Conclusie
eiser tot cassatie
adv.: mr. J.H.M. van Swaaij
adv.: mr. B.I. Kraaipoel
de SOLB-overeenkomst) tussen ING Lease en de failliet.
1.Feiten en procesverloop
Rasenberg Vastgoed) is op 16 oktober 2008 eigenaar geworden van een onroerende zaak, gelegen in [plaats] aan de [a-straat 1] . Het betreft een terrein met twee bedrijfshallen, een kantorengebouw en parkeerplaatsen. Rasenberg Vastgoed heeft de opstallen vervangen door een nieuw kantoorgebouw.
“Koopovereenkomst”(waarbij ING Lease de “economische eigendom” van het bedrijfspand c.a. koopt voor een bedrag van € 3.000.000,-) en een deel II met als titel
“Lease-overeenkomst”(betreffende de lease van het bedrijfspand c.a.). De definitie van
“Koopovereenkomst”luidt:
“de verkoop en koop van het Verkochte als neergelegd in hoofdstuk I van de SOLB-overeenkomst”. De definitie van
“Lease-overeenkomst”luidt:
“de operationele lease van het Object [5] als neergelegd in hoofdstuk II van de SOLB-overeenkomst”. De definitie van
“Verkochte”luidt:
“de economische gerechtigdheid tot het Registergoed, in de zin dat het volledige risico, waaronder het risico van waardeverandering, alsmede alle baten en lasten, groot en klein onderhoud en aansprakelijkheid jegens derden, voor rekening van Koper komen”.
Algemene Bepalingen) luidt voor zover van belang:
- a) de contante waarde van de t/m het einde van de leasetermijn van 15 jaar nog te vervallen termijnen: plus
- b) eventuele vervallen maar nog niet betaalde termijnen: plus
- c) de rente over eventuele achterstallige termijnen: plus
- d) het contant gemaakte bedrag waartegen de Gebruiker de economische eigendom van het Object aan het eind van het 15e leasejaar zou kunnen kopen: plus
- e) alle aan de afwikkeling van de overeenkomst en de levering als hiervoor bedoeld verbonden kosten.
- De contante waarde als sub (a) en (d) bedoeld wordt berekend tegen het laagste van de volgende twee percentages: (i) het percentage gelijk aan de oorspronkelijke fundingrente te verminderen met een afslag van 0.50% of (ii) het percentage gelijk aan de op de datum van levering geldende fundingrente behorend bij de resterende looptijd tot het eind van het 15e leasejaar te verminderen met 0.50%.
“indiening vordering - betreft faillissement Rasenberg Vastgoed BV”, heeft ING Lease een vordering ter verificatie ingediend. [8] De brief bevat onder meer de volgende tekst:
leaseovereenkomstopgezegd ex art. 39 Fw Pro tegen 5 april 2015. Zij maakt uit dien hoofde aanspraak op betaling van de tot en met 5 april 2015 verschenen en onbetaald gebleven leasetermijnen (€ 281.867,60), een boete van € 30.750,46, en verzekeringspremies ad € 10.532,89. De
koopovereenkomstis door ING Lease op 17 april 2015 ontbonden. Uit dien hoofde maakt ING Lease aanspraak op primair terugbetaling van de koopsom van € 3.000.000,- (met rente), subsidiair vervangende schadevergoeding ad € 1.225.000,- wegens niet nakoming van de verplichting tot levering van de juridische eigendom. Zowel de primaire vordering ad in totaal € 3.323.150,94 als de subsidiaire vordering is hoger dan de opbrengst van de executoriale verkoop, zodat het restant van die opbrengst aan ING Lease toekomt. [21]
Primairheeft ING Lease bij brief van 12 februari 2014 aan de curatoren, zoals zij die mochten begrijpen, de
geheleSOLB-overeenkomst opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden conform art. 39 Fw Pro. Het aldus op regelmatige wijze beëindigen van de – ondeelbare – SOLB-overeenkomst brengt mee dat ING Lease geen nakoming van enige bepaling van die overeenkomst, noch ontbinding, noch schadevergoeding kan verlangen.
