Conclusie
CEIrespectievelijk
IASen gezamenlijk:
IAS c.s.) een verzoek is gedaan tot het bevelen van een onderzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW Pro en het treffen van onmiddellijke voorzieningen in de zin van art. 2:349a BW bij CreditAccess India N.V. (hierna:
CAI). Olympus ACF Pte. Ltd. (hierna:
Olympus) heeft in haar verweerschrift tevens een zelfstandig tegenverzoek gedaan tot het bevelen van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen bij CAI. Zowel dit verzoek van IAS c.s. als dit verzoek van Olympus is afgewezen, kort gezegd omdat geen sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van CAI in de zin van art. 2:350 lid 1 BW Pro, waarbij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de
OK) ten aanzien van dit verzoek van Olympus tevens heeft beslist dat het naar haar oordeel niet op redelijke grond is gedaan in de zin van art. 2:350 lid 2 BW Pro. Het onderhavige cassatieberoep is alleen gericht tegen oordelen van de OK inzake dit verzoek van Olympus. M.i. falen de cassatieklachten en kan de bestreden beschikking derhalve in stand blijven.
1.De feiten
beschikking) van de OK.
CAI groep). De CAI groep heeft momenteel vier miljoen kredietnemers in India met bijna 1.400 vestigingen en 15.000 medewerkers. In het (gebroken) boekjaar 2019/2020 bedroeg de geconsolideerde nettowinst van de CAI groep € 37,8 miljoen.
CAGL). CAGL heeft een beursnotering aan de Bombay Stock Exchange en de National Stock Exchange of India en is de grootste niet-bancaire verstrekker van microfinancieringen in India. CreditAccess Life Insurance (hierna:
CALI) is een 49%-deelneming van CAI die doende is een verzekeringsvergunning van de Indiase autoriteiten te verkrijgen.
ADB), een regionale ontwikkelingsbank, gevestigd in Manilla, Filipijnen, in 1966 opgericht met het doel de economische ontwikkeling van Aziatische landen te bevorderen. ADB houdt momenteel 8,76% van het geplaatste kapitaal van CAI.
one-tier board, die volgens de statuten dient te bestaan uit maximaal twee uitvoerende bestuurders en minimaal vijf niet-uitvoerende bestuurders. Het bestuur in huidige samenstelling is geïnstalleerd tijdens de algemene vergadering van 10 december 2020 en bestaat uit:
[de CEO]), de CEO;
bestuurder SH):
[verweerder 4]), op voordracht van Olympus;
[betrokkene 6]) die functie bekleed. [de CFO] is gevolmachtigde van CAI met de titel CFO. [de CEO] is tevens bestuursvoorzitter van CAGL.
Governance Policyis een beleidsdocument waarin de
governanceen de strategie van CAI nader is uitgewerkt en bevat onder meer bepalingen over de samenstelling van het bestuur, commissies binnen het bestuur en voorkeursrechten van aandeelhouders. Daarnaast beschrijft het korte en lange termijn opties voor uittreding van de aandeelhouders. De
Governance Policyis op 21 maart 2017 goedgekeurd door de algemene vergadering van CAI en op 24 maart 2017 in werking getreden.
Governance Policy(hierna ook:
GP) houdt in dat CAI “committed” is om voor 30 juni 2021 een zogeheten
qualified initial public offering(hierna:
QIPO) te realiseren. De beursnotering zal plaatsvinden aan de beurs van Londen, Amsterdam of een andere in dat artikel vermelde effectenbeurs. Voorwaarde is dat de “minimum pre-IPO valuation” van alle gewone aandelen van CAI ten minste € 400 miljoen bedraagt. De QIPO biedt de aandeelhouders van CAI dan de gelegenheid ten minste 33% van hun aandelenbelang aan te bieden en een pro rata deel van de door andere aandeelhouders niet gebruikte rechten daartoe. Daarnaast wordt genoemd dat CAI een alternatieve uittreedmogelijkheid zal faciliteren voor het geval de QIPO niet heeft plaatsgevonden per die datum.
exit facilitation process, hierna:
EFP) met de volgende twee mogelijkheden:
liquidity value maximization process, wat neerkomt op een verkoop van alle activa van CAI en uitkering van de netto-opbrengst aan de aandeelhouders, met als eindresultaat de ontbinding van CAI; en
exit facilitation process for minority sellersdat in beeld komt indien de algemene vergadering niet instemt met de eerste mogelijkheid en waarbij het bestuur zich dient in te spannen om de aandeelhouders die wel voor een
liquidity value maximization processhebben gestemd in beginsel binnen twaalf maanden, met inachtneming van de belangen van de overige aandeelhouders, toch een
fair and reasonableuittreedmogelijkheid te bieden.
Governance Policyis verder bepaald dat bestuursbesluiten die materiële wijzigingen van art. 4.1 GP (aangaande de QIPO) of art. 5 GP Pro (het EFP) inhouden, unanieme instemming van de bestuurders SH vereisen (art. 2.1, aanhef en onder b GP). Art. 25 lid 2 van Pro de statuten bepaalt dat dergelijke besluiten vervolgens ook ter goedkeuring aan de algemene vergadering moeten worden voorgelegd en dat daarvoor de unanieme instemming van de gekwalificeerde aandeelhouders is vereist. Op grond van deze bepalingen hebben de bestuurders SH, onder wie [verweerder 4] , en de gekwalificeerde aandeelhouders, waaronder Olympus en ADB, hierover dus
de factoeen vetorecht.
