Conclusie
1.[eiser 1](hierna: ‘[eiser 1]’)
Cyberluck Curaçao N.V.(hierna: ‘Cyberluck’)
[eiser 3](hierna: ‘[eiser 3]’)
Pearl Trust & Management Corporation N.V.(hierna: ‘Pearl’)
(eiseressen tot cassatie onder 1 tot en met 4 gezamenlijk hierna: ‘Cyberluck c.s.’)
Volgens het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: ‘het gerecht’) is het naschrift bij de publicaties niet gebaseerd op de feiten en daarmee onjuist en misleidend, nu de praktijk van sublicentiëren uitdrukkelijk niet verboden is. Het gerecht heeft de hoofdredactrice dan ook veroordeeld tot, kort gezegd, een rectificatie met die strekking.
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: ‘het hof’) heeft in hoger beroep van dit kort geding anders geoordeeld. Volgens het hof is de vraag, onder meer, of de kwalificatie van het ‘sublicentiëren’ als ‘illegaal’ onder het bereik valt van de vrijheid van meningsuiting van een journalist. Het hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de hoofdredactrice zich opstelt als ‘
public watchdog’ en dat het hier gaat om een kwestie van groot algemeen belang voor het Land Curaçao. De inhoud en vorm van de uitingen zijn niet disproportioneel en afweging van de in art. 10 EVRM Pro beschermde vrijheid van meningsuiting van de hoofdredactrice en het in art. 8 EVRM Pro beschermde recht op privéleven van de twee genoemde directeuren, van wie bij een van de publicaties ook foto’s waren geplaatst, valt in het voordeel van de hoofdredactrice uit.
Met het cassatieberoep van Cyberluck c.s. wordt gepoogd een richtinggevende uitspraak over de (il)legaliteit van sublicentieverlening door ‘masterlicentiehouders’ in Curaçao te verkrijgen. Daarnaast komen enkele bijzonderheden van het Curaçaose (appel)procesrecht aan bod.
Deze zaak hangt samen met de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder zaaknummer 22/04570, waarin ik vandaag ook concludeer. In die zaak is rectificatie gevorderd van twee andere publicaties uit de Knipselkrant Curaçao. Het oordeel van het hof in verband met de (il)legaliteit van sublicentieverlening en de daartegen gerichte cassatieklachten zijn grotendeels gelijkluidend.
1.Feiten
Koninkrijksbelangen blogster en publiciste”. [5] Zij geldt als journalist.
Dirk Kuyt en Wesley Sneijder gehoord in megadrugszaak Piet S.: goksite lijkt link” (hierna: publicatie 2’); [7] en
A-G] door licentie 1668/JAZ Curacao Egaming (Cyberluck) vermoedt de Nederlandse justitie dat de site werd gebruikt als witwasvehikel voor een drugsorganisatie (KKC naschrift)”.
2.Procesverloop
Eerste aanleg
Strategic Lawsuit Against Public Participation), [9] en dat is ook het oogmerk van Cyberluck c.s. in deze procedure tegen [verweerder]. De vrijheid van meningsuiting is beschermd door art. 10 EVRM Pro. Het behoort tot de taak van onafhankelijke media en bloggers om misstanden in de samenleving aan te kaarten, aldus nog steeds [verweerder]. Er zijn ongeveer 150.000 Curaçaose goksites die overal ter wereld op zwarte lijsten van overheden voorkomen. Het Koninkrijk, inclusief de overzeese eilanden, wordt internationaal beschouwd als een narcostaat, belastingparadijs en online gokwalhalla. Cyberluck c.s. proberen [verweerder] het leven onmogelijk te maken en misbruiken daartoe het kort gedingsysteem, waarbij zij onjuiste argumenten gebruiken. [verweerder] daarentegen baseert zich onder meer op de wet, het beleid en Cyberlucks landsbesluit. Het illegale handelen van Cyberluck c.s. bestaat met name uit het afgeven van een ‘sub vergunning’ en het doen voorkomen alsof de betrokken exploitanten hierdoor een zelfstandige door de Gouverneur afgegeven en door de overheid gereguleerde vergunning hebben. Dienstverleners en aanbieders van kansspelen als Cyberluck en trustkantoren als Pearl zouden als ‘poortwachters’ een rol moeten spelen om het financiële systeem tegen witwassen en het financieren van terrorisme te beschermen maar in plaats daarvan faciliteren zij dat juist. Bovendien wordt door het verstrekken van sublicenties de screening van exploitanten omzeild en wordt de valse schijn gewekt dat de houders van sublicenties onder controle staan. [verweerder] kan dan ook met recht over ‘illegaliteit’ spreken.
door licentie 1668/AZ Curacao Egaming (Cyberluck) vermoedt de Nederlandse justitie dat de site werd gebruikt als witwasvehikel voor een drugsorganisatie (KKC naschrift)”
overnemen.”
De Goede Hoop v. Fuhring:
Bij overtreding wordt door de genoemde personen voor elk stuk, ten aanzien waarvan de overtreding is begaan, een boete verbeurd van vijftig gulden. Zij zijn bovendien gehouden tot betaling der belasting, verschuldigd voor de niet behoorlijk gezegelde stukken, ten aanzien van welke de overtreding is begaan, behoudens verhaal op wie het behoort.
3. De grieven
De Knipselkrantvan het ‘sublicentiëren’ als ‘illegaal’ valt onder het bereik van de, in de Staatsregeling en mensenrechtenverdragen beschermde, vrijheid van meningsuiting van een journalist.”