Subsidiairbrengt een opzegging op de grond van art. 39 Fw Pro mee dat slechts aanspraak kan worden gemaakt op betaling van de lease(huur)termijnen tot aan het tijdstip van regelmatige beëindiging van de overeenkomst. Dit kan niet worden ontgaan door een contractueel beding, zoals in casu een overdrachtsbeding.
Meer subsidiairis het overdrachtsbeding in de SOLB-overeenkomst, al dan niet in combinatie met het hypotheekrecht, in strijd met het fiduciaverbod (art. 3:84 lid 3 BW Pro), het verbod van toe-eigening (art. 3:235 BW Pro) en het beginsel van de paritas creditorum. Ook betwisten de curatoren de hoogte van de vordering van ING Lease. Na de erkenning van de verschuldigdheid van € 91.231,32 en de uitbetaling daarvan heeft ING Lease niets meer te vorderen, zodat het restant van de executieopbrengst toekomt aan de curatoren. [22]
2.Juridisch kader
financial leasestaat de financiering van het leaseobject centraal. De lessor financiert het leaseobject en stelt de lessee in staat dit te gebruiken. De lessee betaalt het door de lessor geïnvesteerde bedrag, vermeerderd met rente, kosten en winst, gedurende de looptijd van de leaseovereenkomst in termijnen terug. [33] Vaak is een koopoptie opgenomen aan het einde van de looptijd. Het economisch risico van het leaseobject berust bij de lessee. De lessor kan als zekerheid voor de terugbetaling van zijn investering de eigendom op het leaseobject behouden of verkrijgen, maar ook bijvoorbeeld een pandrecht bedingen (‘pandlease’). [34]
operational leasestaat niet de financiering, maar het gebruik van het leaseobject centraal. De lessor draagt het economisch risico van het leaseobject; waardevermindering van het lease-object bij beëindiging van de leaseperiode komt voor rekening van de lessor (eventuele waardestijging komt ook hem toe). [35] Bij operational lease wordt eigendomsoverdracht in beginsel niet beoogd. Na de leasetermijn wordt het leaseobject teruggebracht naar de lessor. Ook is het mogelijk dat de lessee na het einde van de leasetermijn het leaseobject koopt voor de normale prijs (de waarde van het leaseobject op dat moment). [36]
Keereweer q.q./Sogelease [40] werd door uw Raad niet in strijd met art. 3:84 lid 3 BW Pro geacht. Uw Raad overwoog dat geen sprake is van een schending van art. 3:84 lid 3 BW Pro indien de rechtshandeling van partijen tot ‘werkelijke overdracht’ strekt, en derhalve de strekking heeft het goed zonder beperking op de verkrijger te doen overgaan (en deze aldus meer te verschaffen dan enkel een recht op het goed, dat hem in zijn belang als schuldeiser beschermt). Bij de uitleg van de sale and lease back overeenkomst gaat het om de uitleg van de obligatoire overeenkomst die aan de overdracht ten grondslag ligt, waarbij de Haviltex-maatstaf moet worden toegepast. Daarbij mag betekenis worden gehecht aan de waarde van de zaken in kwestie: een wanverhouding tussen de hoogte van de vordering van de lessor en de waarde van het overgedragen object kan bijdragen tot het oordeel dat partijen niet een 'werkelijke overdracht' hebben beoogd. [41]
). [43]
de oude huurkoop-regeling) van toepassing. [47] In art. 7A:1576h lid 1 BW (oud) was huurkoop (als een vorm van koop op afbetaling) als volgt gedefinieerd:
Aukema q.q./Uni-Invest [63] heeft uw Raad geoordeeld dat, indien een huurovereenkomst met toepassing van art. 39 Fw Pro is opgezegd, de verhuurder geen recht heeft op schadevergoeding wegens gemis van de (na de opzeggingsperiode) verschuldigde huur, ook niet indien deze schadevergoeding contractueel is bedongen. Deze beslissing is daarop gebaseerd dat art. 39 Fw Pro, blijkens de totstandkomingsgeschiedenis daarvan, berust op een afweging van enerzijds het belang van de boedel tot voorkoming van het oplopen van schulden ter zake van niet langer gewenste huurverhoudingen, en anderzijds het belang van de verhuurder bij betaling van de huurprijs. Het resultaat van deze afweging, dat is neergelegd in art. 39 Fw Pro, kan niet worden ontgaan door een andersluidend beding, aldus uw Raad.
