Conclusie
1.Inleiding
Zowel de rechtbank als het hof legt het beding uit als een aanbiedingsplicht die ook geldt in geval van overlijden. De term “metterwoon verlaat” ziet dan volgens het hof op de restcategorie van situaties waarin het gebruik van de woning tot een einde komt zonder dat de woning wordt verkocht of verhuurd. De rechtbank heeft de vordering tot nakoming van het beding afgewezen. De rechtbank heeft hieraan onder meer ten grondslag gelegd dat aan het beding slechts een persoonlijk recht jegens de erfgenamen van de overleden buur wordt ontleend, dat zich oplost in een schadevergoedingsrecht als de toezegging tot aanbieding niet wordt nagekomen, wat volgens de rechtbank te meer geldt nu de strook grond door de erfgenamen reeds bevoegd is geleverd aan een nicht van de overleden buur en de aanbiedingsplicht dus hoe dan ook niet meer kan worden nagekomen. Het hof overweegt echter dat door het overlijden op één en hetzelfde moment de aanbiedingsplicht is ontstaan en is komen te rusten op de erfgenamen en rechtsopvolgers onder algemene titel van de overleden buur. Die verplichting is volgens het hof door partiële verdeling van de nalatenschap door toedeling van de woning en de strook grond aan deze nicht op haar overgegaan. Nu de nicht van de overleden buur volgens het hof nog steeds in staat is aan de aanbiedingsplicht van de strook grond te voldoen, veroordeelt het hof haar, kort gezegd, op straffe van verbeurte van een dwangsom de strook grond aan de andere buur aan te bieden overeenkomstig het bepaalde in het beding, waarbij het hof onder meer beslist dat het arrest in de plaats kan treden van haar medewerking aan verkoop en levering van de strook grond tegen de getaxeerde prijs.
Het cassatieberoep van de nicht van de overleden buur treft m.i. geen doel.
2.Feiten
hof). [1]
strook grond).
[partijen]), eigenares en bewoonster van de woning aan de [b-straat 1] in [plaats] , waarvan de achtertuin grenst aan de strook grond. De levering van de strook grond heeft op 3 januari 1997 plaatsgevonden. De leveringsakte bevat de volgende bepaling (hierna ook: het
beding):
RECHT TOT TERUGKOOP
erflaatster) is op 1 oktober 2016 overleden. Zij had [partijen] tot haar erfgenamen benoemd en [eiseres] en [betrokkene 2] tot executeurs. Bij notariële akte van 21 april 2017 hebben [partijen] de nalatenschap partieel verdeeld en de woning [b-straat 1] met de strook grond toebedeeld en geleverd aan [eiseres] .
3.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een comparitie van partijen bevolen. [2] De comparitie, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, is gehouden op 12 september 2018. Bij brief van de zijde van [partijen] van 18 december 2018 is gereageerd op het proces-verbaal.
vernietigt het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen en voor zover daarbij in reconventie het leveringsbeslag is opgeheven;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
A. veroordeelt [eiseres] om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest op eerste verzoek van [verweerder] daartoe het perceel gelegen te [plaats] , [gemeente] , met kadastrale aanduiding [plaats] H [002] aan [verweerder] aan te bieden op de wijze als voorgeschreven in het beding, met inbegrip van de daarin beschreven benoeming van een taxateur van haar zijde, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,= voor iedere dag (of gedeelte daarvan) dat de [eiseres] daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 100.000,= is bereikt;
B. bepaalt dat indien [eiseres] na het verstrijken van de hiervoor onder A. genoemde termijn weigert haar medewerking te verlenen aan de aanbieding van meergenoemd perceel, dit arrest in de plaats komt van de instemmende wilsverklaring van [eiseres] voor een opdracht tot dienstverlening aan een door [verweerder] aan te wijzen taxateur, inhoudende de taxatie van meergenoemd perceel overeenkomstig het bepaalde in het beding;
C. bepaalt dat indien [eiseres] binnen veertien na het verstrijken van de hiervoor onder A. genoemde termijn weigert haar medewerking te verlenen aan de aanbieding van meergenoemd perceel, dit arrest op grond van het bepaalde in artikel 3:300 BW Pro in de plaats treedt van de benodigde instemming van [eiseres] met de verkoop van dat perceel voor de overeenkomstig het beding of het hiervoor bepaalde getaxeerde koopprijs;
E. bepaalt dat indien [eiseres] na het verstrijken van hiervoor onder D. genoemde termijn weigert haar medewerking te verlenen aan de levering van meergenoemd perceel, dit arrest in de plaats komt van de instemmende wilsverklaring van [eiseres] voor een opdracht tot dienstverlening aan een door eiser aan te wijzen notaris inzake de levering van het meergenoemd perceel;
F. bepaalt dat indien [eiseres] na het verstrijken van hiervoor onder D. genoemde termijn weigert haar medewerking te verlenen aan de levering van meergenoemd perceel, dit arrest op grond van het bepaalde in de artikelen 3:300 BW en 3:301 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van [eiseres] aan de notariële akte tot levering van dat perceel aan [verweerder] ;
veroordeelt [partijen] in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 586,52 aan verschotten en € 1.086,= voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
wijst af het door [verweerder] meer of anders gevorderde en de vordering van [partijen] tot opheffing van het leveringsbeslag;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
veroordeelt [partijen] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [verweerder] begroot op € 425,06 aan verschotten en € 3.222,= voor salaris en € 157,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, wat betreft het principaal appel te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
3.8 De hiervoor bedoelde maatstaf houdt in dat het bij de uitleg van een beding aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, zulks in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daarbij kan van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen de contracterende partijen behoren en welke rechtskennis van dergelijke partijen kan worden verwacht.
