een lening van Gravier aan [verweerder 4] , althans in een lening van Prien Holding aan de echtgenote van [verweerder 4] en vervolgens aan Belview is overgedragen, en dat een en ander aldus administratief is verwerkt. Na retrocessie aan Prien Holding in 2016, heeft [verweerder 4] de schuld overgenomen en betalingstermijnen afgesproken. De schuld is inmiddels afgelost. [verweerder 3] heeft aan een en ander niet willen meewerken. Hij ontkent weliswaar niet dat ook hij een bedrag van USD 550.000 verschuldigd is, maar hij weigert dat bedrag te voldoen omdat hij meent dat het bedrag niet juist is geadministreerd. [verweerder 3] heeft in verband met zijn stelling dat 132M de schuldeiser is, namens 132M in Spanje tegen de echtgenote van [verweerder 4] geprocedeerd en deze procedure in twee instanties verloren. De onderzoeker vermeldt in het verslag dat er geen twijfel over kan zijn dat de gang van zaken rondom 132M heeft geresulteerd in vorderingen op (de echtgenote van) [verweerder 4] en [verweerder 3] zoals deze in hun rekening-courant zijn geboekt.”
Wanbeleid?5.13 Zoals hiervoor is overwogen zal de Ondernemingskamer zich niet uitspreken over de vraag of met betrekking tot de investering van Belview in Argentinië en met betrekking tot 132M op zichzelf beschouwd sprake is geweest van wanbeleid. De daarop gerichte stellingen en verwijten van de curator en Gravier kunnen daarom onbesproken blijven. Verder geldt dat uit het onderzoeksverslag niet blijkt dat en, zo ja, waarom en in hoeverre ter zake van de onderlinge schuldverhoudingen ten onrechte geen zekerheden zouden zijn bedongen en/of gevestigd. Het onderzoek was daar ook niet op gericht. De desbetreffende verwijten van de curator en Gravier kunnen bij die stand van zaken evenmin leiden tot het oordeel dat bij Prien Holding en Gravier sprake is geweest van wanbeleid.
5.14 In het verslag wordt geschetst hoe de financiële verhoudingen in de onderzoeksperiode tot stand zijn gekomen. In zijn verslag heeft de onderzoeker geconcludeerd dat hij (op twee hier niet ter zake doende uitzonderingen na) per de einddatum van de onderzoeksperiode (31 december 2016) geen aanleiding ziet af te wijken van de standen per 31 december 2016 zoals deze blijken uit de jaarrekeningen van Prien Holding, Gravier en Belview. Wat partijen hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding deze conclusie niet te volgen.
5.15 Slotsom is derhalve dat, wat er zij van wat zich heeft afgespeeld met betrekking het Project Mulieris en 132M, er op zichzelf duidelijkheid is gekomen over de financiële verhoudingen in onderzoeksperiode en dat de wijze waarop de financiële verhoudingen zijn vastgelegd op zichzelf niet onjuist is. Bij die stand van zaken biedt het verslag, dat zoals vermeld slechts betrekking heeft op een beperkt onderzoeksonderwerp en een beperkte periode, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel wanbeleid. De vraag of hetgeen de Ondernemingskamer in haar eerdere beschikkingen formuleerde als gegronde redenen om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Prien Holding en Gravier te twijfelen, tot het oordeel wanbeleid aanleiding geeft, blijft bij die stand van zaken noodzakelijkerwijs onbeantwoord. De uitkomst van het onderzoek biedt intussen wel de gevraagde duidelijkheid over de onderlinge schuldverhoudingen en dient partijen in staat te stellen thans tot een vermogensrechtelijke afwikkeling hiervan te komen.
5.16 [verweerder 3] heeft nog aangevoerd dat is gebleken van wanbeleid van [verweerder 5 en verweerster 6] [ [verweerder 5] en [verweerster 6] , A-G]. De handelwijze van [verweerder 5 en verweerster 6] is echter geen zelfstandig onderwerp van onderzoek en de verwijten betreffen bovendien grotendeels handelingen buiten de onderzoeksperiode. Waar het gaat om de UBO-overzichten heeft de onderzoeker geconcludeerd dat de eindstanden van de financiële verhoudingen tussen Prien Holding en Gravier enerzijds en [verweerder 4] en [verweerder 3] anderzijds, zoals die blijken uit de UBO-overzichten 2014 tot en met 2016, overeenkomen met de eindstanden van de schuldverhoudingen zoals die blijken uit de jaarrekeningen 2014 tot en met 2016 van Prien Holding en Gravier.”