TEP/Curatoren Autodrôme [64] heeft uw Raad beslist dat deze regel ook van toepassing is op een huurovereenkomst die is aangegaan als onderdeel van een sale and lease backtransactie.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.6-3.7 dat de eiswijziging van ING Lease in hoger beroep toelaatbaar is.
Onderdeel 2keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.10 dat de SOLB-overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een gedeelte huur en een gedeelte koop/financiering.
Onderdeel 3ziet (met name) op het oordeel van het hof dat ING Lease een schadevergoedingsvordering heeft op grond van art. 13.6 Algemene Bepalingen, en dat ING Lease (in het kader van de afwikkeling van het gedeelte koop/financiering) een beroep op deze bepaling kan doen (rov. 3.16).
Onderdeel 4richt zich (met name) tegen het oordeel van het hof in rov. 3.14-3.15 dat ING Lease de SOLB-overeenkomst heeft beëindigd conform de daarvoor geldende regeling.
Onderdeel 5is een algemene voortbouwklacht en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
restwaarde einde contract” € 2,4 miljoen was per faillissementsdatum en dat “
alle verstrekte kredieten” zijn geëindigd (onder verwijzing naar de algemene bepalingen). In de brief van 17 april 2015 heeft ING Lease verklaard “
de SOLB wat betreft de sale overeenkomst” te ontbinden. ING Lease heeft in de brief van 17 april 2015 ook “
achterstand termijnen” genoemd als onderdeel van haar vordering. ING Lease heeft de ontbinding en niet nakoming genoemd in haar akte aanmelding vordering van 8 februari 2016. De mondelinge behandeling met verwijzing naar de renvooiprocedure heeft plaatsgevonden op 19 april 2016. ING Lease is in de eis tot verificatie ingegaan op de ontbinding en schadevergoeding wegens niet nakoming van het overdrachtsbeding. ING Lease heeft de grondslag van haar vorderingen, mede als reactie op standpunten van curatoren, in de renvooiprocedure nader uitgewerkt. Deze handelwijze is geoorloofd. Uit de hiervoor aangehaalde wetsartikelen volgt geen andere regel.
subonderdelen 1.1 en 1.2voeren - kort gezegd - aan dat het hof met zijn oordeel dat de eiswijziging van ING Lease is toegestaan, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, dan wel dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Volgens
subonderdeel 1.3heeft het hof met dit oordeel miskend dat een eiswijziging, zoals een grondslagvermeerdering, niet is toegestaan in een renvooiprocedure.
Subonderdeel 1.4bestempelt het oordeel van het hof dat ING Lease “van meet af aan dezelfde vorderingen naar voren brengt” als onbegrijpelijk in het licht van het partijdebat.
Subonderdeel 1.5is een voortbouwklacht.
subonderdelen 1.1 t/m 1.5af.
koop/financiering. Ook wordt een (voortbouwende) klacht gericht tegen rov. 3.9. De bestreden overwegingen luiden als volgt:
in de eerste plaatsaan dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.10, dat de SOLB-overeenkomst uiteenvalt in onder meer
“een gedeelte koop/financiering”, in strijd met art. 24 Rv Pro buiten de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd is getreden. ING Lease heeft namelijk niet gesteld dat de SOLB-overeenkomst uiteenvalt in onder meer
“een gedeelte koop/financiering”, maar heeft gesteld dat de SOLB-overeenkomst uiteen valt in twee aparte delen, namelijk een koopovereenkomst (deel I van de SOLB-overeenkomst) en een leaseovereenkomst (deel II van de SOLB-overeenkomst), en dat de leaseovereenkomst moet worden gekwalificeerd als huurkoop. [76] Als gevolg daarvan is volgens het subonderdeel ook de vaststelling van het standpunt van ING Lease door het hof in rov. 3.9 onbegrijpelijk.