Vision 2025vastgesteld. Op 10 december 2020 heeft de algemene vergadering dit met meer dan 99% van de stemmen goedgekeurd. Dit document houdt onder meer in:
private placementin 2020 en een strategische verkoop tussen 2026 en 2028 als eventuele alternatieven voor een QIPO besproken. Voor het onderzoeken van de
private placementis vervolgens HSBC op informele wijze ingeschakeld.
Governance Policyvoor.
private placementgeen goede exit-mogelijkheid biedt en dat ook in het algemeen was gebleken dat er geen betere, haalbare alternatieven voor een QIPO waren. Een deel van het bestuur heeft vervolgens geconcludeerd dat de voorbereidingen voor een QIPO gestart moesten worden. [verweerder 4] heeft meegedeeld geen voorstander te zijn van een QIPO, omdat die niet waarde-maximaliserend zou zijn.
sell down of[CAGL]-
sharesals alternatief voor een QIPO geen aantrekkelijke keuze achtte, omdat dat CAGL zou kunnen blootstellen aan een vijandige overname.
swapbesproken, dat wil zeggen het inwisselen van aandelen in CAI voor aandelen in CAGL (hierna: de
swap). [de CEO] heeft daarop bezwaren genoemd die bij het onderzoek naar die optie in beschouwing zouden moeten worden genomen, waaronder “how to control the voting rights and the end buyer” van de aandelen in CAGL.
Risk & Audit Committee.
investment banks[de financieel adviseur] , HSBC, Credit Suisse en ABN AMRO en juridisch adviseurs van Clifford Chance en Linklaters zijn daarbij betrokken. Zogenaamde
early look meetingsmet potentiële investeerders hebben plaatsgevonden en een conceptprospectus is op 15 maart 2021 ingediend bij de AFM. Het bestuur heeft unaniem twee onafhankelijke niet-uitvoerende bestuurders voorgedragen voor benoeming tot bestuursvoorzitter respectievelijk voorzitter van de
Risk & Audit Committee. Volgens CAI ligt zij daarmee op schema om de QIPO binnen de huidige termijn te bewerkstelligen.
2.Het procesverloop
In feitelijke instantie bij de OK
Governance Policy, inhoudende dat het besluit van het bestuur tot verlenging van de QlPO-datum unanieme goedkeuring van de bestuurders SH behoeft, buiten werking te stellen;
Governance Policy, inhoudende dat voor wijzigingen in de
Governance Policydie een negatieve invloed hebben op de rechten van een gekwalificeerde aandeelhouder unanieme goedkeuring nodig is van alle bestuurders SH, buiten werking te stellen voor het geval deze bepaling van toepassing zou zijn;
Governance Policy.
Quinto c.s.) hebben, samengevat, eveneens bij verweerschrift van 18 maart 2021 geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek van IAS c.s.
en met betrekking tot haar eigen verzoek:
Governance Policyvan CAI, in het bijzonder de daarin vervatte exitregeling;
Governance Policy;
p-v).
Standpunten ten aanzien van het verzoek van Olympus
Investor Day, maar die is bedoeld voor alle aandeelhouders.
Governance Policydie daarin voorzien en wordt verklaard door de opvatting van de meerderheid van het bestuur dat het overeengekomen alternatief van het EFP nog minder aantrekkelijk is. De Ondernemingskamer ziet in het verzoek van Olympus geen enkele aanwijzing dat [de CEO] en andere bestuursleden hun stemgedrag afstemmen, laat staan dat dat zou gebeuren om de vennootschap of minderheidsaandeelhouders te schaden. Het enkele feit dat de door ADB voorgedragen kandidaat in de algemene vergadering van 10 december 2020 niet is benoemd is onvoldoende om dat aannemelijk te maken, mede gelet op de door IAS c.s. aangevoerde reden voor hun tegenstem. Ook is onvoldoende tot niets aangevoerd om de gestelde schending van artikel 13.1 van de statuten - waarin is bepaald dat geen van de aandeelhouders meer dan 30% van de stemrechten mag houden of controleren - aannemelijk te maken. Het verzoek blijft steken in veronderstellingen als
“Het komt Olympus voor dat tussen de CEO, [betrokkene 4] en [betrokkene 5] als aandeelhouders en gezien de nauwe verbondenheid ook de andere Italiaanse aandeelhouders impliciet dan wel expliciet duurzame stemafspraken zijn gemaakt, althans dat zij hun besluiten op elkaar afstemmen”. Dergelijke verstrekkende aantijgingen kunnen niet lichtvaardig worden gedaan, maar vergen een gedegen en concrete onderbouwing. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt en het verzoek houdt daarom geen gegronde redenen in om te twijfelen aan juist beleid of een juiste gang van zaken van CAI. Het verzoek van Olympus zal daarom worden afgewezen. De Ondernemingskamer zal daarbij ook beslissen dat het verzoek naar haar oordeel niet op redelijke grond is gedaan.
Slotsom
3.Bespreking van het cassatiemiddel
deze feitelijke stellingnameniet aannemelijk heeft kunnen maken. Wat, gezien ook het partijdebat, wel op haar weg lag als verzoekende partij. “[D]aarom” houdt het verzoek van Olympus genoemde “gegronde redenen”, etc. niet in, reden waarom dat verzoek zal worden afgewezen. [4] Aldus de OK aldaar. Dit oordeel is in hoofdzaak van feitelijke aard. De OK laat zich in rov. 4.18 verder niet uit, en hoefde dat ook niet te doen, over een of meer van de te onderscheiden vervolgvragen. Daaronder vallen de vragen of deze feitelijke stellingname van Olympus bij aannemelijkheid daarvan zulke “gegronde redenen”, etc. oplevert en of de door de OK in het kader van haar discretionaire bevoegdheid te verrichten belangenafweging niet (toch) in de weg staat aan het bevelen van een onderzoek. [5] Als het ontbreken van die aannemelijkheid eenmaal gegeven is, wordt aan zulke vervolgvragen logischerwijs niet toegekomen. En op dat ontbreken loopt het hier voor Olympus dus al stuk.