3.9 Dat de notaris die het beding en de leveringsakte waarvan het deel uitmaakt heeft opgesteld, door [verweerder] als zijn vaste adviseur is ingeschakeld, is door [verweerder] betwist en niet komen vast te staan of te bewijzen aangeboden, zodat aan die stelling voorbij moet worden gegaan. Voor een uitleg “contra proferentem” ten nadele van [verweerder] bestaat alleen al daarom geen aanleiding, zodat in het midden kan blijven wat in dit verband de betekenis is van de onpartijdige positie die een notaris uit de aard van zijn professie geacht wordt in te nemen. Ook is het hof niet gebleken dat erflaatster destijds over minder in dit verband relevante juridische kennis beschikte dan [verweerder] , die een onderneming heeft in kunststof kozijnen.
3.10 Door [partijen] is niet gesteld, laat staan te bewijzen aangeboden, dat erflaatster haar wens om haar woning met tuin inclusief de strook grond aan haar erfgenamen na te laten, ooit tegenover [verweerder] heeft uitgesproken. De bedoeling om de door de verkoop in het leven geroepen situatie ook voor toekomstige generaties [erflaatster] te bewaren is ook niet evident, gelet op het feit dat erflaatster het (voorwaardelijke) recht van terugkoop nu eenmaal wel aan [verweerder] heeft toegekend. Het staat weliswaar vast dat erflaatster en [verweerder] het erover eens waren dat de strook grond ook in de toekomst begroeid moest blijven - wat zij ook als een kwalitatieve verplichting voor erflaatster in de koopovereenkomst hebben vastgelegd -, maar alleen op basis daarvan heeft [verweerder] niet hoeven begrijpen dat erflaatster de eerder omschreven intenties had, ook al had haar huis mede vanwege de oriëntering daarvan op de (begroeide) omgeving een monumentale status gekregen. Onderzocht moet derhalve worden of die intenties blijken uit de bewoordingen van het beding.
3.11 Dat de aanbiedingsplicht niet alleen zou gelden bij een verhuizing van erflaatster, maar ook bij haar overlijden, is in overeenstemming met de betekenis, naar normaal spraakgebruik, van de term "metterwoon verlaat”. Hiervan uitgaande acht het hof de uitleg van [verweerder] , dat het beding een wederkerig karakter heeft in die zin dat het de eigendom van de strook grond uiteindelijk toekent aan de partij, erflaatster of [verweerder] , die als laatste als gebruiker van haar/zijn huis en tuin overblijft, in de gegeven omstandigheden voor de hand liggend en ook redelijk. De term “metterwoon verlaten” ziet dan op de restcategorie van situaties waarin het gebruik van haar huis door erflaatster tot een einde komt zonder dat dat huis wordt verkocht of verhuurd. Aan het verschil in terminologie tussen enerzijds "metterwoon verlaat” en anderzijds “nog daadwerkelijk woont” kan naar het oordeel van het hof geen bijzondere betekenis worden toegekend, reeds omdat die eerste term in het beding gebruikt is om een handeling/gebeurtenis te beschrijven en die tweede om een toestand te beschrijven.
3.12 Nu hiervoor is geconstateerd dat de door [verweerder] gestelde uitleg onder de gegeven omstandigheden de voor de hand liggende is, faalt ook het betoog van [partijen] dat [verweerder] , als hij dat zou hebben gewild, uitdrukkelijk had moeten bedingen dat hij bij overlijden van erflaatster aanspraak zou hebben op terugkoop van de strook grond. Het had daarentegen op de weg van erflaatster gelegen het bezit van de strook grond voor haar erfgenamen te verzekeren. Dat heeft zij niet gedaan en [verweerder] heeft, zoals gezegd, haar wensen in deze niet hoeven bevroeden.”
3.20 Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven. De vordering tot nakoming van [verweerder] zal jegens [eiseres] alsnog worden toegewezen op de wijze als hierna te vermelden. De vorderingen van [partijen] zullen alsnog geheel worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij dienen [partijen] de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie te dragen, naast die van de reconventie, waarin zij reeds zijn veroordeeld, alsmede de kosten van het geding in principaal en incidenteel appel.”
arrest). [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, te vermeerderen met wettelijke rente. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [eiseres] heeft gerepliceerd en [verweerder] heeft gedupliceerd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Ik geef eerst het partijdebat in hoger beroep, voor zover relevant, weer.