Slotsom en proceskosten5.17 Uit het vorenstaande volgt dat alle verzoeken zullen worden afgewezen. De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding een kostenveroordeling uit te spreken, met uitzondering van een kostenveroordeling ten gunste van Intertrust in de zaak die betrekking heeft op Gravier. Gravier zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van Intertrust.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Hieraan doet niet af dat tot de doelstellingen van genoemde wettelijke regeling ook behoort de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor eventueel blijkend wanbeleid. [14] Die opening van zaken is immers reeds gerealiseerd met dat verrichte onderzoek, gevolgd door dat verslag ervan. Hiervan moet worden onderscheiden waarop de OK zich dient te richten bij de beantwoording van de vraag, zo zij daaraan toekomt, of uit het onderzoeksverslag van wanbeleid is gebleken; waarover hiervoor. En die mogelijke allocatie van verantwoordelijkheid voor eventueel blijkend wanbeleid volgt immers, want is afhankelijk van het antwoord op, die vraag of uit het onderzoeksverslag van wanbeleid is gebleken. Die mogelijke allocatie bepaalt evenmin waarop de OK zich bij beantwoording van die (voor)vraag dient te richten. Kortom, ook de aard en functie van de enquêteprocedure, waarop het subonderdeel nog wijst, verzetten zich niet tegen de hier door de OK gevolgde benadering.
22.2.3 Feiten en omstandigheden die buiten de onderzoeksperiode vallenDe onderzoeker is bij de uitvoering van zijn opdracht gebonden aan de door de Ondernemingskamer bepaalde onderzoeksperiode. Het komt geregeld voor dat de Ondernemingskamer daarbij opmerkt dat het de onderzoeker vrijstaat om ook aandacht te besteden aan hetgeen zich met betrekking tot een bepaald onderwerp vóór of juist ná de onderzoeksperiode heeft voorgedaan, voor zover dat een licht kan werpen op dat onderwerp. Ook in gevallen waarin de Ondernemingskamer dit niet zo heeft bepaald, is het toelaatbaar dat de onderzoeker aandacht besteedt aan feiten en omstandigheden die zich voordeden buiten de onderzoeksperiode. Dat geldt op grond van par. 2.2 van de Leidraad in elk geval voor feiten en omstandigheden die zich ná de mondelinge behandeling hebben voorgedaan zij het ‘voor zover deze licht kunnen werpen op het voorwerp en de periode van onderzoek zoals die zijn bepaald in de eerste fase-beschikking of daarmee anderszins voldoende samenhang betonen.’ Er moet dus wel voldoende samenhang zijn tussen die latere feiten en omstandigheden en de uit het dictum blijkende onderwerpen van onderzoek en de onderzoeksperiode. Die samenhang is cruciaal. Het staat de onderzoeker niet vrij om feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na indiening van het enquêteverzoek tot zelfstandig voorwerp van onderzoek te maken. Daarvoor is men aangewezen op een aanvullend enquêteverzoek door een van partijen.
De Leidraad bevat geen soortgelijke bepaling voor feiten en omstandigheden die zich vóór de betrokken onderzoeksperiode hebben voorgedaan. Het ligt echter voor de hand dat ten aanzien van die zaken dezelfde regel geldt, omdat het onderzoek van die feiten en omstandigheden vanwege de bedoelde samenhang zullen bijdragen aan ‘het verkrijgen van een juist en evenwichtig beeld van het gevoerde beleid’, wat volgens par. 2.3 van de Leidraad reden moet zijn voor de onderzoeker om de reikwijdte van zijn onderzoek niet te beperkt op te vatten. De kwaliteit van het verslag staat dus voorop.