in de eerste plaatsaan dat, indien dit oordeel begrepen moet worden als een honorering van de stelling van ING Lease dat de leaseovereenkomst (deel II van de SOLB-overeenkomst) gekwalificeerd moet worden als
huurkoop, [77] het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op de door de curatoren betrokken essentiële stellingen dat van huurkoop geen sprake is, althans dat art. 39 Fw Pro (en de jurisprudentie van de Hoge Raad daarover) ook van toepassing is bij huurkoop. [78]
verbruiklening(Titel 14 van Boek 7A BW), dan is dit oordeel onjuist, omdat de schuld bij de overeenkomst uitgedrukt moet zijn (art. 7A:1793 BW) en de hoegrootheid van een bedongen rente in geschrift bepaald moet zijn (art. 7A:1804 BW).
derde klachthoudt in dat het oordeel van het hof onjuist is, indien dit zo begrepen moet worden dat de leaseovereenkomst (deel II van de SOLB-overeenkomst) gekwalificeerd moet worden als financiering in de zin van
geldlening(Titel 2C van Boek 7 BW). Titel 2C van Boek 7 BW is immers pas op 1 januari 2017 in werking getreden.
Vredo/Veenhuis [79] heeft miskend. Het oordeel is dan namelijk niet zodanig gemotiveerd, dat het voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Althans is ontoelaatbaar onduidelijk en derhalve onbegrijpelijk:
koop/financiering,en
koop/financiering,aangezien dit geen in de wet benoemde overeenkomst is (anders dan bijvoorbeeld koop, huur, huurkoop of verbruiklening).
ten minste € 2.400.000,-bedraagt, althans een zodanig bedrag dat ING Lease daarvoor op de gehele opbrengst [van € 1.058.768,68,
toev. A-G] batig gerangschikt dient te worden.
gebruikscomponent(een vergoeding voor het gebruik van het bedrijfspand), en een
aflossingscomponent, die is bedoeld om de economische eigendom mee terug te kopen van ING Lease. De bedragen waartegen Rasenberg Vastgoed gebruik kan maken van de koopoptie dalen als gevolg van de maandelijkse aflossingen, zodat sprake is van huurkoop, aldus ING Lease. [83]
grief 1heeft ING Lease aangevoerd dat de rechtbank in rov. 4.26 ten onrechte heeft geoordeeld dat géén van de vorderingen die ING Lease in het kader van de rangregeling aan de rechtbank heeft voorgelegd, voor erkenning in aanmerking komen. In de toelichting op deze grief heeft ING Lease aangegeven dat zij de gehele omvang van het geschil in hoger beroep opnieuw aan de rechter wenst voor te leggen, omdat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste kwalificatie van de SOLB-overeenkomst en de rechtsgevolgen die daaruit voortvloeien. Met
grief 5heeft ING Lease zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.15, dat de leaserelatie moet worden geduid als “huur van bedrijfsruimte”.
operationallease, en niet van
financiallease, alsmede dat de SOLB-overeenkomst niet de strekking heeft om eigendomsoverdracht te bewerkstelligen. [85] Ook hebben de curatoren betwist dat de leasetermijnen bestaan uit een gebruikscomponent en een aflossingscomponent. Volgens de curatoren is sprake van één huurprijs. [86] Omdat sprake is van huur, kan de verhuurder volgens de curatoren na het eindigen van de huurovereenkomst op grond van art. 39 Fw Pro slechts aanspraak maken op betaling van de huur na datum faillissement tot aan het regelmatig eindigen van de huurovereenkomst. Dit kan niet worden ontgaan door een andersluidend beding. Het beding dat Rasenberg Vastgoed de juridische eigendom moet overdragen kan daarom niet leiden tot een verifieerbare vordering, aldus de curatoren. [87] Zij stellen zich op het standpunt dat de SOLB-overeenkomst, gelet op haar aard en strekking, geheel als huurovereenkomst moet worden gekwalificeerd. [88]
aflossingscomponenten een
gebruikscomponent. [89] Kennelijk moet, naar het oordeel van het hof, de koop van de “economische eigendom” in combinatie met de terugkoop daarvan door middel van de aflossingscomponent uit de leasetermijnen worden gekwalificeerd als koop/financiering, en het gebruik van het bedrijfspand met de daarvoor te betalen gebruikscomponent uit de leasetermijnen als huur. In ieder geval kan de SOLB-overeenkomst volgens het hof niet geheel als huurovereenkomst worden gekwalificeerd.