’s Notes, publicist and blogger”. [13]
public watchdog’ en dat zij het algemeen belang poogt te dienen en is vervolgens ingegaan op haar stelling dat sprake is van een zogenoemde SLAPP (waarover ook randummer 2.3 hiervoor) en op de risico’s die kleven aan het organiseren van kansspelen:
Schindler(ECLI:EU:C:1994:119), §60:
Satakunnan(§124):
onmogelijkis dat een vergunninghouder behoorlijk toezicht houdt op de praktijk van de ‘sublicencehouders’ en dat de praktijk van ‘sublicentiëring’ daarom ‘illegaal’ is. Volgens [verweerder] is de term ‘sublicence’ misleidend. Het gaat om gebruik van Cyberlucks vergunning, welk gebruik onderworpen is aan Cyberlucks vergunningsvoorwaarden (MvG p. 12-13 en 16) maar op de naleving waarvan Cyberluck dus geen toezicht houdt. Deze stelling vindt steun in de feiten, zoals ook geconstateerd in het Hofvonnis van 14 april 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:77
, Cyberluck v. Curator, rov. 4.3 e.v.
uitgiftedoor de vergunninghouder van een ‘sublicence’, geabstraheerd van de praktijk zonder voldoende toezicht, heeft het Hof in dat vonnis van 14 april 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:77, rov. 4.15 slechts geoordeeld dat het wettelijk verbod van overdracht niet zonder meer in de weg staat aan ingebruikgeving. De kwestie is in die zaak slechts summierlijk aan de orde gesteld. Aan het Hof is in die zaak niet gevraagd een teleologische uitleg te geven van de
Landsverordening buitengaatse hazardspelen. Deze uitspraak van het Hof staat er dus niet aan in de weg dat [verweerder] mag beweren dat dit alles illegaal is.
praktijkvan ‘sublicientëring’ [lees: 'sublicentiëring',
A-G] illegaal is, is plausibel (zie rov. 4.14 [bedoeld zal zijn: 4.13.,
A-G]). Dat zelfs de
uitgiftevan ‘sublicenses’ illegaal is, moet niet op een goudschaaltje worden gewogen (zie rov. 4.13 [bedoeld zal zijn: 4.12.,
A-G]), is alleszins verdedigbaar (rov. 4.15-4.16 [bedoeld zal zijn: 4.14.-4.15.,
A-G]) en valt in elk geval onder het bereik van de vrijheid van meningsuiting van een journalist (rov. 4.8 [bedoeld zal zijn: 4.7.,
A-G]).
Satakunnan, hierboven geciteerd, §167:
A-G]’ (toelichting grief XI): deze opvatting is niet onrechtmatig. Afweging van de in artikel 10 EVRM Pro beschermde vrijheid van expressie van [verweerder] en het in artikel 8 EVRM Pro beschermde recht op privéleven van [eiser 1] en [eiser 3] (inclusief reputatie), in aanmerking genomen alle door het EHRM genoemde aspecten, valt in het voordeel van [verweerder] uit.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
A-G) 2022 aan [verweerder], waarin zij in de gelegenheid werd gesteld om alsnog grieven in te dienen en griffierecht te betalen.
het gerechtafgelegd of aldaar schriftelijk ingediend. Een bijzonder kenmerk van het Curaçaose procesrecht is namelijk dat, anders dan in Nederland, de inleidende fase van het hoger beroep zich afspeelt bij de rechter in eerste aanleg, dus bij het gerecht. [23] Deze verklaring dat men hoger beroep wil instellen wordt in de praktijk meestal ‘akte van appel’ genoemd. [24] Art. 270 lid 3 WRvC Pro bepaalt dat de griffier van de afgelegde of ingediende verklaring
onverwijldaantekening in het algemeen register houdt, onder vermelding van de dagtekening waarop zij is afgelegd of ontvangen. In dit verband wordt in de praktijk ook wel gesproken van AR-zaken, waarbij “
AR” staat voor algemeen register, en waarmee dan wordt gedoeld op zaken waarin, zoals in de onderhavige zaak, een vonnis wordt gewezen. [25] Op grond van art. 270 lid 4 WRvC Pro geldt de dagtekening bedoeld in het derde lid (dus in het algemeen register) bij de berekening van de beroepstermijn als tijdstip van de verklaring.
nietbeslissend is de datum van de verklaring waarmee hoger beroep is ingesteld maar de dagtekening door de griffier zoals die uit het algemeen register blijkt. In een kort geding is dat dus binnen drie weken na de dag waarop de griffier het hoger beroep in het algemeen register heeft aangetekend.