(…)
22.3.3 De onderzoeker mag zijn opdracht niet te beperkt opvattenVoor de onderzoeker geldt dat hij zich in zijn onderzoek enkel mag richten op (en zich dus moet beperken tot) de onderwerpen die de Ondernemingskamer volgens het dictum, gelezen in samenhang met de relevante overwegingen, als te onderzoeken heeft bepaald. Het staat hem niet vrij om, in de woorden van Hermans, ‘de onderzoeksopdracht op eigen houtje aan te passen of te wijzigen’.
Tegelijkertijd nodigt par. 2.3 van de Leidraad de onderzoeker wel actief uit om de onderzoeksopdracht niet te beperkt op te vatten. De onderzoeker wordt nadrukkelijk aangemoedigd om nieuwe feiten en omstandigheden, dat wil zeggen feiten en omstandigheden die niet aan de eerste fase-beschikking ten grondslag lagen, in zijn onderzoek te betrekken. Daarbij wordt benadrukt dat de onderzoeker hierin een ruime marge van waardering toekomt. De onderzoeker wordt kortom aangespoord om het niet te veilig aan te pakken en juist grenzen op te zoeken. De redenen hiervoor zijn volgens de Leidraad gelegen in de aard van de beslissing om een onderzoek te bevelen en het belang van het verkrijgen van een juist en evenwichtig verslag.
Na deze aanmoedigingen volgt in par. 2.4 van de Leidraad evenwel de vermaning dat de onderzoeker zich ook weer niet zo vrij moet voelen dat hij zaken gaat onderzoeken die geen verband houden met de in de eerste fase-beschikking vermelde redenen voor het gelasten van het onderzoek:
[zonder verwijzingen in origineel, A-G]
2. Omvang van het onderzoek2.1 Het onderzoek kan betrekking hebben op de gehele omvang van het beleid en de gang van zaken van de betrokken rechtspersoon of een gedeelte daarvan en/of op een bepaald tijdvak. De reikwijdte van het onderzoek, en daarmee de onderzoeksopdracht aan de onderzoeker, wordt bepaald door het dictum van de beschikking waarin het onderzoek is gelast, gelezen in samenhang met de overwegingen waarop die beslissing berust. De gegrond bevonden redenen om te twijfelen aan een juist beleid en/of juiste gang van zaken zijn daarbij vanzelfsprekend een belangrijk richtpunt.
2.2 Tenzij de eerstefasebeschikking anders vermeldt, loopt het tijdvak waarop het onderzoek betrekking heeft tot de datum van de mondelinge behandeling van het enquêteverzoek. Indien zich met betrekking tot de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het gelasten van het onderzoek ontwikkelingen voordoen in de periode na de mondelinge behandeling van het enquêteverzoek, kan de onderzoeker daaraan aandacht besteden voor zover deze licht kunnen werpen op het voorwerp en de periode van onderzoek zoals die zijn bepaald in de eerstefasebeschikking of daarmee anderszins voldoende samenhang vertonen.
2.3 Gelet op de aard van de beslissing tot het gelasten van een onderzoek en op de belangen die zijn gediend bij het verkrijgen van een juist en evenwichtig beeld van het gevoerde beleid als resultaat van het onderzoek, ligt het in het algemeen niet in de rede om de reikwijdte van het onderzoek beperkt op te vatten. Het staat de onderzoeker derhalve vrij om in zijn onderzoek ook feiten en omstandigheden te betrekken die niet aan de beslissing tot het gelasten van het onderzoek ten grondslag liggen indien die feiten en omstandigheden licht kunnen werpen op de in de eerstefasebeschikking gegrond bevonden redenen voor twijfel aan een juist beleid of een juiste gang van zaken of daarmee anderszins voldoende samenhang vertonen. Aan de onderzoeker komt daarbij een ruime marge van waardering toe, reeds omdat de relevantie van vragen en onduidelijkheden waarop de onderzoeker stuit veelal pas na (enig) onderzoek kan worden bepaald.
2.4 Het staat de onderzoeker niet vrij om feiten en omstandigheden die geen verband houden met de in de eerstefasebeschikking genoemde redenen voor het gelasten van het onderzoek, tot zelfstandig voorwerp van onderzoek te maken. Voor een dergelijke uitbreiding van het onderzoek is een nadere beschikking van de Ondernemingskamer nodig die slechts kan worden gegeven op een daartoe strekkend (aanvullend) enquêteverzoek.