[verweerder] richt in zijn appeldagvaarding grief 3 tegen rov. 4.12 van het vonnis.Deze grief is onder meer als volgt toegelicht: [5]
(…)
3.18 De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.12 – zoals de rechtbank dat later wel doet in rechtsoverweging 4.17 – niet overwogen dat de aanbiedingsplicht is geactiveerd. [verweerder] wenst (…) onder deze grief nog beknopt aangegeven [aan te geven, A-G] dat de voorwaarden van de aanbiedingsplicht om drie redenen zijn geactiveerd:
a. Bij het overlijden van [erflaatster] , waardoor de woning niet langer meer werd bewoond
(…)
3.19 Het staat vast dat [erflaatster] vanwege haar overlijden in de meest letterlijke zin de woning heeft verlaten. De woning gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats] werd op dat moment niet langer door [erflaatster] bewoond. Onbewoond is deze woning in de bijzondere gemeenschap van de nalatenschap terechtgekomen. Ook de erfgenamen [erflaatster] als deelgenoten woonden op dat moment niet in de woning. De woning was voor de verdeling daadwerkelijk onbewoond (…). Met andere woorden, de woning was metterwoon verlaten en daarmee was de voorwaarde van de aanbiedingsplicht in vervulling gegaan.”
(…)
3.27 Het voorgaande brengt naar het oordeel van [partijen] mee dat het beding dient te worden uitgelegd naar de betekenis die de bewoordingen daarvan in het normale taalgebruik hebben. (…)
3.28 De tekst van het beding is in de akte als een aanbiedingsplicht geformuleerd die onder duidelijk geformuleerde voorwaarden in werking treedt. (…) Tot die voorwaarden behoort evenmin het overlijden van de erflaatster. Overlijden of woorden van die strekking, staan
nietin de akte. (...)
(…)
3.32 [partijen] menen dat de rechtbank – mede in weerwil van het voorgaande – ten onrechte heeft geoordeeld dat de (…) voorwaarde, dat koper het pand metterwoon verlaat, wel is vervuld. De erflaatster heeft het beding niet zo opgevat en ook niet hoeven opvatten. Metterwoon verlaten betekent of omvat zowel naar het normale taalgebruik als naar het juridische taalgebruik niet “overlijden”. Volgens de Dikke van Dale betekent “
metterwoon” “om te wonen”, met als voorbeeld: “
hij heeft zich daar metterwoon gevestigd, daar zijn vaste woonplaats gekozen.” Metterwoon verlaten betekent in het normale taalgebruik derhalve dat iemand
ervoor kiest(bij leven derhalve) zijn vaste woonplaats te verplaatsten [verplaatsen, A-G], om aldaar
te gaan wonen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is dit een actieve handeling. Overlijden valt hier niet onder en heeft ook niet die strekking.
Zie hierover (het “metterwoon verlaten”) tevens sub 23 en 25 t/m 27 CvA; sub 16 en 19,
(…)
3.36 Bij gebrek aan – door [verweerder] te leveren – bewijs, dient de rechter naar het oordeel van [partijen] uit te gaan van de – wel vaststaande – tekst van het beding en de betekenis die daaraan naar het normale taalgebruik moet worden gehecht. (…)
(…)
3.38 (…) De gezamenlijke erven hebben zelf niet in de woning gewoond, maar zijn door het overlijden van erflaatster deelgenoot in een onverdeelde gemeenschap geworden die door verdeling moet worden verdeeld. Dit is niet de situatie waarop met “metterwoon verlaten” wordt gedoeld.
(…)
3.49 Zoals toegelicht onder 3.32 t/m 3.38 stellen [partijen] zich op het standpunt dat met het overlijden van erflaatster de aanbiedingsplicht niet (vanwege het “metterwoon verlaten” van de woning) is geactiveerd. Daarvan uitgaande, moet worden nagegaan of er met betrekking tot [eiseres] sprake van is dat zij het pand heeft verkocht, verhuurd of metterwoon heeft verlaten. De bewijslast ter zake rust op [verweerder] .
3.50 Los van de bewijslastverdeling, geldt dat [eiseres] de woning niet heeft verhuurd, niet heeft verkocht en ook niet metterwoon heeft verlaten. Wat betreft het niet metterwoon verlaten is van belang dat [eiseres] de woning bewoond wanneer zij in Nederland is, dit in toenemende mate doet en voornemens is zich met haar gezin blijvend in de woning te vestigen (…). Dit is ook de reden waarom de woning bij de partiële verdeling van de nalatenschap van de erflaatster aan [eiseres] is toebedeeld.”