Dit oordeel van de OK geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de maatstaf van art. 2:350 lid 1 BW Pro, anders dan het subonderdeel poneert. Illustratief is de Unilever-beschikking van de Hoge Raad. [6] Daaruit volgt dat als een enquêteverzoek wel op de doeleinden van een enquêteprocedure gerichte stellingen inhoudt, “maar deze stellingen niet aannemelijk zijn”, het verzoek weliswaar (indien ook overigens is voldaan aan hetgeen daartoe vereist is) ontvankelijk zal zijn, “maar [zal] moeten worden afgewezen”. De drempel van art. 2:350 lid 1 BW Pro kan dan niet worden geslecht. A-G Van Soest schreef het al in 1975, waar hij onder meer het volgende uiteenzette vanwege de destijds geldende voorloper van art. 2:350 lid 1 BW Pro (art. 53a lid 2 (oud) WvK): [7]
Deze feiten moeten 'blijken' (verg. de MvT, blz. 13, linkerkolom, 4e al.: [8] 'de verzoekers behoeven niet te bewijzen dat het ondernemersbeleid faalt, doch dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan de juistheid van het beleid'), d.w.z. 'de rechter (moeten) zodanige gronden voor zekerheid (verschaft worden), als hij behoeft, om de aan die feiten door het recht verbonden rechtsgevolgen toe te wijzen' (…). De rechter moet dus de overtuiging krijgen, dat er een behoorlijke kans bestaat, dat een enquête een onjuist beleid uitwijst. De vraag, of hij in een concrete situatie deze overtuiging al dan niet gekregen heeft, is een feitelijke vraag waarop het antwoord zich bezwaarlijk leent voor toetsing in cassatie.”
Kort en goed: voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van de beschikking dan hiervoor aangehouden, is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel uitgaat van een juiste lezing van de beschikking, loopt de daarin vervatte rechtsklacht vast op wat ik overigens hiervoor heb uiteengezet. [12] Hierop stuit het subonderdeel af.
FME”), en dat deze broer ook zelf aandeelhouder is. In totaal vertegenwoordigen [de CEO] , zijn familieleden en FME (direct en indirect) gezamenlijk 14% van de aandelen in de Vennootschap, zoals [de CEO] ook heeft erkend. [13] Voorts heeft Olympus opgemerkt dat [de CEO] één van de
consiglieriis van aandeelhouder IAS, een rol die door [de CEO] zelf gelijk wordt gesteld met een
Non-Executive Director. [14]
[…]-uitspraak, kan er bij familierechtelijke verhoudingen tussen de bij de vennootschap betrokken personen eerder sprake zijn van de mogelijkheid van een vermenging van de belangen van de vennootschap en van sommige van deze personen, zodat er reden is daarop attent te zijn en met de nodige zorgvuldigheid te voorkomen dat ontoelaatbare verstrengeling van belangen ontstaat. [15] Hetzelfde kan gezegd worden wanneer een CEO/bestuurder in verschillende hoedanigheden optreedt. [16] Ook in die omstandigheden ligt het risico op de loer dat de CEO/bestuurder zijn belangen in die andere hoedanigheden (waaronder als aandeelhouder) niet scheidt van zijn belangen en verplichtingen als CEO/bestuurder, in het bijzonder zijn verplichting ex artikel 2:8 BW Pro om zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van alle aandeelhouders van de vennootschap. [17]
In rov. 4.14 van de beschikking overweegt de OK als volgt:
[1]Olympus twijfelt of het bestuur van CAI nog wel zelfstandig functioneert en meent dat er aanleiding is te veronderstellen dat bestuursleden handelen met een aan de vennootschap tegenstrijdig belang, zij de belangen van minderheidsaandeelhouders veronachtzamen en met elkaar samenspannen en hun stemgedrag onderling afstemmen om hun belangen boven die van de vennootschap en de andere aandeelhouders te stellen.
[2] [a]Het bestuur tracht de QIPO hoe dan ook door te zetten en
[b]slaat daarbij de belangen van minderheidsaandeelhouders als Olympus in de wind.
[3]Zij wijst erop dat de door ADB voorgedragen bestuurder op oneigenlijke gronden is afgewezen.
[4][de CEO] werpt zich op als de voorman van een groep Italiaanse aandeelhouders die zich hebben verenigd teneinde hun eigen belangen na te streven en een beleid te voeren dat erop is gericht de rechten van de minderheidsaandeelhouders opzij te zetten.” [19] [[1] t/m [4] toegevoegd, A-G]
Governance Policydie daarin voorzien en wordt verklaard door de opvatting van de meerderheid van het bestuur dat het overeengekomen alternatief van het EFP nog minder aantrekkelijk is.” [20]
(…)
9.19 Olympus heeft reeds eerder in dit verweerschrift uiteengezet dat een groep aandeelhouders van de Vennootschap, waaronder in ieder geval de CEO, [betrokkene 4] en [betrokkene 5] (tevens bestuursleden van de Vennootschap) hun gedrag onderling afstemmen. Daarnaast is de CEO niet alleen zelf aandeelhouder in de Vennootschap, maar oefent hij ook, althans indirect, aandeelhoudersinvloed uit als raadsman van aandeelhouder ISA en als broer van de bestuurder van aandeelhouder FME, die aanvankelijk partij was bij de bezwarenbrief van Verzoeksters.”