2.5 De aard van de enquêteprocedure brengt mee dat de vaststellingen en waarderingen in de eerstefasebeschikking doorgaans een voorlopig karakter hebben. De onderzoeker is daarom aan die vaststellingen en waarderingen niet gebonden.
(…)
7. Onderzoeksverslag7.1 Het onderzoeksverslag verschaft inzicht in het beleid en de gang van zaken van de vennootschap en beantwoordt aan de in de eerstefasebeschikking geformuleerde onderzoeksopdracht. Het dient voldoende grondslag te vormen voor een beoordeling van dat beleid en die gang van zaken door de Ondernemingskamer en voor beslissingen op mogelijk in de tweede fase in te dienen verzoeken tot vaststelling van wanbeleid en/of van de verantwoordelijkheid daarvoor, alsmede tot het treffen van eventuele voorzieningen als bedoeld in artikel 2:356 BW Pro. Het onderzoeksverslag bevat daartoe zowel feitelijke bevindingen als normatieve beschouwingen (zie ook 7.4 en 7.5).”
eerste klacht.
Het subonderdeel klaagt verder (nr. 1.6) dat “[h]et voorgaande te meer [klemt]”, nu de OK in geen van haar eerdere beschikkingen heeft overwogen dat het onderzoek dat zij op verzoek van partijen gelastte naar zijn aard en strekking geen aanknopingspunten zou kunnen bieden voor een oordeel over wanbeleid, dan wel dat het gelasten van het verzochte onderzoek buiten de reikwijdte van het enquêterecht en (daarmee) buiten de bevoegdheden van de OK zou vallen. Dit is de
tweede klacht.
Het subonderdeel klaagt ten slotte (nr. 1.7) dat “[d]aar[bij] komt” dat het onderzoek zoals dat heeft plaatsgevonden ten aanzien van Prien Holding prima past binnen het onderzoek zoals de OK dat in eerste instantie, bij beschikking van 11 februari 2016, heeft bevolen. Deze oorspronkelijke onderzoeksopdracht is door de OK niet ingetrokken. Het weigeren een oordeel te geven over de vraag of van wanbeleid gebleken is, levert onder deze omstandigheden een ontoelaatbare verrassingsbeslissing op. Zou de OK het verzoek tot het doen vaststellen van wanbeleid hebben willen afwijzen, dan had het op haar weg gelegen om partijen zich te laten uitlaten over de vraag wat er had dienen te gebeuren met de oorspronkelijke, ruimere onderzoeksopdracht. De curator had dan een verzoek kunnen doen om aanvullend onderzoek te laten verrichten naar de gang van zaken “met betrekking tot - kortgezegd - Belview en 132M”, welk onderzoek reeds was uitgevoerd en daardoor niet tot nadere vertraging had hoeven leiden. Door die mogelijkheid niet te bieden, heeft de OK partijen, althans de curator, met haar eindoordeel ontoelaatbaar verrast. Dit is de
derde klacht.
eerste klacht. Deze neemt terecht tot uitgangspunt dat subonderdeel 1.a faalt. Zie onder 3.4-3.7 hiervoor. Maar hanteert een onjuiste lezing van de beschikking en mist daarmee feitelijke grondslag. De klacht veronderstelt ten onrechte dat de daarin bedoelde feiten en omstandigheden (“de investering in Belview en de gebeurtenissen met betrekking tot 132M”) volgens de OK in rov. 5.3, 5.13 en 5.15 buiten het door haar bevolen onderzoek vallen. De OK gaat immers ervan uit dat de onderzoeker die investering en gebeurtenissen in het onderzoek mocht betrekken en heeft betrokken, blijkens het onderzoeksverslag, voor zover dat in functie staat van het onderwerp van het gelaste onderzoek: het verkrijgen van duidelijkheid over de financiële verhoudingen. Iets anders is dat naar het oordeel van de OK uit dit onderzoek als vervat in dit verslag niet van wanbeleid van Prien Holding en/of Gravier inzake dat onderwerp van het gelaste onderzoek is gebleken. Iets anders is ook dat de OK zich niet uitspreekt over de vraag of met betrekking tot die investering en gebeurtenissen
op zichzelf beschouwdsprake is geweest van wanbeleid, omdat die investering en gebeurtenissen naar haar oordeel geen zelfstandig voorwerp van onderzoek zijn geweest. Zie onder 3.5.1-3.5.3 en 3.6.1 hiervoor. Dit een en ander kan prima naast elkaar staan. Gelet daarop doet de in de klacht bedoelde ontoereikende motivering van de OK zich in werkelijkheid niet voor.