eerste drie klachtenuit
subonderdeel 2.2falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Deze klachten zijn immers gebaseerd op de lezing dat het hof bij de kwalificatie van de SOLB-overeenkomst onderscheid heeft gemaakt tussen de koopovereenkomst (deel I SOLB-overeenkomst) en de leaseovereenkomst (deel II SOLB-overeenkomst). Het hof heeft echter niet geoordeeld dat de leaseovereenkomst (deel II van de SOLB-overeenkomst) moet worden gekwalificeerd als huurkoop, verbruiklening dan wel geldlening, maar heeft geoordeeld dat de SOLB-overeenkomst gedeeltelijk - voor zover het de koop van de economische eigendom en de aflossingscomponent uit de leasetermijnen betreft - moet worden gekwalificeerd als
“koop/financiering”(en dus in ieder geval niet als huur).
tweede klachtuit
subonderdeel 2.1faalt.
eerste klachtuit
subonderdeel 2.1faalt.
nietals huurovereenkomst kan worden gekwalificeerd, zodat de jurisprudentie van uw Raad over art. 39 Fw Pro voor de afwikkeling van
dat gedeelteniet relevant is. Dit oordeel acht ik niet onvoldoende gemotiveerd.
laatste klachtuit
subonderdeel 2.2faalt.
subonderdeel 2.3eveneens.
subonderdeel 3.2is het door subonderdeel 3.1 bestreden oordeel van het hof tevens onjuist, omdat het hof miskent dat eerst beoordeeld moet worden welke verbintenissen partijen zijn overeengekomen (uitleg) en dat vervolgens pas beoordeeld moet worden of deze verbintenissen de kenmerken hebben van een in de wet benoemde overeenkomst (kwalificatie). [96] Althansis volgens het subonderdeel ontoelaatbaar onduidelijk op welke verbintenis de schadevergoedingsvordering zou berusten, althans op grond van welke (door Rasenberg Vastgoed niet nagekomen) verbintenis de door ING Lease geleden schade begroot zou zijn, en waarom deze verbintenis zou ontstaan uit het gedeelte van de SOLB-overeenkomst dat als koop/financiering gekwalificeerd moet worden. Daartoe voert het subonderdeel – samengevat - aan dat:
ING Bankeen geldleningsovereenkomst bestond, op grond waarvan ING Bank aan Rasenberg Vastgoed een krediet van € 3.000.000,- heeft verstrekt (verbruikleningsovereenkomst ex art. 7A:1791 BW (oud) of art. 7:129 BW Pro), waarvan de verbintenissen door wederzijdse nakoming ervan teniet zijn gegaan;
ING Leaseen Rasenberg Vastgoed vervolgens de SOLB-overeenkomst hebben gesloten, die bestaat uit twee afzonderlijke wederkerige overeenkomsten: een koopovereenkomst en een huurovereenkomst;
financieringen dat de schadevergoedingsvordering voortvloeit uit het gedeelte van de SOLB-overeenkomst dat als koop/financiering moet worden gekwalificeerd.