[cursivering en inspringing in origineel, A-G]
(…)
4.8 Dat de erflaatster geen juridische kennis had, is relevant, omdat zij daardoor de tekst van de akte en het beding letterlijk, naar de betekenis in het normale taalgebruik zal hebben opgevat. Verhuren, verkopen of metterwoon verlaten zijn naar het normale taalgebruik actieve handelingen.
4.9 Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, omvat “metterwoon verlaten” naar de normale betekenis niet tevens overlijden. Uitgaande van de bewoordingen van het beding in de akte, valt overlijden hier derhalve niet onder.
(…)
4.17 Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan onder de term “metterwoon verlaten” taalkundig niet overlijden worden begrepen, omdat “metterwoon verlaten” een actieve handeling veronderstelt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, leiden de verdere bewoordingen van het beding niet tot een andere uitkomst. Verkopen of verhuren veronderstellen beide ook een actieve handeling. Het beding bepaalt intussen niet dat ook overlijden tot het in werking treden van de aanbiedingsplicht leidt. Overlijden staat er niet in en woorden met die strekking evenmin.
(…)
4.25 Een vervolgvraag is of – uitgaande van overgang onder algemene titel op [eiseres] – op [eiseres] de verplichting rust om de strook grond aan [verweerder] aan te bieden. Ook de beantwoording van die vraag hangt ervan af of nadien een van de voorwaarden voor het activeren van de aanbiedingsplicht is vervuld. [partijen] menen dat dit niet het geval is. Hiertoe zij verwezen naar het hierboven sub 3.49-3.50 gestelde.”
6. Net zoals [partijen] meent [verweerder] dat de uitleg van een contractuele bepaling niet louter zuiver taalkundig kan plaatsvinden. Het is juist dat (…) bij de uitleg van een contractuele bepaling ook dient te worden achterhaald wat partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In tegenstelling tot [partijen] komt [verweerder] echter tot de conclusie dat er meerdere voorwaarden van het “recht tot terugkoop” in vervulling zijn gegaan.
(…)
16. De hiervoor genoemde afspraken komen grotendeels terug in de taalkundige uitdrukking van het beding. Het beding is wederkerig en persoonlijk. Diegene die het langst in zijn of haar woning verblijft, zal uiteindelijk gerechtigd zijn om het perceel aangeboden te krijgen en/of te mogen (…) behouden. Deze afspraak is in het beding tot uitdrukking gekomen door enerzijds op te nemen dat als [erflaatster] haar woning verkoopt, verhuurt of metterwoon verlaat het perceel aan [verweerder] dient aan te bieden.
Anderzijds is dit [in het, A-G] beding tot uitdrukking gekomen door op te nemen dat het komt te vervallen zodra [verweerder] niet meer daadwerkelijk in zijn woning woont. (…)
17. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat hij en [erflaatster] hebben beoogd dat onder metterwoon verlaten eveneens het overlijden van [erflaatster] dient te worden begrepen. In de Dikke van Dale wordt onder ‘verlaten’ het navolgende begrepen:
niet meer bewoond;
om te wonenOnder ‘metterwoon verlaten’ dient aldus te worden begrepen niet langer meer bewoond. Door het overlijden werd de woning in de meest ruime zin niet langer meer door [erflaatster] bewoond.
(…)
19. [partijen] verweren zich door te stellen dat [verweerder] ten onrechte de bepaling verruimt door onder metterwoon verlaten eveneens het overlijden te begrijpen. (…) [H]et omgekeerde is het geval. [partijen] leggen het beding zonder enig toereikend bewijs in verregaande mate restrictief uit. Deze beperking komt juist op geen enkele wijze tot uitdrukking in het beding. Bovendien doet het geen recht aan de feiten en omstandigheden waaronder partijen het beding hebben gesloten, alsmede de aard en de strekking van het beding, zoals hiervoor reeds uitvoering onderbouwd.
20. Indien [verweerder] en [erflaatster] het overlijden als voorwaarde hadden willen uitsluiten, dan had het in de rede gelegen om een dergelijke verregaande beperking uitdrukkelijk op te nemen in de akte en/of het beding. Dat hebben [verweerder] en erflaatster [partijen] juist nagelaten. Dat betekent juist dat onder metterwoon verlaten eveneens het overlijden dient te worden begrepen. Immers hierdoor verlaat een persoon in de meest ruime zin een woning.”
[onderstreping in origineel, zonder voetnoten met verwijzing naar de lemma’s ‘verlaten’ en ‘metterwoon’ op vandale.nl [9] , A-G]
Ook notaris Smit opsteller van het beding verklaart dat de aanbiedingsplicht is geactiveerd door het overlijden van [erflaatster] conform de bedoeling van partijen. (…)
Dat betekent dat niet alleen partij [verweerder] verklaart dat de aanbiedingsplicht in werking is getreden conform de tekst van de bepaling en bedoeling van beide partijen, maar ook de door [verweerder] en [erflaatster] ingeschakelde notaris, die deze aanbiedingsplicht op verzoek van beiden in de leveringsakte heeft opgenomen, dit verklaart. Dus
allebij de totstandkoming van de in de leveringsakte opgenomen verplicht betrokken personen die er nog over kunnen verklaren, verklaren dus dat de aanbiedingsplicht in werking is getreden door het overlijden van [erflaatster] en dat zulks de bedoeling was van beide partijen.