tweede klacht. Voor zover deze voortbouwt op de eerste klacht, die strandt, deelt deze in het lot van de eerste klacht. Zie onder 3.9.1 hiervoor. Overigens geldt dat wat de klacht aanvoert, niet afdoet aan hetgeen ik schreef bij de behandeling van de eerste klacht. Daarbij verdient opmerking dat er voor de OK geen aanleiding bestond in haar eerdere beschikkingen te overwegen wat de klacht daarover opmerkt. Het is immers niet zo dat het op verzoek van partijen gelaste onderzoek naar aard en strekking geen aanknopingspunten zou kunnen bieden voor een oordeel over wanbeleid, dan wel dat het gelasten van het verzochte onderzoek buiten de reikwijdte van het enquêterecht en (daarmee) buiten de bevoegdheden van de OK zou vallen. Zij overweegt ook niet in daarvan afwijkende zin in de bestreden beschikking. Iets anders is (dus) dat naar het oordeel van de OK in die beschikking uit het onderzoek als vervat in het onderzoeksverslag niet van wanbeleid van Prien Holding en/of Gravier inzake de kwestie van de financiële verhoudingen is gebleken, welke uitkomst niet op voorhand al gegeven was. En dat zij zich niet uitspreekt over de vraag of met betrekking tot genoemde investering en gebeurtenissen
op zichzelf beschouwdsprake is geweest van wanbeleid, omdat die investering en gebeurtenissen naar haar oordeel geen zelfstandig voorwerp van onderzoek zijn geweest. Kortom, de klacht loopt vast.
derde klacht. [21] Deze boekt evenmin succes. De OK heeft bij beschikking van 18 oktober 2018 - bij welke beschikking zij ook op verzoek van partijen de onderzoeker heeft aangewezen - op verzoek van partijen, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] het onderwerp van het onderzoek uitdrukkelijk beperkt tot de kwestie van de financiële verhoudingen. Voor zover de beschikking van 11 februari 2016 inzake Prien Holding nog een ruimere onderzoeksopdracht bevatte, ligt dat ruimere met die beschikking van 18 oktober 2018 dus kenbaar in beginsel niet langer voor. Zie onder 3.5.1 sub b-c hiervoor. Daarbij verdient opmerking dat genoemde investering en gebeurtenissen op grond van de beschikkingen van 11 februari 2016 en 18 oktober 2018 geen zelfstandig voorwerp van onderzoek zijn. Zie onder 3.5.2 sub e hiervoor. Het is juist - zie ook rov. 2.17 van de bestreden beschikking - dat in die beschikking van 18 oktober 2018 de OK overweegt dat zij het onderzoek “vooralsnog” beperkt tot genoemde kwestie. Dit doet evenwel aan het voorgaande niet af, naar de OK dus onderkent in de bestreden beschikking. En laat voorts onverlet dat, in het licht van het verloop van het geding en van het - op finaliteit gerichte - processuele debat na deponering van het onderzoeksverslag van de onderzoeker ter griffie (met inbegrip van de door partijen gedane verzoeken en gevoerde verweren) als samengevat weergegeven onder 1.14-1.16, 1.18-1.20 en 2.1-2.6 hiervoor, er voor de OK ten tijde van het geven van de bestreden beschikking geen aanleiding bestond te veronderstellen dat er bij een of meer partijen, [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] (mogelijk) nog behoefte was aan een aanvullend onderzoek met een ruimere onderzoeksopdracht (specifiek, in de woorden van de klacht, “naar de gang van zaken met betrekking tot, kort gezegd, Belview en 132M”). [22] Bij die stand van zaken kon de OK, gelijk zij doet en geenszins onbegrijpelijk, met die beschikking een eindbeschikking geven. Waarin de OK dus niet kortweg weigert te oordelen over de vraag of van wanbeleid is gebleken. Zie onder 3.5.1-3.5.3, 3.6.1 en 3.9.1-3.9.2 hiervoor. Daarmee valt de bodem weg onder de klacht. Voor zover deze al uitgaat van een juiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag heeft, geldt hoe dan ook dat de daarin bedoelde ontoelaatbare verrassingsbeslissing zich hier in werkelijkheid niet voordoet.