Middelen ter verzekering van de belasting” – is onder meer art. 69 opgenomen Pro dat, voor zover relevant, luidt:
(…)
3. Bij overtreding wordt door de genoemde personen voor elk stuk, ten aanzien waarvan de overtreding is begaan, een boete verbeurd van vijfhonderd gulden. Zij zijn bovendien gehouden tot betaling van de belasting, verschuldigd voor de niet behoorlijk gezegelde stukken, ten aanzien van welke de overtreding is begaan, behoudens verhaal op wie het behoort. [38]
naar huidige opvattingen enigszins excentrieke (…) sancties”. [39] Ik kan hem daarin geen ongelijk geven. Mok merkte in deze conclusie verder op dat aan de tekst van de ZV “
mede in het licht van de leeftijd van de betrokken tekst en de technologische ontwikkeling sedert de totstandkoming daarvan” minder gewicht toekomt dan aan de strekking daarvan. [40] De voortschrijdende technologische ontwikkeling brengt voor de toepassing van de ZV inderdaad uitdagingen met zich. [41]
Caribisch Juristenbladgeschreven (zonder voetnoot uit origineel):
Cyberluck + [eiser 1] / [verweerder]-Knipselkrant”) en het zaaknummer van het vonnis in eerste aanleg (“
Hoger beroep CUR202103601”). [50]
Kind reminder”), waarna op 17 januari 2022 vanaf het e-mailadres focur@caribjustitia.org de volgende reactie naar haar is verzonden door de griffie van het gerecht/hof:
Uw mail gedateerd 3-12-2021 is naar verkeerd e-mailadres gestuurd en is niet doorgestuurd naar de afdeling Frontoffice.
Uw verzoek bespreek ik intern en kom er van de week op terug.”
De termijn voor het indienen van de memorie van grieven is binnen 3 weken na vandaag, omdat ik het beroep per vandaag heb geregistreerd. Ook het griffierecht naf 900,-- dient binnen 3 weken te worden betaald.”
tijdig en op de juiste wijze” in hoger beroep is gekomen en daarin kan worden ontvangen. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Dat lijkt mij overigens terecht. Uit hetgeen ik in randnummers 3.17-3.20 hiervoor uit het procesdossier naar boven heb gehaald, blijkt mijns inziens dat sprake is geweest van een zogenoemd schoonheidsfoutje bij het indienen van de akte van appel door [verweerder]. [53] Dat schoonheidsfoutje bestond erin dat zij onverhoopt niet het juiste e-mailadres heeft gebruikt voor het indienen van haar akte van appel op 3 december 2021. Door een administratieve vergissing van de griffie van het gerecht/hof (zie randnummer 3.18 hiervoor) is de akte van appel vervolgens niet binnen korte tijd doorgezonden naar het juiste e-mailadres waardoor de akte van appel van [verweerder] pas op 19 januari 2022, en dus niet onverwijld (zie randnummer 3.6 hiervoor), door de griffier in het algemeen register is geregistreerd (zie randnummer 3.19 hiervoor). In een beschikking van 25 januari 2019 heeft Uw Raad over een enigszins vergelijkbaar geval als volgt geoordeeld:
geachtwordt te zijn geregistreerd onverwijld na het moment van indienen daarvan op 3 december 2021. Dat is dus op (of in ieder geval kort na) 3 december 2021 en daarmee ruimschoots vóór het verstrijken van de driewekentermijn die een aanvang heeft genomen na het vonnis in eerste aanleg van 1 december 2021. Ik wijs in dat verband ook nog op de in cassatie onbestreden rov. 1.2. waarin het hof heeft overwogen dat [verweerder] bij akte van appel op 3 december 2021 in hoger beroep is gekomen van het vonnis in eerste aanleg. Ik lees daarin, in samenhang met rov. 2.1., ook dat het hof ervan is uitgegaan dat het hoger beroep op (of kort na) 3 december 2021 geregistreerd had moeten worden en niet, zoals het hof in rov. 3. heeft overwogen “
kennelijk wegens apparaatsfouten”, pas op 19 januari 2022. Het hof heeft dan ook terecht geoordeeld dat [verweerder] ontvankelijk is in het hoger beroep. De ontvankelijkheid in het hoger beroep staat zoals opgemerkt in cassatie niet ter discussie (zie randnummer 3.21 hiervoor).
per vandaag”) geregistreerd. De driewekentermijn voor het indienen van de memorie van grieven is dus per die datum gaan lopen en niet reeds op (of kort na) 3 december 2021. Dat volgens het Curaçaose appelprocesrecht het niet-indienen van een memorie van grieven op zichzelf nog niet fataal is (zie randnummer 3.10 hiervoor) maakt mijns inziens ook niet dat administratieve vergissingen van de griffier zoals hier aan de orde ertoe zouden moeten leiden dat in het geheel geen mogelijkheid meer zou bestaan tot het indienen van een memorie van grieven. [56]
kennelijk wegens apparaatsfouten” heeft bedoeld. Het hof doelde daarmee op de administratieve vergissingen van de griffier die ertoe hebben geleid dat het hoger beroep van [verweerder] niet
onverwijldna het moment van indiening op 3 december 2021, maar pas op 19 januari 2022, in het algemeen register is aangetekend (zie randnummer 3.23 hiervoor). Het onderdeel gaat in zoverre dus uit van een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft [verweerder] niet door apparaatsfouten “
buiten de wettelijke termijn” in de gelegenheid gesteld grieven in te dienen. Nu het hoger beroep kennelijk op 19 januari 2022 (zie randnummer 3.19 hiervoor: “
omdat ik het beroep per vandaag heb geregistreerd”) in het algemeen register is aangetekend, is de wettelijke termijn van drie weken voor het indienen van de memorie van grieven (zie randnummers 3.7-3.8 hiervoor) per die datum gaan lopen, en niet reeds op het moment van het indienen van de akte van appel op 3 december 2021. De memorie van grieven is vervolgens binnen die wettelijke driewekentermijn ingediend (zie randnummer 3.20 hiervoor).