Nauwe verbondenheid Italiaanse aandeelhouders”). Dit nr. 9.19 is onderdeel van het thema “(ii) Veronachtzamen belangen minderheidsaandeelhouders”. Naar dus blijkt uit rov. 4.14 en 4.18 respondeert de OK kenbaar ook op dit een en ander in haar beoordeling van het verzoek van Olympus. Ik stel verder het volgende vast:
Dit lot treft ook de rechtsklacht in subonderdeel I.b, en wel in het voetspoor van de rechtsklacht in subonderdeel I.a. Zie onder 3.3 hiervoor. Hetgeen ik daar uiteenzette, wordt immers niet anders door het betoog in subonderdeel I.b. Wat er van dat betoog verder zij: ook als uitgegaan zou moeten worden van de daarin bedoelde “omstandigheden” (familierechtelijke verhoudingen tussen de bij de vennootschap betrokken personen, het in verschillende hoedanigheden optreden van een CEO/bestuurder) en feitelijke stellingname inzake “afstemming van stemgedrag c.q. de veronachtzaming van de belangen van (minderheids)aandeelhouders”, blijft staan dat als een enquêteverzoek wel op de doeleinden van een enquêteprocedure gerichte stellingen inhoudt (wat dan op zichzelf het geval is), “maar deze stellingen niet aannemelijk zijn”, het verzoek weliswaar (indien ook overigens is voldaan aan hetgeen daartoe vereist is) ontvankelijk zal zijn, “maar [zal] moeten worden afgewezen”. De drempel van art. 2:350 lid 1 BW Pro kan dan niet worden geslecht. [32] Ook dan geldt dus dat van de verzoeker gezien ook het partijdebat gevergd kan worden dat hij deze feitelijke stellingname aannemelijk maakt, wil de OK op basis daarvan de conclusie kunnen bereiken dat sprake is van de in art. 2:350 lid 1 BW Pro bedoelde “gegronde redenen”, etc. Daaraan doet dus niet af dat die maatstaf van art. 2:350 lid 1 BW Pro rept van het blijken van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te “twijfelen”, [33] noch dat met een onderzoek, indien bevolen door de OK (wat dus mede “gegronde redenen”, etc. in de zin van art. 2:350 lid 1 BW Pro vereist), openheid van zaken kan worden verkregen. [34] Kortom, de door het subonderdeel verdedigde opvatting vindt geen steun in het recht. Een onjuiste rechtsopvatting van de OK in rov. 4.18 kan daarin hoe dan ook niet gelegen zijn. Daarbij zij bedacht dat iets anders is - en daarover klaagt het subonderdeel niet -
wanneerin een concreet geval in een enquêteprocedure een feitelijke stellingname van een verzoeker als (on)voldoende aannemelijk gemaakt kan worden aangemerkt. Dat hangt telkens af van de gegeven omstandigheden. Het antwoord op die vraag en de daarmee verband houdende weging, waarin naar de aard enige speling zit, is in beginsel voorbehouden aan de OK als feitenrechter. In het onderhavige geval springt daarbij in het oog dat het volgens de OK in rov. 4.18 wat betreft het in rov. 4.14 (en 1.6) bedoelde verzoek van Olympus niet een dubbeltje op z’n kant is (een ‘grijs’-geval), maar een situatie waarin de ondergrens duidelijk niet wordt gehaald (een ‘zwart/wit’-geval). Dit omdat het verzoek van Olympus, dat “verstrekkende aantijgingen” bevat en waartegen gemotiveerd verweer is gevoerd door CAI, IAS c.s. en [de CEO] (zie rov. 4.15-4.17), “berust op ongefundeerde veronderstellingen en speculaties” zodat de feitelijke stellingname ter zake van Olympus de vereiste “gedegen en concrete onderbouwing” ontbeert (en die aantijgingen “lichtvaardig” zijn gedaan).
Ik merkte al op dat de motiveringsklacht in subonderdeel I.c strandt. Dat geldt, in het voetspoor daarvan, ook voor de motiveringsklacht in subonderdeel I.d. Daartoe wend ik mij nu.
Hierop stuiten de subonderdelen af.
AII), althans deze stellingen zonder toereikende motivering verwerpt, nu zij opnieuw niets hierover overweegt. Dit, terwijl Olympus ook deze stellingen aan haar verzoek tot enquête ten grondslag heeft gelegd. Deze stellingen kunnen als volgt worden samengevat: [35]
geen enkele aanwijzing” ziet in het verzoek van Olympus dat stemgedrag wordt afgestemd, is tegen deze achtergrond ontoereikend gemotiveerd. In ieder geval is het, in het licht van deze, grotendeels onbetwiste, stellingen van Olympus onbegrijpelijk dat de OK overweegt dat Olympus “
onvoldoende tot niets” heeft aangevoerd om schending van artikel 13.1 aannemelijk te maken.”
