Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Wet- en regelgeving, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Wet- en regelgeving
acta jure imperii).
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende, een in 2004 opgerichte Curaçaose NV, trad in 2015 na liquidatie op grond van een gebrek aan baten naar Curaçaos recht op als opgehouden te bestaan. De Nederlandse Inspecteur legde belastingaanslagen en informatiebeschikkingen op, waarna bezwaar en beroep werden ingesteld. De Rechtbank en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelden dat belanghebbende naar Curaçaos recht was opgehouden te bestaan en vernietigden de informatiebeschikkingen omdat deze niet aan een niet-bestaande rechtspersoon kunnen worden opgelegd.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte zelf oordeelde over het bestaan van belanghebbende en dat dit oordeel moest worden afgewacht van de bevoegde Curaçaose civiele rechter. Ook stelde hij dat het Hof onjuist had geoordeeld dat de vereffenaar terstond kon vaststellen dat geen baten meer aanwezig waren, en dat de informatiebeschikkingen niet vernietigd hadden mogen worden.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat de Nederlandse belastingrechter wel bevoegd is om over het voortbestaan te oordelen en dat het Hof terecht heeft vastgesteld dat belanghebbende naar Curaçaos recht was opgehouden te bestaan. Ook oordeelde hij dat de bezwaren tegen de informatiebeschikkingen ontvankelijk waren omdat voormalige vereffenaars en aandeelhouders namens belanghebbende bezwaar mochten maken. De informatiebeschikkingen zijn vernietigd omdat belanghebbende niet meer tot nakoming van haar informatieplicht in staat was. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de vernietiging van de informatiebeschikkingen blijft in stand.