1.8De Ondernemingskamer toetst in de Beschikking niet inhoudelijk of van wanbeleid is gebleken. Dat rechtvaardigt zij in rov. 5.3, 5.13 en 5.15 door te verwijzen naar de omvang van het door haar bevolen onderzoek. Tussen de regels door lijkt in die rechtvaardiging de opvatting een rol te spelen dat het niet de taak van de Ondernemingskamer is om problemen op te lossen die zich voornamelijk buiten de Nederlandse rechtssfeer afspelen. Hierdoor zou de Ondernemingskamer zich minder (of zelfs niet) geroepen kunnen voelen om (op) te treden in zaken waarin de betrokken Nederlandse vennootschappen een beperkte(re) rol in de vennootschapsstructuur innemen. [23] Overwegingen daarbij zouden kunnen zijn dat de Ondernemingskamer geen tijd en kosten zou willen spenderen aan dergelijke gevallen, omdat die geen (voldoende) raakvlak hebben met de Nederlandse rechtsorde en zij onderzoekers niet wil opzadelen met het doen van onderzoek naar gebeurtenissen die (deels) in het buitenland hebben plaatsgevonden en waarvoor zij minder (dwingende) onderzoeksmiddelen kunnen inzetten dan voor gebeurtenissen die in Nederland hebben plaatsgevonden. Kortgezegd: een kosten/batenanalyse. Voor zover het de opvatting van de Ondernemingskamer zou zijn dat een dergelijke 'beleidskeuze' eraan in de weg zou staan om te concluderen dat van wanbeleid gebleken is in de aan haar voorgelegde zaken waarin buitenlandse vennootschappen mede een rol spelen, althans in deze zaak, is die opvatting - en de daarop gestoelde overwegingen - onjuist.
1.9De genoemde opvatting miskent dat het enkele feit dat gebeurtenissen mede betrekking hebben op de gang van zaken binnen buitenlandse vennootschappen er niet aan in de weg staat dat deze gebeurtenissen óók geworteld kunnen zijn - en doorwerking kunnen hebben - in de Nederlandse vennootschappen die onderdeel uitmaken van dezelfde vennootschapsstructuur. Zo hebben in het voorliggende geval mede met behulp van buitenlandse dochtervennootschappen onttrekkingen plaatsgevonden aan de Nederlandse vennootschappen die tot op heden niet volledig zijn teruggestort en die hebben bijgedragen aan het faillissement van beide Nederlandse vennootschappen. Daar komt in het voorliggende geval nog bij dat degenen die van deze onttrekkingen hebben geprofiteerd zowel de uiteindelijk rechthebbenden als de feitelijk beleidsbepalers van de Nederlandse vennootschappen zijn en zij in die hoedanigheid de onttrekkingen hebben bewerkstelligd en/of gefaciliteerd. Indien de Nederlandse rechter, meer specifiek de Ondernemingskamer, zich niet uitspreekt over dergelijk handelen c.q. misbruikelijk beleid van Nederlandse vennootschappen, dan is de kans groot dat er een rechtstekort ontstaat en Nederlandse vennootschappen een vrijplaats kunnen worden voor buitenlandse beleidsbepalers met ongeoorloofde bedoelingen. Dit klemt te meer, omdat een buitenlandse rechter niet bevoegd is te oordelen over handelen en beleid dat heeft plaatsgevonden in Nederlandse vennootschappen, als hij zich daartoe al geroepen zou voelen.