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op subonderdeel I.c, dat faalt (zie onder 3.6 hiervoor), deelt het in het lot daarvan. Ook voor het overige loopt het subonderdeel vast. Zoals uiteengezet onder 3.6 hiervoor is het in rov. 4.14 (en 1.6) en rov. 4.18 van de beschikking door de OK bedoelde en behandelde verzoek van Olympus wat betreft het bevelen van een onderzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW Pro te vinden in hoofdstuk 9 van haar verweer-/verzoekschrift. Meer in het bijzonder op p. 83-92 (in nrs. 9.1-9.22) daarvan onder het opschrift “9. Verzoek van Olympus ex art. 2:345 BW Pro”. Onderdeel daarvan zijn nrs. 9.5, 9.6, 9.12 en 9.19, waarop het subonderdeel wijst (noot 11 aldaar). Deze nrs. 9.12 en 9.19 citeerde ik onder 3.6 hiervoor. [38] In dit nr. 9.5 staat onder meer, voor zover hier relevant:
een gedegen en concrete onderbouwingvergen, welke onderbouwing evenwel ontbreekt (nu het verzoek van Olympus berust op “ongefundeerde veronderstellingen en speculaties”). [50] Naar volgt uit 3.6 hiervoor wordt dit niet anders als daarbij ook subonderdelen I.b en I.c worden betrokken, die falen.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Anders dan het subonderdeel veronderstelt, miskent de OK met de bestreden overweging in rov. 4.18 van de beschikking niet dat Olympus ook andere stellingen ten grondslag heeft gelegd aan haar betoog dat stemgedrag wordt afgestemd dan de in rov. 4.14 onderkende stelling van Olympus “dat de door ADB voorgedragen bestuurder op oneigenlijke wijze is afgewezen”, waarop de OK in rov. 4.18 respondeert (onder verwijzing naar het in rov. 4.15 bedoelde verweer van CAI). [51] Onder die andere stellingen vallen in het bijzonder de stellingen van Olympus zoals beschreven in subonderdelen l.b t/m l.d. Zoals uiteengezet onder 3.6 en 3.8 hiervoor passeert de OK in rov. 4.18 los van die bestreden overweging deze laatste stellingen van Olympus (die de OK ook blijkens rov. 4.14 eveneens onderkent) nu de desbetreffende feitelijke stellingname van Olympus de vereiste gedegen en concrete onderbouwing ontbeert, wat dus geen nadere motivering behoefde. Het subonderdeel loopt aldus reeds vast op een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Inleiding
committed” is om vóór 30 juni 2021 een zogeheten
qualified initial public offering(“
QIPO” of de “
beursnotering”) te realiseren, en - voor het geval die QIPO niet plaatsvindt - “
committed” is om een alternatieve
exitte faciliteren voor de aandeelhouders die dat wensen. [54]
Dat het bestuur voorbereidingen treft voor een QIPO uiterlijk per eind juni 2021, is simpelweg terug te voeren op de bepalingen van de tussen partijen uitonderhandelde statuten en de Governance Policy die daarin voorzien en wordt verklaard door de opvatting van de meerderheid van het bestuur dat het overeengekomen alternatief van het EFP nog minder aantrekkelijk is.”
IPO timetablegepresenteerd, met de volgende
milestones:
bookrunner;
milestoneszijn echter niet gehaald:
underwriting agreement. [59]
leadzou hebben (hierna: het
Mandaat). Dit Mandaat bevatte de volgende (nieuwe)
milestones:
global coordinator;
milestoneszijn niet gehaald:
LSE) na te streven, na in zijn woorden “a thorough analysis from the market, regulatory and tax point of view performed by the CA-Roth working group with legal and regulatory support of Clifford Chance, also taking into account the no-deal Brexit scenario.” Het bestuur kondigde ook tijdens de algemene vergadering van 10 december 2020 aan dat het een dergelijke notering zou nastreven. [62]
issuezou zijn. Dit, terwijl Clifford Chance concreet anders zou hebben geadviseerd rond 13 oktober 2020 (zie de vorige bullet). Uit een
call sheetvan 7 en 8 december 2020 blijkt bovendien dat toen reeds duidelijk moet zijn geweest dat het onmogelijk was voor accountant Deloitte om de tijdslijnen te halen, terwijl de beursnotering op de algemene vergadering nog werd aangekondigd. [63]
gap analysisuit te voeren voor een QIPO op het Premium Segment van de LSE. Deze suggestie is niet opgevolgd, terwijl dit in een vroeg stadium zou hebben aangetoond dat Deloitte niet kon voldoen aan het opgelegde tijdspad. [64]
governancezal zijn en of de conceptstatuten zijn voorgelegd aan het bestuur. Het prospectus is met grote haast ingediend (zo ontbreken de bestuurders [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ). Het prospectus is ook onvolledig op belangrijke punten die voor de
reviewvan de AFM essentieel zijn. Het concept-prospectus is voorts niet
gerevieweddoor het bestuur. Dit is in strijd met art. 3c van het Mandaat dat de uitdrukkelijke voorwaarde stelt dat de CEO eerst een concept-prospectus zal presenteren aan de IPO-Commissie en het bestuur, en na commentaar pas zal goedkeuren. Hetzelfde is onder 3d van het Mandaat bepaald ten aanzien van de
final draftdie binnen een periode van zes weken na de
initial draftmoet worden voorgelegd aan de IPO-Commissie en het bestuur, en deze wederom zal goedkeuren “all subject to the review and approval process of the relevant regulator.” Deze processen en stappen zijn niet doorlopen. [66]
commitmentom CAI tijdig naar de beurs te brengen. [67]
senior staffvan CAI niet gemotiveerd, ondergeschikt gemaakt en/of uitgesloten. [de general counsel] , de
general counsel, en [de senior loan officer] , de
senior loan officer, hebben opgezegd. [de CFO] , de CFO, zit sinds januari 2021 ziek thuis in wat zich laat aanzien als een klassiek arbeidsconflict. [de CFO] vervult feitelijk sinds 2014 de rol van CFO maar is geen uitvoerend bestuurder geworden van CAI. De tweede uitvoerend bestuurder (naast [de CEO] ), [uitvoerend bestuurder 2] , is op 10 december 2020 toegetreden tot het bestuur en was voorgedragen om CFO te worden, maar hier verzette [de CEO] zich tegen, omdat deze positie aan [de CFO] zou zijn toebedeeld. [uitvoerend bestuurder 2] werd feitelijk ondergeschikt gemaakt aan de CEO door de titel
Deputy CEO, terwijl een zelfstandige taak en verantwoordelijkheid als CFO geïndiceerd was, zeker in aanloop naar een IPO. [69]
dathet bestuur een QIPO per eind juni 2021 voorbereidde. Zij ziet in deze omstandigheid kennelijk geen grond voor een enquête, gezien het feit dat zij het verzoek van Olympus afwijst. De OK gaat echter niet, althans niet kenbaar, in op de kern van dit deel van het betoog van Olympus, te weten dat de voorbereidingen voor de beursnotering noch
adequaatnoch
transparantwaren om de voornoemde redenen. De OK had wel op deze stellingen in moeten gaan, omdat Olympus de gebreken in de voorbereidingen van de QIPO aan haar verzoek om een enquête ten grondslag heeft gelegd (zie de inleiding op dit onderdeel II en de daar genoemde vindplaatsen [waarover onder 3.12 hiervoor, A-G]). Voor zover de OK deze stellingen heeft verworpen, heeft zij dit zonder toereikende motivering gedaan.”