Artikel 121. Hoger beroep in EJ-zaken
(…)
zes maandenvóór de indiening van het inleidend processtuk bij GEA of Hof. Overigens zal een appellant in de regel een nieuw bewijs van onvermogen nodig hebben (artikel 880 lid 1 Rv Pro).”
buiten de wettelijke termijn” de gelegenheid is gegeven om grieven in te dienen en griffierecht te betalen. Het hof had Cyberluck c.s., gelet op dit alles, dan ook geen gelegenheid hoeven geven zich meteen over “
deze buitenwettelijke herstelmogelijkheid”, waarvan geen sprake is, uit te laten. Het onderdeel miskent bovendien dat Cyberluck c.s. wel degelijk in de gelegenheid zijn gesteld zich over de door hen gewraakte gang van zaken uit te laten. Zowel in de memorie van antwoord, p. 4 en 10 als in hun pleitnota in hoger beroep, p. 2 en 3 hebben Cyberluck c.s. betoogd dat de memorie van grieven van [verweerder] op 9 februari 2022 te laat is ingediend. [62] Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor en het
fair trial-beginsel kan dan ook geen sprake zijn. Er is geen rechtsregel, het onderdeel onderbouwt dat verder ook niet, die meebrengt dat Cyberluck c.s.
meteengelegenheid geboden had moeten worden te reageren op de e-mail van 19 januari 2022 aan [verweerder]. De akte van appel en de memorie van grieven van [verweerder] zijn op de gebruikelijke wijze aan Cyberluck c.s. betekend [63] en Cyberluck c.s. konden bovendien via de griffier het algemeen register raadplegen, zodat een en ander voldoende duidelijk moet zijn geweest. Ik laat nog daar dat ook maar de vraag is of met het door het hof acht slaan op de grieven wel sprake is van een “
nadelige beslissing” voor Cyberluck c.s. Zij hebben inhoudelijk verweer kunnen voeren tegen de grieven en hebben dat in de memorie van antwoord (naast de formele verweren die in de pleitnota in hoger beroep nogmaals voor het voetlicht zijn gebracht) ook daadwerkelijk gedaan. [64] Het hof had bovendien buiten de grieven om ambtshalve tot vernietiging van het vonnis in eerste aanleg kunnen beslissen (zie randnummer 3.5 hiervoor). Dat had mijns inziens, mede gelet op het gelijkluidende oordeel in de parallelle zaak waarin het hof op dezelfde dag vonnis heeft gewezen, ook voor de hand had gelegen. [65]
Cyberluck v. Curatorvan 14 april 2020. Ik geef de relevante rechtsoverwegingen uit dat vonnis weer:
A-G], met uitzondering van de gevorderde verklaring voor recht wegens onbevoegde overdracht van de rechten uit de vergunning, toegewezen en Cyberluck, naast [betrokkene 1] [bestuurder van Stacktrace,
A-G], hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de geleden schade respectievelijk het faillissementstekort. Het overwoog, voor zover in hoger beroep van belang:
Landsverordening buitengaatse hazardspelentot het exploiteren van hazardspelen op de internationale markt door middel van servicelijndiensten. Aan de vergunning zijn bij het Landsbesluit voorwaarden verbonden die, anders dan Cyberluck met een beroep op de historie en achtergronden van de regelgeving wil doen geloven, onmiskenbaar (mede) strekken tot bescherming van de spelers.
Landsverordening buitengaatse hazardspelenis geen sprake. De rechten zijn bij de licentieovereenkomst niet overgedragen maar in gebruik gegeven aan Startrack. Cyberluck is vergunninghouder gebleven, maar heeft door de licentieverlening tegenover Stacktrace als het ware haar exclusieve verbodsrecht 'opgeheven' door Stacktrace toestemming te geven tot het exploiteren van hazardspelen op de internationale markt door middel van servicelijndiensten.” [69]
Caribisch Juristenbladis wel een annotatie bij het vonnis van het hof van 14 april 2020 verschenen van Frielink en Snel, waarin zij onder meer ingaan op de vraag of sublicentiëring al dan niet “
door de beugel kan” (met voetnoten uit het origineel):
Vraagt 1:Klopt het dat de op Curaçao gebruikte constructie van master- en sub licenties in de gokindustrie geen wettelijke basis heeft?
de mogelijkheid te creëren voor de overheid om deze activiteiten[buitengaatse hazardspelen,
A-G]
te controleren ter voorkoming dat de naam van Curaçao en de Nederlandse Antillen op de internationale telecommunicatiemarkt schade ondervindt”.
A-G] en [naam 3] [naar ik aanneem: [verweerder],
A-G] veelvuldig geprocedeerd wordt en dat [naam 3] meermaals rechtszaken verloren heeft, waarbij diverse rechters in kort geding (vonnissen van 6 april 2021 [zie over dit vonnis randnummers 3.42-3.44 hierna,
A-G] en 1 december 2021 [het vonnis in eerste aanleg (in de onderhavige zaak),
A-G]) hebben overwogen dat de stelling dat CEG illegaal handelt door sublicentiëring feitelijk onjuist en daardoor misleidend is. In deze procedure is [naam 3] echter geen partij en onduidelijk is, of en op welke manier aandacht wordt besteed aan de stellingen van [naam 3] dat sublicentiëring illegaal is en dat er een SLAPP tegen haar gaande is.
A-G] gaat over de online-gokmarkt op Curaçao en dat [naam 1] 30 partijen heeft geïnterviewd en meer dan 100 documenten heeft onderzocht en dus een breed onderzoek betreft.