De partijbedoeling dat onder metterwoon verlaten eveneens het overlijden dient te worden begrepen staat hiermee vast. Ook een objectieve lezing vordert dat overlijden met zich meebrengt dat de woning wordt verlaten.”
[vetgedrukt in origineel, A-G]
Dat het oordeel van het hof in werkelijkheid in overeenstemming is met het oordeel van de rechtbank blijkt overigens ook uit rov. 3.14 van het arrest waarin het hof tot de slotsom komt dat de rechtbank het beding op de juiste wijze heeft uitgelegd en dat de grieven in het incidentele appel falen. Dat het hof in werkelijkheid aansluit bij de motivering van de rechtbank blijkt m.i. verder uit rov. 3.11, laatste zin, waarin het hof erop wijst dat “metterwoon verlaten” is gebruikt om “een handeling/gebeurtenis” te beschrijven. Die motivering bouwt voort op het oordeel van de rechtbank in rov. 4.17 van het vonnis: “omdat “metterwoon verlaten” een actieve handeling aanduidt.” Het onderdeel gaat dus uit van een verkeerde lezing van rov. 3.11, eerste zin van het arrest in de verhouding tot rov. 4.17, eerste zin van het vonnis en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Het onderdeel gaat ook uit van een verkeerde lezing van rov. 3.11 van het arrest, voor zover het daarin leest dat het hof de uitleg van “metterwoon verlaten” heeft “opgehangen” aan een zuiver taalkundige betekenis van het beding. Het hof stelt in de daaraan voorafgaande rov. 3.7 eerst voorop dat het beding moet worden uitgelegd volgens de “gewone” Haviltex-maatstaf. In rov. 3.8 zet het hof uiteen wat deze maatstaf inhoudt (“dat het bij de uitleg van een beding aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, zulks in het licht van alle omstandigheden van het geval”) en dat daarbij van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van dergelijke partijen kan worden verwacht. In rov. 3.9 gaat het hof onder meer in op laatstgenoemde omstandigheid: het is het hof niet gebleken dat erflaatster over minder relevante juridische kennis beschikte dan [verweerder] , die een onderneming drijft in kunststof kozijnen. In rov. 3.10 gaat het hof vervolgens in op de intenties van erflaatster (“[d]e bedoeling om de door de verkoop in het leven geroepen situatie ook voor toekomstige generaties [erflaatster] te bewaren”) en of [verweerder] die intenties ook zo heeft moeten begrijpen. Het hof komt tot het oordeel dat [verweerder] uit verklaringen en gedragingen van erflaatster niet heeft hoeven begrijpen dat zij de eerder omschreven intenties had. Vervolgens overweegt het hof in rov. 3.10, laatste zin dat onderzocht moet worden of die intenties blijken uit de bewoordingen van het beding. Dat onderzoekt het hof in rov. 3.11 van het arrest. In de eerste zin van rov. 3.11 overweegt het hof vervolgens dat de uitleg van [verweerder] (“[d]at de aanbiedingsplicht niet alleen zou gelden bij een verhuizing van erflaatster, maar ook bij haar overlijden”)
in overeenstemming ismet de betekenis, naar normaal spraakgebruik, van de term “metterwoon verlaat”. Het hof vindt in de betekenis naar normaal spraakgebruik van de term dus veeleer een bevestiging van de uitleg die het geeft aan de term “metterwoon verlaat” dan dat het die uitleg louter aan die betekenis naar normaal spraakgebruik ophangt.
Hierop stuit het onderdeel af.
Het door [eiseres] ingenomen standpunt dat naar normaal spraakgebruik onder “metterwoon verlaat” niet mede valt “overlijdt” is, zoals ook reeds is uiteengezet onder 4.3 hiervoor, door het hof onderkend in rov. 3.6 van het arrest: “ [partijen] hebben daartegen het volgende ingebracht. Naar normaal spraakgebruik valt overlijden niet onder “metterwoon verlaten”.” [verweerder] heeft in dit verband echter aangevoerd, ook mede onder verwijzing naar de Van Dale, dat “metterwoon verlaten” in het onderhavige geval moet worden begrepen als “niet langer meer bewoond”: “Door het overlijden werd de woning in de meest ruime zin niet langer meer door [erflaatster] bewoond”. [17] Het hof heeft, zoals ook blijkt uit het vervolg van rov. 3.11 van het arrest, deze uitleg van [verweerder] gevolgd. Het gaat hier, zoals eveneens blijkt uit het vervolg van rov. 3.11, niet om het volgen van een woordenboekbetekenis waarin wordt geabstraheerd van de context waarin de term in het onderhavige geval is gebruikt. [18] In de gegeven context valt volgens het hof, in cassatie onbestreden, onder “metterwoon verlaten” “de restcategorie van situaties waarin het gebruik van haar huis door erflaatster tot een einde komt zonder dat dat huis wordt verkocht of verhuurd.” Het beroep van [eiseres] op de Van Dale kan hieraan, gegeven het voorgaande, logischerwijs niet afdoen. De overige door [eiseres] in de procesinleiding aangehaalde bronnen maken het oordeel van het hof m.i. ook niet onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, reeds omdat hierop in feitelijke instanties geen beroep is gedaan.