Zoals uiteengezet onder 3.6 en 3.8 hiervoor is het in rov. 4.14 (en 1.6) en rov. 4.18 van de beschikking door de OK bedoelde en behandelde verzoek van Olympus wat betreft het bevelen van een onderzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW Pro te vinden in hoofdstuk 9 van haar verweer-/verzoekschrift. Meer in het bijzonder op p. 83-92 (in nrs. 9.1-9.22) daarvan onder het opschrift “9. Verzoek van Olympus ex art. 2:345 BW Pro”. Onderdeel daarvan zijn nrs. 9.1-9.2 en 9.4-9.5, waarop het subonderdeel in verbinding met de inleiding op onderdeel II wijst (noot 47 aldaar). Deze nrs. 9.1-9.2 en 9.4-9.5 kunnen niet los worden gezien van nrs. 9.3 en 9.6 in genoemd verweer-/verzoekschrift, welke nrs. 9.3 en 9.6 het subonderdeel negeert. Die nrs. 9.3 en 9.6 citeerde ik reeds onder 3.8 hiervoor en worden hier omwille van het leesgemak nog eens herhaald, tezamen met nrs. 9.1-.9.2 en 9.4-9.5:
underwritingagreement, er is op 12 maart 2021 na lang wachten een concept prospectus overgelegd (en daarna op 15 maart 2020 een conceptprospectus bij de AFM ingediend, waar veel aan ontbreekt, wat in het kader van een lock up agreement wordt verwacht die al op 10 december 2020 werd aangekondigd, etc., etc. Het blijft in nevelen gehuld. Wat wel duidelijk is, is dat er nog geen aanstalten is gemaakt met het kunnen implementeren van de benodigde governance aanpassingen, die horen bij een beursgenoteerde vennootschap. In tegendeel. Zoals Olympus hiervoor al aangaf is de governance van de Vennootschap in de achterliggende periode verschraald. Wederom zou het goed zijn als hieromtrent helderheid komt in het kader van de door Olympus verlangde enquête. Daarnaast speelt ook nog dat het Bestuur kennelijk niet in staat is geweest om de accountant van de Vennootschap adequaat op te lijnen om tijdig tot vaststelling van de benodigde financiële cijfers te kunnen komen en nu de engagement met Deloitte heeft afgezegd en terug is naar EY, terwijl niet duidelijk is of die wel de audit kunnen oppakken en de verantwoordelijkheid kunnen nemen voor de jaarcijfers over een boekjaar dat eerst op 31 maart aanstaande pas afloopt.
adequaatnoch
transparantwaren” (oftewel “stellingen” van haar inzake “de gebreken in de voorbereiding van de QIPO”), zoals uitgewerkt in het subonderdeel (volgend op de inleiding van onderdeel II). Hetzelfde geldt voor nrs. 9.3 en 9.6, waarop dat in die nrs. 9.7-9.22 onder (i) t/m (iii) verhandelde aansluit. Het subonderdeel wijst daarop ook niet. Wel en ten hoogste, via de inleiding op onderdeel II, naar nrs. 9.1-9.2 en 9.4-9.5 van het verweer-/verzoekschrift van Olympus.
Gelet op rov. 4.14 en 4.18 van de beschikking, en gezien 3.15 hiervoor, leest de OK in het verweer-/verzoekschrift van Olympus - met als logisch vertrekpunt hoofdstuk 9 daarvan - klaarblijkelijk niet dat Olympus ook zo’n betoog (zulke stellingen) over de voorbereiding van de beursnotering (de QIPO) zoals bedoeld in het subonderdeel (aansluitend op de inleiding op onderdeel II) als te onderscheiden feitelijke stellingname ten grondslag heeft gelegd aan haar beroep op “gegronde redenen”, etc. in de zin van art. 2:350 lid 1 BW Pro ten aanzien van CAI, in het kader van haar verzoek dat de OK bedoelt en beoordeelt in rov. 4.14 (en 1.6) en rov. 4.18. Gezien ook 3.15 hiervoor maakt dat wat het subonderdeel (met de toelichting daarop) in verbinding met de inleiding op onderdeel II aanvoert m.i. niet dat deze uitleg door de OK van genoemd verweer-/verzoekschrift wat betreft dat verzoek van Olympus als onbegrijpelijk aangemerkt moet worden. Deze door de OK aangehouden uitleg is een niet verrassende consequentie van die wijze waarop genoemd verweer-/verzoekschrift is opgezet, in het bijzonder hoofdstuk 9 daarvan. De verwijzingen in het subonderdeel in verbinding met de inleiding op onderdeel II naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instantie, waarmee wordt voorbijgezien aan het voorgaande onder 3.15 en dit 3.16 hiervoor, doen daaraan niet af. Daarbij betrek ik het volgende:
governanceaanpassingen die horen bij een beursgenoteerde vennootschap, [75] en dat “het goed [zou] zijn als hieromtrent helderheid komt in het kader van de door Olympus verlangde enquête”. Ook hier geldt dat daarmee evenwel - gezien ook die bewoordingen van nrs. 9.3 en 9.6-9.22 - nog niet gegeven is dat Olympus ‘dus’ ook deze punten ten grondslag heeft gelegd aan haar beroep op “gegronde redenen”, etc. in de zin van art. 2:350 lid 1 BW Pro ten aanzien van CAI in het kader van genoemd verzoek. [76] , [77]
investment banksen juridisch adviseurs zijn betrokken bij de voorbereidingen voor een beursgang te Amsterdam voor 30 juni 2021, dat
early look meetingsmet potentiële investeerders hebben plaatsgevonden, dat een concept-prospectus op 15 maart 2021 is ingediend bij de AFM en dat het bestuur unaniem twee onafhankelijke niet-uitvoerende bestuurders heeft voorgedragen voor benoeming tot bestuursvoorzitter respectievelijk van de
Risk & Audit Commitee.