A-G]) is wel op te maken dat van ‘onbevoegde overdracht als bedoeld in artikel 3 lid 1 Landsverordening Pro buitengaatse hazardspelen’ geen sprake is. De rechten zijn immers bij het in licentie geven niet overgedragen maar in gebruik gegeven. Het Gerecht heeft in het vonnis van 16 april 2018 [dit betreft de eerste aanleg in de zaak
Cyberluck v. Curator [75] , de relevante rov. 4.21. is geciteerd in rov. 4.14. van het vonnis in hoger beroep, zie randnummer 3.34 hiervoor,
A-G] de verklaring voor recht dat van onbevoegde overdracht sprake is dan ook geweigerd en dat vonnis blijft in stand. Niet onaannemelijk is dat hieruit volgt, zoals ook door kort geding rechters meermaals overwogen sublicentiëring niet illegaal is. Op dit moment is echter niet bekend of en welke informatie Investico c.s. uit hun onderzoek hebben (anders dan de visie van [naam 3]) die mogelijk tot een andere opvatting leidt. Een verbod vooraf – of een gebod tot onthouding – past dan ook niet. (…)” [76]
hoe de juridische afbakening van een door Curaçao verstrekte licentie eruit zou moeten zien.” Daarbij heeft het advies oog voor “
de marktrealiteit van de 21e eeuw” waarmee wordt bedoeld: “
aanbieders van online kansspelen bieden bij voorkeur hun diensten op de internationale marktplaats aan, buiten het domein van binnenlands gereguleerde markten.” Deze marktrealiteit heeft er volgens het advies voor gezorgd:
in strijd met resp. op een wijze die strijdt met de wet”) als de betekenis ‘onrechtmatig’ (“
niet gegrond op, in strijd met recht en billijkheid”). Al meer dan honderd jaar is bekend dat de tweede betekenis in juridische zin ruimer is dan de eerste, [80] hetgeen overigens ook duidelijk naar voren komt in de hiervoor weergegeven taalkundige betekenissen van ‘onwettig’ als in strijd met de wet en ‘onrechtmatig’ als in strijd met recht en billijkheid. Beide betekenissen komen in het bestreden vonnis aan bod. Ik begrijp het bestreden vonnis namelijk zo dat het hof heeft geoordeeld dat het [verweerder] vrijstaat sublicentiëring ‘illegaal’ te noemen in beide betekenissen van het woord (rov. 4.16.). In de eerste betekenis gaat het om de vraag of de
uitgiftevan sublicenties als zodanig ‘onwettig’ (
contra legem) is. Het hof hoefde en kon daar in dit kort geding geen definitieve uitspraak over doen, maar slechts een voorlopige en heeft in dat kader onder meer geoordeeld dat de uitlating van [verweerder] in deze betekenis “
alleszins verdedigbaar” is. De Landsverordening buitengaatse hazardspelen biedt daarover geen klip en klaar uitsluitsel (zie randnummer 3.37 hiervoor). Het hof heeft in dat verband overwogen dat een aantal in rov. 4.15. genoemde omstandigheden “
voorshands moeilijk[lijken]
te rijmen met enig legitiem doel van deze landsverordening”. Over ‘illegaal’ in de betekenis van ‘onrechtmatig’ hoefde en kon het hof in de onderhavige kort gedingprocedure evenmin een definitieve uitspraak doen. Het hof overwoog onder meer dat de stelling dat de
praktijkvan sublicentiëring illegaal is “
plausibel”is (rov. 4.16.).
contra legemis:
A-G] op grond van de bepaling van artikel 3 lid 1 van Pro de Landsverordening niet geldig is mede in verbinding met van artikel 5 lid 2 van Pro de IMA (vergelijk hiervoor artikel 3:40 BW Pro). De term 'overdracht' van artikel 3 van Pro de Landsverordening dient hier niet alleen in goederenrechtelijke betekenis te worden opgevat, maar ook huur of andere verbintenissenrechtelijke constructies op grond waarvan een ander dan de vergunninghouder tot exploitatie van de gokvergunning in staat wordt gesteld, dienen onder 'overdracht' te worden verstaan.
de Atlantis groep allemaal uiteindelijk onder een persoon[valt]
en dat ligt erg lastig'.
A-G] te volgen.
Uit het tussenvonnis van 11 januari 2022 van het GEA van Sint Maarten (SXM2020000650/2020000654) [86] kan worden afgeleid dat de praktijk van sub-licentiering ook in Sint Maarten kritisch dient te wordt benaderd en wellicht [87] zelfs contra legem is.Wanneer een journalist hierover uitlatingen doet en over deze praktijk publiceert behoort een journalist inderdaad niet met SLAPP [88] zaken te worden bestookt in een poging haar of hem het zwijgen op te leggen.” [89]
uitdrukkelijkis verboden: (…) Een bodemprocedure zal hierover uitsluitsel moeten bieden.”