Over de bronnen waarop het onderdeel zich beroept, merk ik voorts nog het volgende op. Het woordenboek dat in juridische procedures wordt gebruikt, is zonder uitzondering de Van Dale. [19] Hierop stuit het beroep op de betekenis volgens websites als “woorden.org” en “www.encyclo.nl” ook af. [20] De woordenboekbetekenis kan bovendien door de tijd heen veranderen. [21] Hierop strandt het beroep op de edities uit 1898 en 1950 van de Van Dale. [22] Waarom deze oude edities van belang zouden zijn voor de uitleg van een term in een beding uit 1996/1997 valt niet in te zien. Ook het beroep op wetteksten en kamerstukken [23] , waarvan sommige eveneens teruggaan tot eind 19e en begin 20e eeuw, kan [eiseres] niet baten. Deze teksten hebben immers, nog daargelaten het tijdsverloop, niet zozeer betrekking op het normale spraakgebruik, maar op het juridische spraakgebruik. [24] Datzelfde geldt ook voor de juridische literatuur [25] en rechtspraak [26] waarop het onderdeel zich beroept. In de schriftelijke toelichting spreekt [eiseres] in dit verband zelf overigens ook van het gebruik van de term in “meer formeel normaal taalgebruik, zoals (fiscale) wetgeving”. [27] Van deze meer (fiscaal-)juridische betekenis, waarin “metterwoon verlaten” kennelijk wordt onderscheiden van “overlijden” zijn partijen in het onderhavige geval niet uitgegaan. Het is ook gesteld noch gebleken dat partijen van deze meer (fiscaal-)juridische betekenis op de hoogte waren (vgl. rov. 3.9, slot). Dat “overlijden” kennelijk soms als een te onderscheiden categorie van “metterwoon verlaten” wordt gebruikt, sluit ook geenszins uit dat in het onderhavige geval, waarin “overlijden” niet als een aparte categorie is genoemd, is te scharen onder “metterwoon verlaten” in de betekenis van “restcategorie van situaties waarin het gebruik van haar huis door erflaatster tot een einde komt zonder dat dat huis wordt verkocht of verhuurd”, zoals het hof in rov. 3.11 heeft overwogen. Het normale spraakgebruik verzet zich daartegen m.i. niet. Weliswaar is overlijden (in beginsel) geen actieve handeling, maar het gevolg daarvan is wel dat het gebruik van de woning door erflaatster tot een einde komt, zoals ook het geval zou zijn bij verkopen, verhuren en metterwoon verlaten in een enge(re) betekenis.
Kortom, het – contextuele – oordeel van het hof is in het licht van de door het onderdeel aangehaalde bronnen niet onbegrijpelijk gemotiveerd. [28] Hierop stuit het onderdeel af.
Er zijn in deze zaak twee beslagen gelegd: conservatoir verhaalsbeslag en leveringsbeslag (zie eveneens onder 2.5 hiervoor). [31] Beide beslagen zijn gelegd op hetzelfde object: de strook grond. Het conservatoire verhaalsbeslag is gelegd ter verzekering van verhaal van de subsidiaire vordering van [verweerder] tot betaling van de contractuele boete van (omgerekend) € 9.075,40 (zie ook onder 2.2 hiervoor). [32] [partijen] hebben in reconventie opheffing van beide beslagen gevorderd. [33] De rechtbank heeft in het vonnis van 13 februari 2019 onder meer het volgende overwogen over deze reconventionele vordering van [partijen] :
beslag tot leveringten laste van [eiseres] ten onrechte is gelegd en moet worden
opgeheven. [verweerder] heeft echter ook
conservatoir verhaalsbeslagop perceel [002] gelegd ter verzekering van de betaling van de boete. In rechtsoverweging 4.18 is overwogen dat [partijen] inderdaad een boete van € 9.075,40 aan [verweerder] verschuldigd zijn. Voor het gelegde verhaalsbeslag bestaat dus een deugdelijke grondslag. (…) De vordering tot opheffing van het conservatoire verhaalsbeslag zal daarom worden
afgewezen.”