rechtsklachtuit subonderdeel 3.2 faalt, omdat het hof niet heeft miskend dat eerst door middel van uitleg van de overeenkomst moet worden beoordeeld welke verbintenissen partijen zijn overeengekomen, en dat pas daarna moet worden beoordeeld of deze verbintenissen de kenmerken hebben van een in de wet benoemde overeenkomst. Hof heeft immers in rov. 3.10 (door middel van uitleg) beoordeeld welke verbintenissen op grond van de SOLB-overeenkomst op partijen rusten en op grond daarvan de SOLB-overeenkomst gekwalificeerd als een gedeelte huur en een gedeelte koop/financiering. Vervolgens heeft het hof in rov. 3.13 e.v. beoordeeld hoe de SOLB-overeenkomst na het faillissement van Rasenberg Vastgoed moet worden
afgewikkeld.
motiveringsklachtuit subonderdeel 3.2 kan niet tot cassatie leiden, omdat deze klacht is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat het hof heeft geoordeeld dat de leaseovereenkomst (deel II van de SOLB-overeenkomst) geheel moet worden gekwalificeerd als huurovereenkomst. Bovendien verwijst het subonderdeel niet naar vindplaatsen waaruit volgt dat de curatoren in feitelijke instanties hebben aangevoerd dat de verbintenissen uit de koopovereenkomst door wederzijdse nakoming teniet zijn gegaan, zodat de klacht in zoverre feitelijke grondslag mist.
ING Banken Rasenberg Vastgoed, zodat onjuist en/of onbegrijpelijk is dat, en zo ja, waarom een gedeelte van de SOLB-overeenkomst dan toch gekwalificeerd zou moeten worden als financiering of koop/financiering.
voortbouwklachtuit
subonderdeel 3.4.
ten eersteaan dat de rechtbank in rov. 4.9 van het vonnis ‘ongegriefd’ heeft geoordeeld dat art. 13.1 Algemene Bepalingen spreekt over beëindiging van de
leaseovereenkomst, en niet van de hele SOLB-overeenkomst, en dat mede hierom de slotsom is dat de leaseovereenkomst is beëindigd tegen 20 mei 2014, en niet de hele SOLB-overeenkomst. Art. 13 Algemene Pro Bepalingen kan daarom slechts leiden tot het eindigen van de leaseovereenkomst, en niet tot het eindigen van de hele SOLB-overeenkomst (of het gedeelte ervan dat gekwalificeerd moet worden als koop/financiering). De SOLB-overeenkomst bevat geen beding op grond waarvan de
koopovereenkomsttussentijds beëindigd zou kunnen worden en dat ING Lease recht geeft op schadevergoeding als gevolg van deze tussentijdse beëindiging van de koopovereenkomst.
subonderdeel 4.2is het in rov. 3.13-3.16 tot uitdrukking gebrachte oordeel van het hof, dat de schadevergoedingsvordering van art. 13.6 Algemene Bepalingen ontstaat uit het gedeelte van de SOLB-overeenkomst dat gekwalificeerd moet worden als koop/financiering, onjuist en/of onbegrijpelijk. Art. 13 Algemene Pro Bepalingen kan slechts leiden tot beëindiging van de leaseovereenkomst, terwijl de rechtbank geoordeeld heeft dat deze leaseovereenkomst gekwalificeerd moet worden als huur van bedrijfsruimte. [97] Dit brengt mee dat de brief van 12 februari 2014 alleen op grond van art. 39 Fw Pro kon leiden tot beëindiging van de huurovereenkomst.
door de constructie van de SOLB-overeenkomst heen gekeken, en vervolgens geoordeeld dat de SOLB-overeenkomst gedeeltelijk moet worden gekwalificeerd als koop/financiering en gedeeltelijk als huur. Subonderdeel 4.1 mist voorts feitelijke grondslag waar het stelt dat de koopovereenkomst door wederzijdse nakoming is geëindigd.
grief 1heeft ING Lease gesteld dat zij de gehele omvang van het geschil in hoger beroep opnieuw aan de rechter wenst voor te leggen, omdat de rechtbank (in navolging van partijen) is uitgegaan van een onjuiste kwalificatie van de SOLB-overeenkomst en de gevolgen die daaruit voortvloeien.
subonderdelen 4.1 en 4.2falen
voortbouwklachtuit
subonderdeel 4.3eveneens.