milestonesis voorbereid, en dat [de CEO] niet transparant is geweest tegen het bestuur en de aandeelhouders met betrekking tot de voorbereidingen van de QIPO.
Risk & Audit Committeeniet af aan het feit dat de Vennootschap - kort samengevat - geen functionerende CFO, geen
general counselen geen
senior loan officerhad ten tijde van de procedure bij de OK in maart 2021, terwijl zij vóór 30 juni 2021 aldus naar de beurs had moeten gaan.”
Het subonderdeel veronderstelt dat de overwegingen van de OK in rov. 3.12-3.35 van de beschikking moeten worden begrepen als een impliciete verwerping door de OK van het (in subonderdeel II.a bedoelde) betoog van Olympus dat de voorbereidingen van de QIPO niet adequaat noch transparant zijn geweest. Daarmee gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist. Zoals volgt uit 3.15-3.16 hiervoor, gaat de OK in de beschikking niet ervan uit dat Olympus ook zo’n betoog als te onderscheiden feitelijke stellingname ten grondslag heeft gelegd aan haar beroep op “gegronde redenen”, etc. in de zin van art. 2:350 lid 1 BW Pro ten aanzien van CAI, in het kader van haar verzoek dat de OK bedoelt en beoordeelt in rov. 4.14 (en 1.6) en rov. 4.18. Gelet daarop komt de OK in de beschikking dan ook niet tot een verwerping van zo’n betoog van Olympus, evenmin impliciet in rov. 3.12-3.35.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Deze bepaling luidt als volgt:
In haar verweerschrift stelt CAI onder meer voorop dat Olympus in haar enquêteverzoek “ongefundeerde verwijten en verdachtmakingen, die potentieel zeer schadelijk zijn voor de CA Groep en de beoogde QIPO, niet [schuwt]” en dat “[d]e verwijten van Olympus, die er in wezen op neerkomen dat andere aandeelhouders en bestuurders binnen het bestuur en daarbuiten op ongeoorloofde wijzen tegen haar zouden “samenspannen”, niet [stroken] met de feitelijke gang van zaken”. [103] In lijn daarmee wordt in de openingsalinea van de spreekaantekeningen van mr. Van der Schrieck (zijdens CAI) het volgende benadrukt: [104]
foundervolstrekt ten onrechte in een bijzonder kwaad daglicht. Dat is op zichzelf al kwalijk; maar het is met name ook schadelijk voor een onderneming die zich opmaakt voor een IPO. Olympus lijkt zich daar niets aan gelegen te laten liggen en elk middel aan te grijpen om voor zichzelf een snelle gedeeltelijke exit te forceren. Daarover straks meer.” [105]
Governance Policyopgenomen datum voor het effectueren van de overeengekomen beursgang, Olympus heeft gemeend “in reactie hierop, in het Olympus-verzoek, ten aanzien van de Vennootschap en het Bestuur, en in het bijzonder ook ten aanzien van [de CEO] als CEO, een veelvoud aan suggestieve en vergaande stellingen te moeten poneren”. Dit met de kennelijke bedoeling [de CEO] in diskrediet te brengen. [107] Daarop vervolgt dit verweerschrift aldus: [108]
lijkt”, dat Olympus iets “
aanneemt” of dat iets door haar “
niet wordt uitgesloten” of “
aannemelijk” wordt geacht. Een telling leert dat met deze (of vergelijkbare vage) termen meer dan 80 keer stellingen worden geponeerd. Bovendien heeft Olympus de klachten die in deze procedure een zelfstandig verzoek moeten rechtvaardigen, in de richting van [de CEO] nooit eerder geuit. Voor het eerst in haar brief van 12 maart 2021 heeft zij - overigens in niet meer dan drie ongefundeerde alinea’s - betoogd dat zij grote zorgen heeft over de positie van de CEO. Dit terwijl tot dat moment [de CEO] - die nota bene nog op 10 december 2020 op basis van unanimiteit is herbenoemd - altijd de volle steun genoot, ook van Olympus. Van enige door Olympus geboden - interne - gelegenheid om eerst (toch even) te kunnen reageren op de thans geuite grove beschuldigingen, is evenmin sprake geweest. Dit alles maakt dat het (tegen)verzoek van Olympus, en hetgeen zij daaraan ten grondslag legt, ongeloofwaardig is. Olympus had dit verzoek en de daaraan ten grondslag gelegde klachten achterwege moeten laten, ook ter voorkoming van de schade die zij met haar ongefundeerde verwijten toebrengt aan de Vennootschap, haar beursgenoteerde dochter CAGL en [de CEO] als CEO respectievelijk Chair.” [109]
fishing expedition. Mr. Evers [advocaat van [de CEO] , A-G] wil graag zien dat het zelfstandig verzoek [van Olympus, A-G] in de tweede termijn wordt ingetrokken.” [111] In hun verweerschrift stellen IAS c.s. onder meer voorop [112] dat:
stakeholdersvan de Vennootschap over (onder meer) verborgen stemafspraken tussen aandeelhouders, het verstoren door de aandeelhouders van het QIPO-proces en vermeende belangenverstrengeling op bestuursniveau. Feitelijk gooit Olympus echter slechts met modder. Veelzeggend is dat Olympus voorafgaand aan deze procedure nooit aanleiding heeft gezien deze ernstige verwijten te uiten. Dit vormt reeds op zich een sterke indicatie dat al deze verwijten er kennelijk slechts toe dienen de aandacht af te leiden van het ongeoorloofde optreden van Olympus zelf ten aanzien van de verlenging van de QIPO Datum.
