ECLI:NL:PHR:2022:178
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurder voor onbetaalde winstbelasting NV over 2007 en 2008
Belanghebbende was van 15 april 2014 tot 24 juni 2015 directeur van een NV die casino’s exploiteerde. De NV kreeg aanslagen winstbelasting opgelegd over de jaren 2007 en 2008, die grotendeels onbetaald bleven. De Ontvanger stelde belanghebbende bij beschikking van 22 november 2016 aansprakelijk voor deze onbetaalde belastingschulden.
Het Gerecht in eerste aanleg oordeelde dat aansprakelijkheid pas kan ontstaan nadat de belastingschuld is geformaliseerd in een opeisbare aanslag en dat uitstel van betaling de opeisbaarheid opschort. Het Gerecht vernietigde de beschikking aansprakelijkstelling en oordeelde dat belanghebbende zich kon disculperen. Het Gemeenschappelijk Hof stelde echter dat de aansprakelijkheid al ontstaat bij het einde van het boekjaar waarover de belasting wordt geheven, ongeacht opeisbaarheid, en verwierp het beroep op disculpatie omdat belanghebbende voorrang gaf aan betaling van andere crediteuren.
Belanghebbende stelt in cassatie dat het Hof ten onrechte het vereiste van opeisbaarheid en in gebreke zijn buiten beschouwing liet, wat strijdig is met het invorderingsrecht en de formele aansprakelijkheidsregels. Ook betwist hij dat hij zich niet kan disculperen, omdat hij de essentiële uitgaven voor continuïteit van de onderneming heeft betaald en de belastingschuldige niet in gebreke was tijdens zijn bestuur.
De conclusie van de Advocaat-Generaal benadrukt het belang van het onderscheid tussen materiële belastingschuld en formele aansprakelijkstelling, het toepasselijke overgangsrecht, en de noodzaak om te onderzoeken of uitstel van betaling was verleend. Tevens wordt gewezen op de jurisprudentie dat een bestuurder vrij is in de afweging welke schuldeisers worden betaald, tenzij sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De conclusie strekt tot gegrondverklaring van het cassatieberoep en verwijzing voor nadere beoordeling van de omstandigheden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de zaak verwezen voor nadere beoordeling van opeisbaarheid en disculpatie.