A-G] van haar vergunning aan het casino kan worden aangemerkt als een overdracht in de zin van de Landsverordening (die verboden is (…)). Is dat het geval, dan zou die ingebruikgeving nietig kunnen zijn. Hoe dan ook: onrechtmatig is de ingebruikgeving, onder de minimale waarborgen voor naleving van de Landsverordening en de vergunningsvoorwaarden waaronder deze heeft plaatsgevonden, zeker. Het gerecht heeft dit inmiddels meermalen beslist, evenals het Hof in zijn vonnis van 14 april 2020 inzake Cyberluck/curator Stacktrace (ECLI:NL:OGHACMB:2020:77 [zie randnummer 3.34 hiervoor,
A-G]). Kort gezegd: de Landsverordening en de vergunning scheppen waarborgen voor de consument (speler) dat de vergunninghouder opereert overeenkomstig de regels van
fair playdie in de Landsverordening en de vergunning zijn verwoord. Daarbij hoort de regel dat behaalde winsten worden uitgekeerd (artikel 17 van Pro de vergunning). GSP is voor de naleving van die regels verantwoordelijk en daarop wordt door het Land toezicht gehouden, waardoor overtredingen kunnen worden gesanctioneerd jegens de vergunninghouder. De derde aan wie de vergunning in sub-licentie wordt verstrekt, is aan generlei preventief of repressief toezicht onderworpen: die kan als het ware zijn gang gaan. Deze wijze van ingebruikgeving door GSP aan het casino doet de rechtsbescherming van spelers in zodanige mate teniet dat sprake is van onrechtmatig handelen jegens de individuele speler.” [90]
lijkt strijdig”) in het midden gelaten en wordt die onrechtmatig geoordeeld:
license certificateheeft verstrekt (…). Eén en ander lijkt strijdig met het verbod van overdracht van de vergunning van artikel 3 lid 1 van Pro de Landsverordening, al is aannemelijk dat Cyberluck zich hiertoe bevoegd achtte gelet op onder meer de verklaring van het Ministerie van Justitie (…). Hoe dan ook: Cyberluck heeft zichzelf door deze sub-licentiëring niet ontslagen uit haar verplichtingen krachtens de Landsverordening en de vergunning, met name ook niet uit de verplichting tot betaalbaarstelling van het prijzengeld, waarop artikel 17 lid 2 van Pro de vergunning ziet. Een door de vergunninghouder zelf bewerkstelligd ontslag uit publiekrechtelijke verplichtingen zoals de voort durende voldoening aan kwaliteits- en zorgvuldigheidsnormen om voor de vergunning in aanmerking te (blijven) komen, is rechtens ontoelaatbaar. Een dergelijk ontslag uit die verplichtingen zonder gelijktijdige (eveneens publiekrechtelijk te handhaven) oplegging van dezelfde verplichtingen aan de sub-licensent zou immers elke door de consument aan de Landsverordening en de vergunningsvoorwaarden te ontlenen en zo nodig af te dwingen rechtsbescherming teniet doen. De Landsverordening en de vergunning dienen niet slechts het belang van de vergunninghouder en de Curaçaose economie maar hebben consumentenbescherming mede ten doel. Dit volgt impliciet uit de Memorie van Toelichting bij de Landsverordening:
“
Teneinde deze activiteiten te kunnen ontplooien dient de strafbaarheid hiervan te worden opgeheven, alsook dient het wettelijk kader te worden geschapen, waarbinnen deze activiteiten kunnen plaatsvinden. In het verleden werd ter bevordering van het toerisme de Landsverordening Hazardspelen 1948 (P.B. 1948, no. 138) ingevoerd. Deze wettelijke regeling werd destijds ingevoerd om het mogelijk te maken hazardspelen te exploiteren louter ter bevordering van het toerisme.
A-G]:
(…)
A-G]:
(…)
Cyberluck kan haar gebondenheid aan de vergunningsvoorwaarden niet rechtmatig ontgaan door zichzelf bij overeenkomst de (overigens onduidelijk gedefinieerde, reactieve en tot weinig verplichtende) rol van toezichthouder op de 'tussengeschoven vennootschap' toe te kennen, zoals zij in de overeenkomst met Suncast (…) heeft beoogd en in de conclusie van antwoord benadrukt te hebben gedaan. Van een feitelijke,
hands onuitoefening van die rol van toezichthouder is overigens niet gebleken. Heel anders dan de site van Cyberluck vandaag nog suggereert: “
Curacao E-gaming (Cyberluck Curacao N.V. 1668/JAZ) is a master license holder in the Curacao jurisdiction. What does it mean? It means that the Curacao government does not deal with online casinos directly. Instead, it delegates regulatory duties to 4 independent companies, and, Curacao E-gaming is one of them.”
een teleologische uitleg”. Het voorshandse oordeel van het hof in rov. 4.15. dat de aldaar genoemde omstandigheden moeilijk lijken te rijmen met enig legitiem doel van de Landsverordening buitengaatse hazardspelen, kan ik in dat licht bezien goed volgen.