1.1Voor zover de curator kan overzien is de Beschikking de eerste tweedefasebeschikking van de Ondernemingskamer waarin geen antwoord wordt gegeven op de vraag of van wanbeleid gebleken is in - kortgezegd - een vennootschapsstructuur met een 'buitenlandse component'. In eerstefasebeschikkingen wordt het verzoek tot het doen van een onderzoek naar de gang van zaken bij vennootschapsstructuren met een buitenlandse component soms op basis van een belangenafweging afgewezen, waarin de eerdergenoemde kosten/batenanalyse verdisconteerd is. Wat men daar ook van vindt, in een tweedefasebeschikking is die kosten/batenanalyse een gepasseerd station, omdat het onderzoek nu eenmaal heeft plaatsgevonden en de Ondernemingskamer hoe dan ook een beslissing moet geven op het daarop gebaseerde verzoek. Een andere opvatting zou in strijd zijn met art. 23 en Pro 26 Rv.”
1.15Voor zover de gedachte daarbij is dat alle partijen - inclusief [betrokkene 1] en [betrokkene 2] - de procedure bij de Ondernemingskamer hebben willen beperken tot enkel het laten vaststellen van de financiële verhoudingen, zijn de daarop gebaseerde overwegingen onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Door de curator (en voor het faillissement door Prien Holding en Gravier zelf), [betrokkene 1] en [betrokkene 2] is niet aangegeven dat de procedure zich definitief zou moeten beperken tot het vaststellen van de financiële verhoudingen. Er is geen afstand gedaan van de mogelijkheid om een oordeel over wanbeleid te vragen.
1.16Het oordeel van de Ondernemingskamer dat de procedure zich zou moeten beperken tot het vaststellen van de financiële verhoudingen is voor de curator daarnaast een ontoelaatbare verrassingsbeslissing in het licht van eerdere beschikkingen in deze zaak. Naar aanleiding van het voornemen van de door de Ondernemingskamer aangestelde bestuurder om in Madrid gelegen vastgoed te verkopen hebben bedreigingen van de bestuurder, diens Spaanse advocaat en potentiële kopers plaatsgevonden, zijn vernielingen aan het vastgoed aangericht en is een lastercampagne gestart. De Ondernemingskamer heeft [verweerder 3] onder dreiging van verbeurte van dwangsommen verboden om, kortgezegd, de verkoop van het vastgoed te frustreren. [29] Ook heeft de Ondernemingskamer [verweerder 3] onder dreiging van verbeurte van dwangsommen verboden zich nog langer onbevoegdelijk voor te doen als vertegenwoordiger van Prien Holding. [30] In het licht van deze beschikkingen, die mede betrekking hebben op het saneren van Prien Holding en Gravier en het handelen van [verweerder 3] , kan de curator niet plaatsen dat de Ondernemingskamer in de Beschikking de beperking aanlegt dat enkel ruimte is voor het vaststellen van de financiële verhoudingen en/of dat het enkel vaststellen van de financiële verhoudingen (dus) onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een oordeel over wanbeleid.”
Slotsom en proceskosten5.17 Uit het vorenstaande volgt dat alle verzoeken zullen worden afgewezen. De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding een kostenveroordeling uit te spreken, met uitzondering van een kostenveroordeling ten gunste van Intertrust in de zaak die betrekking heeft op Gravier. Gravier zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van Intertrust.”
De ondernemingskamer kan na kennisneming van het verslag op verzoek van de rechtspersoon beslissen, dat deze de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk kan verhalenop de verzoekers, indien uit het verslag blijkt dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan, dan wel
op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon. De laatste zin van het tweede lid van artikel 350 van Pro dit Boek is van toepassing.” [32]
proceskosten, niet op het door de curator (en Gravier) gedane verzoek - weergegeven door de OK in rov. 1.13 sub b - de kosten
van het onderzoekten laste van [verweerder 4] en [verweerder 3] te brengen op de voet van art. 2:354 BW Pro. Dit laatste verzoek dekt de OK af met de eerste zin van rov. 5.17, waar zij overweegt dat uit het vorenstaande volgt dat alle verzoeken zullen worden afgewezen (wat in het dictum terugkomt, zowel in de zaak Prien Holding als in de zaak Gravier, met de overweging “wijst de verzoeken af;”). Het onderdeel doet een beroep op art. 2:354 BW Pro en genoemd verzoek van de curator (en Gravier), maar lijkt de eerste zin van rov. 5.17 niet te bestrijden.