Voetnoten
2.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 juli 2013, nr. AWB 12/6587, niet gepubliceerd.
3.De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven.
4.Noot A-G: in r.o. 2.15 tot en met 2.17 heeft de Rechtbank overwogen:
5.Behoudens de correcties als weergegeven in de voorgaande noot; vandaar de gegrondverklaring van het beroep.
6.Noot A-G: bedoeld zal zijn: juni 2008. Zie r.o. 2.8 van de Hofuitspraak,
7.Noot A-G: de desbetreffende kernoverweging luidt: ‘In september 2008 verpandde [B] haar vorderingen aan de Rabobank; van dit pandrecht werd door de Rabobank gebruik gemaakt.’
8.Noot A-G: het betreft hier hoofdstuk VI ‘Aansprakelijkheid’ van de IW (art. 32 t/m 57 IW).
11.Leidraad Invordering 2008, 12 juni 2008, nr. CPP2008/1137M,
19.Noot A-G: zie 4.8.
32.M.W.C. Feteris,
33.F.A. Piek, ‘Kroniek Invorderingsrecht’,
34.J.J. Vetter, A.J. Tekstra en P.J. Wattel,
35.J.J. Vetter, A.J. Tekstra en P.J. Wattel,
36.J.J. Vetter, A.J. Tekstra en P.J. Wattel,
38.Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, Invorderingswet, artikelsgewijs commentaar Invorderingswet 1990, artikel 36, aantekening 5.9.1 ‘Volgorde aansprakelijkstelling binnen bestuur’. Het commentaar is bijgewerkt tot 17 januari 2016 c.q.
39.Zie respectievelijk 4.13 en 4.10. Zie ook 4.11.
40.Zie ook 4.9.
41.Zie 4.19, 4.20 en 4.21. Zie ook 4.22, 4.23 en 4.24.
42.Zie ook 4.18.
43.Zie respectievelijk 4.19 en 4.22.
44.Deze stelling heeft belanghebbende eerder ook in feitelijke instanties ingenomen; er is dus geen sprake van een novum in cassatie. Zie paragraaf 3.4 en 3.5 van de schriftelijke toelichting van belanghebbende. Daar wordt verwezen naar belanghebbendes bezwaarschrift en de pleitnotities voor het Hof.
45.Zie paragraaf 1.6 van het cassatieberoepschrift.
46.Zie paragraaf 1.7 van het cassatieberoepschrift.
47.Zie r.o. 4.6.1 t/m 4.6.6 van de Rechtbankuitspraak.
48.Zie r.o. 4.7 van de Hofuitspraak.
49.Zie r.o. 2.12 van de Hofuitspraak.
50.Dat bleek bijvoorbeeld reeds uit de notulen van de op 16 juli 2008 gehouden aandeelhoudersvergadering. Zie r.o. 2.11 van de Hofuitspraak. In de daar opgenomen notulen van de op 16 juli 2008 gehouden aandeelhoudersvergadering staat: ‘ [B] is einde verhaal en wordt met de hoogste spoed gesaneerd. Uiterlijk op 1 oktober 2008.’
51.Zie p. 8 van het cassatieberoepschrift van belanghebbende. Het Hof heeft overigens in r.o. 2.12 slechts vastgesteld dat de vorderingen aan de bank waren verpand, en wel in september 2008.
52.Zie 4.7. Zie ook 4.12.
53.Vgl. hetgeen de Staatssecretaris op p. 7 van zijn verweerschrift van schrijft: ‘Uit de vaststaande feiten maak ik bovendien op dat reeds voordat de Ontvanger gelet op de melding betalingsonmacht op de hoogte was, de [bank] geheel (ineens) is afgelost op het bankkrediet.’
54.Zie r.o. 2.17 van de Hofuitspraak.
55.Zie r.o. 4.6 van de Hofuitspraak.
56.Zie r.o. 2.15 van de Hofuitspraak.
57.Zie p. 11 van het beroepschrift in cassatie van belanghebbende.
58.Zie 4.17.
59.Zie p. 4 – 5 van het verweerschrift bij het Hof.
60.Opgemerkt zij dat ook de Rechtbank de in dit middel aangedragen stellingname van belanghebbende niet aannemelijk heeft geacht. In r.o. 4.6.4 van haar uitspraak overwoog de Rechtbank: ‘Belanghebbende heeft nog verwezen naar de (…) claim op [H] waarmee de belastingschulden betaald hadden kunnen worden, maar naar het oordeel van de rechtbank is het realiteitsgehalte daarvan niet aannemelijk geworden; anders is niet begrijpelijk dat de curator uiteindelijk genoegen heeft genomen met een betaling van € 120.000.’
61.Zie 4.14.
62.Zie p. 13 van het beroepschrift in cassatie van belanghebbende.
63.Zie 4.14.
64.Noot A-G: zie 4.8.
65.Zie ook 4.8, 4.15, 4.16, 4.32 en 4.35.
66.Belanghebbende lijkt blijkens zijn hoger beroepschrift (zie grief III op p. 9) wel deze opvatting te zijn toegedaan.
67.Zie grief III op p. 9 van het hoger beroepschrift. Daar staat onder meer: ‘Indien en voor zover [belanghebbende] al wel aansprakelijk zou kunnen worden gesteld (quod non), dan is het nog ten onrechte, dat hij alleen wordt aangesproken en niet tegelijk met hem al de anderen. Het is van de fiscus en de rechtbank bepaald kort door de bocht om te overwegen, dat er nu eenmaal sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid en daarmee uit. Ook al zou dat formeel juist zijn, dan verzetten nog de redelijkheid en billijkheid zich ertegen, om [belanghebbende] alleen aan te spreken. De achterliggende gedachte, dat [belanghebbende] dan maar op de anderen zijn regresrecht moet gaan uitoefenen, is te kort door de bocht. (…) Het niet aanspreken van ook de andere betrokkenen (aandeelhouders en feitelijke regelaars) is zelfs zo fundamenteel onjuist, dat daardoor het gehele besluit en de gehele aanslag van de ontvanger als onjuist dient te worden aangemerkt. (…).’
68.Vgl. p. 8 – 9 van het verweerschrift van de Staatssecretaris.
69.Zie p. 9 van het verweerschrift van de Staatssecretaris.
70.Zie p. 1 van het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris.
71.Zie 4.27.
72.Zie 4.28, 4.33 en 4.34.
73.Zie r.o. 1.1 van de Hofuitspraak.
74.Zie r.o. 2.18 van de Hofuitspraak.
75.Zie bijlage 1 bij de beschikking aansprakelijkstelling van 5 september 2011.
76.Zie 4.25. Zie ook 4.31.
77.Meer in het bijzonder gaat het voor de loonheffing over het tijdvak dat liep van 8 september 2008 t/m 5 oktober 2008 (tijdvak september 2008) en het tijdvak dat liep van 6 oktober 2008 t/m 2 november 2008 (tijdvak oktober 20058). Zie r.o. 2.18 van de Hofuitspraak.
78.Zie r.o. 4.13 van de Hofuitspraak.
79.Zie r.o. 2.14 van de Hofuitspraak.
80.’s Hofs oordeel heeft ook betrekking op de invorderingskosten (zie r.o. 4.13, eerste volzin van de Hofuitspraak). Daartegen worden in cassatie echter geen middelen aangevoerd.
81.Zie ook r.o. 4.12 van de Hofuitspraak en de behandeling van het eerste middel van de Staatssecretaris.
82.Zie 4.28, 4.33 en 4.34.
83.Zie 6.6.
84.Zie 4.6.
85.Zie 4.29.