voorshandsoordeel gegeven, namelijk dat de stelling van [verweerder] dat de huidige praktijk van ‘sublicentëring’ illegaal is, “
plausibel” is (rov. 4.16.) Het hof heeft daarbij terugverwezen naar rov. 4.14., maar zal daarmee het oog hebben gehad op rov. 4.13., waarin het onder meer heeft geoordeeld dat “
voldoende aannemelijk” is de stelling van [verweerder] dat het in de praktijk onmogelijk is dat een vergunninghouder behoorlijk toezicht houdt op de praktijk van de ‘sublicencehouders’ en dat de praktijk daarom ‘illegaal’ is en, onder verwijzing naar vindplaatsen in de memorie van grieven van [verweerder] (p. 12-13 en 16), [94] dat kort gezegd haar stelling over het gebrek aan toezicht door Cyberluck steun vindt in de feiten, in welk verband het hof nog heeft verwezen naar de uitspraak van het hof van 14 april 2020 (ECLI:NL:OGHACMB:2020:77), rov. 4.3. e.v., waarin dat volgens het hof ook is geconstateerd. Dit oordeel is, in het licht van de gedingstukken en de inhoud van de uitspraak van 14 april 2020, goed te volgen. De relevante rechtsoverwegingen uit de uitspraak van 14 april 2020 zijn weergegeven in randnummer 3.34 hiervoor. Het hof heeft in het bestreden vonnis kennelijk met name het oog gehad op rov. 4.3. en rov. 4.9. uit dat eerdere vonnis, waarin het voor het onrechtmatigheidsoordeel sterk leunt op het niet toezien door Cyberluck op het naleven van de vergunningsvoorwaarden door Stacktrace (de sublicencehouder in die zaak). [95]
uitgiftevan sublicenties als illegaal kwalificeert. Het subonderdeel stelt daarnaast dat het hof (in cassatie als hypothetisch vaststaand geldende) essentiële stellingen van Cyberluck c.s. [96] onbesproken heeft gelaten en/of onbegrijpelijk heeft gepasseerd, waarmee volgens het subonderdeel in cassatie hypothetisch feitelijk vaststaat dat de uitgifte van sublicenties is toegestaan.
voorshandsoordeel gegeven, namelijk dat dit “
alleszins verdedigbaar” is en in ieder geval onder het bereik van de vrijheid van meningsuiting van een journalist valt, waarbij het hof ook heeft betrokken dat de woorden van [verweerder] niet op een goudschaaltje moeten worden gewogen (zie rov. 4.16., onder verwijzing naar daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen, weergegeven in randnummer 2.13 hiervoor). Het gaat in deze zaak dus niet erom of al dan niet een rechtsregel kan worden onderkend die de uitgifte van sublicenties als illegaal kwalificeert, maar zoals het hof het in rov. 4.12. heeft uitgedrukt “
deels om een opinie” van [verweerder], waarbij dat “
deels” er mijns inziens op ziet dat die opinie van [verweerder] wél voldoende steun dient te vinden in de feiten. Dat laatste is naar het oordeel van het hof het geval, zoals blijkt uit rov. 4.14.-4.15. Daarop loopt de eerste klacht van het subonderdeel spaak.
A-G]
Productie 6. Ten overvloede menen Verzoeksters, nu [verweerder] zelf reeds erkende, U zie het vorige onderdeel van dit verzoekschrift, dat zij met het woord “illegaal” niet noodzakelijkerwijs op buitenwettelijke activiteiten doelt.
Gelet op het verhandelde ter zitting baseert gedaagde haar verwijt jegens eiser op een reeds langer lopende strijd tegen de overheid en diverse instanties in verband met falend toezicht op de online gaming industrie. Dat falend toezicht leidt er volgens gedaagde toe dat de online gaming industrie zich met gebruikmaking van de trustsector, die ook de andere kant op kijkt, schuldig kan maken aan illegale activiteiten die vele spelers duperen en die vervolgens nergens terecht kunnen.
De vordering is duidelijk uiteengezet: (…)
A-G] is hierover glashelder: (…)
A-G]
e kwestie (…) in die zaak slechts summierlijk aan de orde[is]
gesteld. Aan het Hof is in die zaak niet gevraagd een teleologische uitleg te geven van deLandsverordening buitengaatse hazardspelen
. Deze uitspraak van het Hof staat er dus niet aan in de weg dat [verweerder] mag beweren dat dit alles illegaal is.”Het hof heeft de door het subonderdeel bedoelde stellingen dus niet onbesproken gelaten en/of onbegrijpelijk gepasseerd, waardoor in cassatie ook niet hypothetisch feitelijk vaststaat dat de uitgifte van sublicenties is toegestaan. Hierop strandt ook deze klacht en daarmee het subonderdeel.
plausibel” is.
Dat zelfs deuitgifte
van ‘sublicences’ illegaal is,” et cetera). Het hof heeft dus niet slechts geoordeeld dat de illegaliteit van de huidige praktijk van sublicentiëring “
plausibel” is. Bij het voorshandse oordeel van het hof “
Dat zelfs deuitgifte
van ‘sublicences’ illegaal is,” et cetera grijpt het hof in de daaraan voorafgaande rov. 4.14.-4.15. terug op de bedoeling van de Landsverordening buitengaatse hazardspelen. Ook daarmee heeft het hof de Curaçaose pendant van art. 24 Rv Pro niet geschonden. Ik citeer een in dit verband relevante passage uit de toelichting op grief 10 van [verweerder]:
(…)
Welke van de interpretatie methoden hij [de rechter in eerste aanleg,
A-G] ook gebruikt zou hebben zou gevergd hebben dat hij niet anders kan dan de hele problematiek te plaatsen in het kader van de BEDOELING van de wetgever, hij kan niet kort door de bocht gaan en stellen dat die wet niet uitbesteding verbiedt, dit terwijl er een duidelijke verbodsbepaling is geformuleerd die grammaticaal misschien betwistbaar is ([verweerder] vindt van niet) maar welke verbodsbepaling niet anders dan gezien moet worden in het kader van wat de wetgever heeft beoogd. (…)”
“[z]
ij niet bedoelde dat het illegaal was en dat dit niet helemaal accuraat is; uiterst dubieus is een veel betere uitleg;”. [100] Uit het proces-verbaal van de zitting bij het gerecht van 26 november 2021 blijkt dat zij helemaal niet is verschenen op die zitting. Uit de laatste pagina van het proces-verbaal, p. 3, is wel kenbaar dat [verweerder] een schriftelijke pleitnota heeft overgelegd, waarvan de rechter en Cyberluck c.s. kennis hebben genomen (“
Er wordt een leespauze ingelast opdat de rechter en partijen de overgelegde pleitnotitie van [verweerder] kunnen doornemen”) en waarop (de advocaat van) Cyberluck c.s. vervolgens kort hebben (heeft) gereageerd. Deze pleitnota van 26 november 2021 maakt ook deel uit van het procesdossier en daarin lees ik slechts standpunten van [verweerder] strokend met haar in hoger beroep ingenomen stellingen. Cyberluck c.s. lijken hier de onderhavige zaak te verwarren met de zaak die bij Uw Raad aanhangig is onder zaaknummer 22/04570. In die zaak is wel sprake van een proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg met opmerkingen van (de in die zaak gemachtigde van) [verweerder] van deze strekking. Ik verwijs op dit punt naar randnummers 3.20-3.28 van mijn conclusie van vandaag in die zaak.