1.1.3. Aangezien, zoals hierna zal blijken, de feitelijke grondslag van de verwijten van Olympus bovendien ver is te zoeken, dient haar poging de aandacht af te leiden te stranden. (…)”
Ik lees in de spreekaantekeningen van mrs. Huizing en De Jong (zijdens Olympus) [113] en het p-v van de mondelinge behandeling op 25 maart 2021 [114] geen kenbare, gerichte reactie zijdens Olympus op deze stellingname van CAI, [de CEO] en IAS c.s. De subonderdelen wijzen daarop ook niet.
Naar duidelijk wordt uit rov. 4.18 van de beschikking, komt de OK tot afwijzing van het daarin beoordeelde verzoek van Olympus - waarover ook rov. 4.14 (en 1.6) - omdat dit berust op ongefundeerde veronderstellingen en speculaties. Hoewel dergelijke verstrekkende aantijgingen niet lichtvaardig kunnen worden gedaan, maar een gedegen en concrete onderbouwing vergen, ontbreekt niettemin in dit geval een dergelijke onderbouwing. [115] Reden waarom het verzoek geen “gegronde redenen”, etc. in de zin van art. 2:350 lid 1 BW Pro ten aanzien van CAI inhoudt, zodat het verzoek zal worden afgewezen. Dit een en ander sluit in dat naar het oordeel van de OK Olympus haar verzoek wat betreft de vereiste “gegronde redenen”, etc. in de zin van art. 2:350 lid 1 BW Pro ten aanzien van CAI (zoals op niet-onbegrijpelijke wijze uitgelegd door de OK en in totaliteit bezien) [116] heeft gebaseerd op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden, nu deze kenbaar neerkomen op verstrekkende aantijgingen die niet berusten op een gedegen en concrete onderbouwing, maar slechts blijven steken in ongefundeerde veronderstellingen en speculaties. Wat duidelijk niet genoeg is om de drempel van art. 2:350 lid 1 BW Pro te slechten. Dit vormt de basis voor de tevens uit rov. 4.18 blijkende en te onderscheiden beslissing van de OK dat naar haar oordeel dit verzoek, dat zij dus afwijst, niet op redelijke grond is gedaan in de zin van art. 2:350 lid 2 BW Pro. Dit laatste sluit aan op hetgeen zijdens CAI, [de CEO] en IAS c.s. is aangevoerd, zoals uiteengezet onder 3.24 hiervoor. Gezien 3.23 hiervoor richt de OK zich aldus naar haar benadering van art. 2:350 lid 2 BW Pro zoals onder meer uiteengezet in haar beschikking van 23 februari 2018 [117] en bestendige rechtspraak nadien. Daarmee houdt de OK dus ook kenbaar voor ogen dat bij toepassing van art. 2:350 lid 2 BW Pro in zijn algemeenheid terughoudendheid is geboden, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM Pro. Daaraan doet niet af dat de OK dit laatste in rov. 4.18 niet ook nog eens met zoveel woorden uitspelt.
Subonderdeel III.a loopt hierop vast. Anders dan het subonderdeel aanvoert, hanteert de OK in werkelijkheid dus niet “een onjuiste, want te lage, maatstaf” inzake art. 2:350 lid 2 BW Pro in rov. 4.18, maar de maatstaf die het subonderdeel zelf (althans primair) [118] voorstaat, welke zij overigens niet op onjuiste wijze toepast. Ook subonderdeel III.b sneeft. Voor zover het subonderdeel voortbouwt op onderdelen I en II, die falen (zie onder 3.2-3.19 hiervoor), deelt het in het lot daarvan. Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van de beschikking dan hiervoor uiteengezet, is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. [119] Voor het overige ziet het subonderdeel eraan voorbij dat uit rov. 4.18 dus afdoende kenbaar is “dat en waarom” volgens de OK “het verzoek van Olympus gebaseerd is (…) op stellingen waarvan zij op voorhand had moeten begrijpen dat deze geen kans van slagen hebben”. Rov. 4.18 is daarmee doordrenkt, zou ik denken. Daarmee geeft de OK zich tevens afdoende kenbaar rekenschap van het recht van Olympus op toegang tot de rechter ex art. 6 EVRM Pro en de daaruit voortvloeiende terughoudendheid bij het aannemen dat een verzoek om een enquête niet op redelijke grond is gedaan. Tot een nadere motivering ter zake was de OK dan ook niet gehouden.
Hierop stuiten de subonderdelen af.