Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
Strafbaarheid van de verdachte
Wettelijke omschrijving
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, wegens zware mishandeling van een buurman met een stalen pijp. De mishandeling volgde op een woordenwisseling en duw- en trekwerk tussen de vader van de verdachte en de aangever. Het hof verwierp het beroep op noodweerexces omdat het handelen van de verdachte niet noodzakelijk was ter verdediging van zijn vader en als aanvallend werd aangemerkt.
In cassatie stelde de verdachte dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het beroep op noodweerexces werd verworpen. De Advocaat-Generaal (AG) stelde dat het oordeel van het hof begrijpelijk was en wees op de wettelijke criteria voor noodweerexces, waaronder de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. Het hof had geoordeeld dat de verdachte zich had kunnen onttrekken aan de situatie en dat het handelen niet als verdediging maar als aanval moest worden gezien.
Daarnaast klaagde de verdachte over overschrijding van de inzendtermijn van stukken in cassatie, wat een schending van het recht op een redelijke termijn opleverde. De AG adviseerde daarom vernietiging van het arrest voor zover het de strafoplegging betreft en vermindering van de straf. De Hoge Raad volgde dit advies, verwierp het beroep op noodweerexces en beperkte de strafvermindering tot de overschrijding van de inzendtermijn.
Uitkomst: Het beroep op noodweerexces wordt verworpen; het arrest wordt vernietigd voor de strafoplegging en de straf wordt verminderd wegens overschrijding inzendtermijn.