A-G):
illegaalhandelt door het
uitgeven van zogenoemde sublicentiesvoor het aanbieden van kansspelen en dat het trustkantoor Pearl Trust en haar directeur [eiser 3] een
illegale sublicentiezou uitbaten.
Die stellingis niet gebaseerd op de feiten en daarmee onjuist en misleidend, nu de praktijk van sublicentiëren uitdrukkelijk niet verboden is. Ik beveel aan dat andere media die dit bericht hebben overgenomen, deze rectificatie in hun berichtgeving (het gerecht leest:) overnemen.” [102]
of de kwalificatie door [verweerder] in De Knipselkrant van het ‘sublicentiëren’ als ‘illegaal’ valt onder het bereik van de, in de Staatsregeling en mensenrechtenverdragen beschermde, vrijheid van meningsuiting van een journalist” (rov. 4.5.). In het kader van ’s hofs voorshandse oordeel over die gestelde illegaliteit in rov. 4.13.-4.16. hoefde het geen aandacht te besteden aan het in het naschrift ook genoemde aspect van een vermoeden van de Nederlandse justitie dat de site van de sublicencehouder werd gebruikt als witwasvehikel voor een drugsorganisatie. Dat in het naschrift genoemde vermoeden vindt overigens hoe dan ook voldoende steun in de feiten. [104]
ver Guttenberg en [eiser 3] slechts[is]
gezegd dat zij bestuurders zijn van onderscheidenlijk Cyberluck en Pearl” en dat “[d]
e gepubliceerde foto’s neutraal[zijn]”. Het hof heeft daarbij het oog gehad op publicatie 1 (zie randnummer 1.10 hiervoor).
een ½ A4” van de gepubliceerde foto’s maakt dat niet anders. [109] Uit de tekst van de onderschriften blijkt bovendien, zoals het hof heeft geoordeeld, dat daarin slechts wordt gezegd welke functie [eiser 1] en [eiser 3] bij Cyberluck respectievelijk Pearl bekleden (vergelijk ook randnummers 1.4 en 1.6 hiervoor). [eiser 1] en [eiser 3] worden dus niet, ook niet in het naschrift bij de publicaties als weergegeven in randnummer 1.9 hiervoor, in verband gebracht met witwassen en drugshandel. Dat vermoeden heeft uitsluitend betrekking op sublicencehouder Edobet. Van belang is in dit verband ook dat [verweerder] in eerste aanleg niet had aangevoerd dat enig belang, en zo ja welk belang, met het plaatsen van de foto’s van [eiser 1] en [eiser 3] is gediend (rov. 4.16 van het vonnis in eerste aanleg). Het hof overweegt in rov. 4.18. dat dat in hoger beroep anders ligt:
“‘[verweerder] acht het van maatschappelijk belang dat deze schaduweconomie binnen het Koninkrijk der Nederlanden gezichten krijgenlees: ‘krijgt’,
A-G]
’ (toelichting grief XI): deze opvatting is niet onrechtmatig.” [verweerder] wil, anders gezegd, de ‘facilitators’ van de online gokindustrie in Curaçao (ook letterlijk) in beeld brengen (zie ook randnummer 2.3 hiervoor), zoals verder ook blijkt uit de door het hof in rov. 4.8. geciteerde passages uit “
’s Notes, publicist and blogger”. Hoewel aan dat begrip ‘facilitators’ wellicht een negatieve connotatie kleeft, heeft het een neutrale betekenis. [110] Faciliteren kan bewust of onbewust geschieden en ook de overheid kan een faciliterende rol spelen. [111] Niet alle ‘facilitators’ zijn ‘non-compliant’ en ‘non-compliant’ gedrag is bovendien niet per definitie crimineel. [112] Ook zo bezien is het oordeel van het hof dat de inhoud en vorm van [verweerder] uitingen niet disproportioneel zijn en dat de belangenafweging in het kader van art. 8 en Pro 10 EVRM in het voordeel van [verweerder] is uitgevallen, goed te volgen. De door het hof gemaakte belangenafweging is verder dusdanig verweven met waarderingen van feitelijke aard dat deze in cassatie niet opnieuw gemaakt kan worden.