[onderstreping toegevoegd, A-G]
Het onderdeel lijkt ervan uit te gaan dat nu het hof de subsidiaire vordering van [verweerder] tot betaling van de boete van (omgerekend) € 9.075,40 niet heeft toegewezen, het hof daarom,
a contrariogeredeneerd ten opzichte van het oordeel van de rechtbank in rov. 4.20 van het vonnis, opheffing van het conservatoire verhaalsbeslag alsnog had moeten toewijzen. [37] Dat is m.i. te kort door de bocht. Het hof heeft de subsidiaire vordering van [verweerder] tot betaling van de boete niet afgewezen, maar is aan die subsidiaire vordering niet meer toegekomen, omdat de primaire vordering tot nakoming van de aanbiedingsplicht door [eiseres] door het hof is toegewezen (zie ook rov. 3.15 t/m 3.18 van het arrest). Daarmee is niet gegeven dat het hof het conservatoire verhaalsbeslag op grond van art. 705 Rv Pro
moestopheffen. [38] Van belang hierbij is onder meer dat het conservatoire verhaalsbeslag rustte op de strook grond, waarop ook nog een leveringsbeslag rustte. Door de levering van de strook grond aan [verweerder] zijn de beide beslagen opgeheven. Na het arrest (en voor het instellen van het cassatieberoep) is de strook grond met medewerking van [eiseres] aan [verweerder] verkocht en geleverd. [39] Dat [eiseres] enige hinder ervan heeft ondervonden dat het conservatoire verhaalsbeslag tot aan de levering aan [verweerder] op de strook grond heeft gerust of dat zij een ander rechtens te respecteren belang zou hebben gehad bij eerdere opheffing van het conservatoire verhaalsbeslag door het hof is mij niet gebleken. In de hiervoor geciteerde toelichting op grief 3 in incidenteel appel wordt door haar gewezen op de veroordeling in de beslagkosten. De rechtbank heeft in rov. 4.22 van het vonnis overwogen dat geen splitsing is te maken in de kosten van het conservatoire verhaalsbeslag (dat de rechtbank, evenals het hof, niet heeft opgeheven) en het leveringsbeslag (dat de rechtbank, volgens het hof ten onrechte, wel heeft opgeheven). De rechtbank heeft daarom het volledig gevorderde bedrag aan beslagkosten toegewezen, hetgeen tot de volgende beslissing heeft geleid in het dictum in conventie:
Een belang bij het slagen van het onderdeel kan ook niet gelegen zijn in de proceskostenveroordeling van [partijen] (althans [eiseres] ). Uit rov. 3.20 en het dictum van het arrest blijkt dat [partijen] als de in het ongelijk gestelde partij zijn veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep. Wanneer het hof (enkel) het conservatoire verhaalsbeslag zou hebben opgeheven, zou deze kostenveroordeling van [partijen] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij nog steeds kunnen worden gehandhaafd. [40] Aan de devolutieve werking van het hoger beroep wordt, mede gelet op het incidentele beroep van [partijen] waarin het opheffen van het conservatoire verhaalsbeslag aan de orde is gesteld, maar door het hof niet is gehonoreerd, hoe dan ook niet meer toegekomen. Door het hof is overigens op verschillende plaatsen onderkend dat [partijen] opheffing van de beslagen hebben gevorderd. Ik wijs op rov. 3.1, laatste zin van het arrest waarin het hof weergeeft dat [partijen] “van hun kant opheffing [hebben] gevorderd van de door [verweerder] op de strook gelegde beslagen”, rov. 3.2, laatste zin van het arrest, waarin het hof overweegt dat de rechtbank in reconventie “(enkel) het gelegde leveringsbeslag [heeft] opgeheven” en rov. 1 van het arrest, waarin het hof de vordering van [partijen] in hoger beroep, voor zover hier van belang als volgt, weergeeft: “ [partijen] hebben geconcludeerd (…) tot toewijzing, uitvoerbaar bij voorraad, van de vordering van [partijen] tot opheffing van het door [verweerder] [gelegde] conservatoire beslag, met beslissing over de proceskosten, inclusief de nakosten”. Het hof heeft als gezegd het conservatoire verhaalsbeslag niet opgeheven, en was daartoe op grond van het incidentele appel (dat door het hof is verworpen in rov. 3.3-3.14 van het arrest) of de devolutieve werking van het hoger beroep als bedoeld door het onderdeel (in verband met het niet toewijzen van de subsidiaire vordering van [verweerder] tot betaling van de boete) ook niet gehouden.
Hierop stuit het onderdeel af.
Het onderdeel beroept zich op de volgende passage uit de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel van [partijen] [43]
Uit de uitlatingen van [verweerder] had erflaatster redelijkerwijs ook moeten begrijpen dat [verweerder] dat met het beding beoogde.”) Omtrent die uitlatingen staat immers niet[s] vast, niet dat [verweerder] ze daadwerkelijk heeft gedaan, noch dat deze de erflaatster in deze vorm hebben bereikt, noch hoe zij ze destijds heeft begrepen. Ieder ondersteunend bewijs van de stellingen van [verweerder] op dit punt ontbreekt.
