Conclusie
4.Het eerste middel
4.2 Letsel door politieoptreden
188. De medische stukken ter onderbouwing van dit letsel zijn door ons aan Uw hof verstrekt. Voor de volledigheid heeft de verdediging nog een overzicht van deze stukken opgenomen:
"Over het letsel aan de hand van [verdachte] heeft hij verteld en laten zien. Dat was de volgende dag. Zijn had was rood en dik, kapot. De foto van de hand van [verdachte] is genomen toen [verdachte] thuis kwam. Ik heb die genomen."
(AEH: afbeelding niet overgenomen)
aanleggen van de handboeienonder andere het volgende gerelateerd:
“De politiefunctionarissen hebben gekozen voor de “verticale manier” van het boeien en hierdoor meer geweld gebruikt dan noodzakelijk was. Dit heeft bij [verdachte] veel pijn veroorzaakt en heeft ook geleid tot langdurig letsel aan beide polsen/handen.”
transporthebben Rooijakker en Koolstra het volgende geconcludeerd:
Conclusie: De betrokken verbalisanten hebben in onderhavige zaak zich niet gehouden aan de algemene uitgangspunten in het kader van politieoptreden en disproportioneel geweld toegepast in strijd met de RGTP, de Ambtsinstructie en de Politiewet, waardoor [verdachte] letsel heeft opgelopen aan zijn linkerhand. Maar liefst 4 IBT-deskundigen tonen dit aan. Daarnaast heeft [verdachte] door het lekken van onjuiste informatie over drugsgebruik door de politieorganisatie reputatieschade ondervonden.
Conclusie: In casu is er sprake van letsel, zelfs (zoals het er nu voor staat) blijvend letsel, dat is ontstaan door schending van de lichamelijke integriteit van [verdachte] door het toepassen van dwangmiddelen door de betrokken verbalisanten. Dit letsel komt, zoals ook uit aangehaalde arrest van de Hoge Raad blijkt, in aanmerking voor compensatie. Derhalve verzoeken wij Uw hof hier rekening mee te houden in de straftoemeting.”
NJ2004/376, m.nt. Buruma dat het hof enerzijds oordeelt dat het letsel niet aantoonbaar zou zijn veroorzaakt door excessief politiegeweld, maar dat het dit letsel anderzijds wel in strafmatigende zin meeweegt. Dit brengt mee dat het hof niet alleen is uitgegaan dát de verdachte door de aanhouding letsel heeft bekomen, maar ook dat dit kennelijk strafvermindering tot gevolg heeft, zonder daarbij aan te geven op welke gronden en in hoeverre deze strafmatiging wordt toegepast.
NJ2021/129, m.nt. Reijntjes. In deze zaak lag volgens de Hoge Raad “als het oordeel van het Hof besloten dat naar zijn – niet onbegrijpelijke – inzicht sprake was van een dynamische en potentieel risicovolle situatie waarin gelet op het eerder, ook na het lossen van een waarschuwingsschot, negeren van bevelen door de verdachte en de onzekerheid over het dragen van een (zwaar) vuurwapen door de verdachte het door DSI06 toegepaste geweld noodzakelijk was om de aanhouding van de verdachte te voltooien”. Het hof heeft voorts geoordeeld dat het toegepaste geweld onder deze omstandigheden niet disproportioneel was, ook al moet de inzet van de politiehond als een minder verstrekkend geweldsmiddel worden beschouwd dan het mogelijke daadwerkelijke gebruik van het dienstwapen tegen de verdachte.
NJ2004/376, m.nt. Buruma ziet op het besluit van de rechter tot strafvermindering indien sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv. Dit geval doet zich in de onderhavige zaak niet voor, nu het hof heeft geoordeeld dat van een dergelijk vormverzuim geen sprake was. Dit brengt mee dat het hof niet verplicht was te motiveren of is voldaan aan de factoren van art. 359a Sv.
5.Het tweede middel
tweede middelbehelst de klacht dat het bestreden arrest innerlijk tegenstrijdig is ter zake het door het hof niet bewezen geachte feit onder 2 primair tenlastegelegde enerzijds (de schennis van de eerbaarheid) en het bewezenverklaarde onder 2 subsidiair anderzijds (de belediging), zodat het bestreden arrest niet in stand kan blijven.
verklaring van [verbalisant 1], zakelijk weergegeven:
relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:
NJ1971/374 m.nt. Bronkhorst heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voldoende is dat de verdachte op een voor het publiek toegankelijke plaats willens en wetens een onder de gegeven omstandigheden voor het normaal schaamtegevoel kwetsende handeling verricht. Voorwaardelijk opzet volstaat aldus. Wat betreft het voor belediging vereiste opzet geldt het volgende. Art. 266 lid 1 Sr Pro jo. art. 267 onder Pro 2 Sr vereist dat het opzet van de verdachte gericht is op de aanranding van de eer en goede naam van een individuele politieambtenaar. [7]
6.Het derde middel
derde middelbehelst de klacht dat het hof – zonder dat het in het bijzonder de redenen daartoe heeft opgegeven – is afgeweken van het namens de verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende dat ten aanzien van feit 1 de processen-verbaal van de politie als onbetrouwbaar dienen te worden geoordeeld.
verklaring van [verbalisant 3], zakelijk weergegeven:
relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:
relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:
Ik heb de hoofdbeweging gezien op de beelden.
Ten aanzien van feit 1 merkt de militaire kamer op dat op de beelden in het dossier zichtbaar is dat verdachte, terwijl hij met zijn rug naar de politiemensen staat, omkijkt naar verbalisant [verbalisant 3] , vervolgens weer voor zich kijkt en vrijwel direct daarna met kracht een snelle hoofdbeweging naar achteren maakt in de richting van het hoof van verbalisant [verbalisant 3] .”
Conclusie: De onregelmatigheden zijn niet zozeer ieder voor zich, maar zeker in combinatie en onderling verband als dusdanig structureel te achten dat ernstig moet worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de inhoud daarvan indachtig r.o. 3.6.4 van het Afvoerpijparrest. Bovendien illustreren deze onregelmatigheden duidelijk de intentie van de verbalisanten om tot om te komen tot een zo zwaar mogelijke verdenking tegen [verdachte] . Gelet op deze twee factoren is de conclusie gerechtvaardigd dat deze processen-verbaal buiten beschouwing moeten worden gelaten voor de bewijsvoering.
Ten eersteis deze aangifte gedaan tegen een onbekende dader (Nn1). De naam " [verdachte] " wordt niet genoemd.
Ten tweedeworden er geen feiten of omstandigheden gegeven. Onbekend waar en op welke wijze de aangever is mishandeld of waaruit het pijn en/of het letsel bestond. De summier informatie die is opgenomen, zoals kopstoot, slaan en schoppen is ook nog eens onjuist.
Ten derdeverwijst de aangever naar een afzonderlijk proces-verbaal van bevindingen met nummer 2019044993. Dit is een volstrekt onaannemelijke gang van zaken, omdat een proces-verbaal van bevindingen onder dat nummer dan nog niet bestaat. De verbalisant verwijst dus naar een toekomstig proces-verbaal. Er wordt uiteindelijk wel een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] onder dat nummer maar dat is pas later.
Conclusie:Uw Hof heeft thans kunnen constateren dat naast de reeds genoemde vijf onregelmatigheden in de processen-verbaal, ook ten aanzien van feit 1 sprake is van processen-verbaal die volstrekt de toets der betrouwbaarheid niet kunnen doorstaan. Om deze reden verzoeken wij Uw Hof om al deze processen-verbaal buiten beschouwing te laten en reeds hierom te komen tot vrijspraak.