(…)
4.14 Naar het oordeel van [partijen] kan aan de verklaringen van [verweerder] ook overigens geen betekenis toekomen. [verweerder] is immers partij en belanghebbende bij de uitkomst van deze procedure. Zou dit anders zijn, dan zou de wederpartij van een inmiddels overleden contractspartij vrij spel hebben bij de uitleg van een overeenkomst in rechte.
4.15 [partijen] menen, zoals sub 3.34 hierboven is toegelicht, dat inzake de bewijskracht van de stellingen – in feite verklaringen – van [verweerder] aansluiting zou moeten worden gezocht bij de wettelijke regeling inzake partijgetuigen (artikel 164 lid 2 Rv Pro). Het gevolg daarvan is dat aan de verklaringen van [verweerder] alleen betekenis toekomt, voor zover deze door ander bewijsmateriaal worden ondersteund. Dit is niet het geval.”
[cursivering in origineel, voetnoot toegevoegd, A-G]
Dat betekende dat de persoon die als laatste in zijn of haar woning zou verblijven recht zou hebben op de strook grond.”
In het arrest waarop het onderdeel zich beroept, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen als volgt: [46]
Dat het hof in de onderhavige zaak niet van een onjuiste verdeling van de stelplicht en bewijslast is uitgegaan, blijkt reeds uit rov. 3.5 en 3.6 van het arrest, welke overwegingen in cassatie niet worden bestreden. Het hof geeft in rov. 3.5 eerst weer wat [verweerder] heeft gesteld over de uitleg van het beding en geeft vervolgen in rov. 3.6 weer wat [partijen] daartegen hebben ingebracht. Over de intenties van [erflaatster] hebben [partijen] kort gezegd aangevoerd: (i) dat erflaatster altijd ernaar heeft gestreefd de strook grond aan haar tuin toe te voegen om de groene situering van haar huis, dat (mede in verband daarmee) een gemeentelijk monument is en door een familielid is ontworpen, te garanderen, en (ii) dat erflaatster wilde dat haar huis ook in de toekomst in de familie [erflaatster] bleef en daarom haar neven en nichten tot haar erfgenamen heeft benoemd. Erflaatster zou niet hebben gewild dat haar erfgenamen na haar overlijden de strook grond aan [verweerder] moesten aanbieden, want zij streefde naar continuering van de sinds 1997 bestaande situatie omdat zij vond dat de strook bij haar tuin hoorde. Het hof gaat in rov. 3.10 van het arrest in op zowel (i) als (ii).
De intenties van erflaatster zijn weliswaar omstandigheden van subjectieve aard, maar die hebben zich uiteraard niet geheel in de sfeer van de wederpartij (dus [verweerder] ) afgespeeld. Ik wijs in dit verband ook op de pleitaantekeningen in hoger beroep van [partijen] , waarin zij onder meer opmerken: [48]
Hierop stuit het onderdeel af.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag, omdat het uitgaat van een verkeerde lezing van ’s hofs oordeel. Met de laatste zin van rov. 3.10 (“Onderzocht moet derhalve worden of die intenties blijken uit de bewoordingen van het beding”) wordt niet tot uitdrukking gebracht dat stelplicht en bewijslast ter zake op [partijen] en niet op [verweerder] zouden rusten. Zoals ook blijkt uit “derhalve” slaat die zin terug op het daaraan voorafgaande, waaruit volgt dat de stellingen van [partijen] over de intenties van erflaatster de door [verweerder] gestelde uitleg van het beding niet doen wankelen. Het onderdeel mist ook feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat het enkel afhangt van de bewoordingen van het beding of moet worden uitgegaan van de door [eiseres] gestelde intenties van erflaatster bij het beding, althans van de bedoeling om de strook ook te verwerven voor de erfgename [eiseres] en dus niet bij haar overlijden een aanbiedingsplicht te laten ontstaan voor [eiseres] . Of de intenties van erflaatster blijken uit de bewoordingen van het beding heeft het hof beoordeeld in rov. 3.11 van het arrest. Daarmee is uiteraard niet gezegd dat het hof enkel de bewoordingen van het beding in ogenschouw heeft genomen. Het hof heeft in rov. 3.3-3.14 van het arrest ook voldoende gerespondeerd op de door het onderdeel bedoelde overige omstandigheden van het geval. Dat op grond van de door het onderdeel bedoelde omstandigheden een ander Haviltex-oordeel wellicht mogelijk was geweest, maakt het oordeel van het hof dat erop neerkomt dat de uitleg die [verweerder] aan het beding geeft in de gegeven omstandigheden voor de hand liggend en redelijk wordt geacht, nog niet onbegrijpelijk. De weging van alle omstandigheden van het geval berust op een waardering van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht en niet onbegrijpelijk is. Hierop stuit het onderdeel af.
Art. 6:249, eerste zin BW luidt als volgt: