Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn advocaat;
- de broer via een videobelverbinding;
- de bewindvoerder, bijgestaan door haar advocaat.
“Voor mijn eigen boodschappen gebruik ik alleen contante geld! Dat doe ik ook voor [rechthebbende]. Haar boodschappen is een onderdeel van mijn eigen boodschappen. Zo zal het blijven.”Deze boodschap herhaalt de broer in zijn e-mails aan de bewindvoerder van 14 en 17 januari 2020. Ook de advocaat van verzoeker heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de broer, als hij boodschappen doet, deze voor zichzelf en rechthebbende doet en dat de broer de door de bewindvoerder gevraagde afzonderlijke rekening te bewerkelijk vindt. Anders dan de broer meent, dient een bewindvoerder, naast inzicht in het vermogen van rechthebbende, ook inzicht te hebben in de besteding door rechthebbende of de broer namens haar van haar huidige wekelijkse leefgeld. Teneinde dat inzicht te verkrijgen, heeft de bewindvoerder de broer verzocht de uitgaven ten behoeve van rechthebbende met behulp van haar pinpas te doen in plaats van het leefgeld contant op te nemen. De broer heeft dit echter geweigerd. Ook overigens wenst de broer de bewindvoerder geen volledige inzage in de besteding van het leefgeld van rechthebbende te verstrekken, zo is ter zitting in hoger beroep gebleken. Daarmee is naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken dat de broer in staat zal zijn tot het bijhouden van een nauwkeurige administratie, nodig voor het doen van rekening en verantwoording op de daartoe voorgeschreven wijze en acht het hof de broer niet geschikt als bewindvoerder.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
"Ik begrijp ook wel dat er verantwoording moet worden afgelegd, en daarom bewaar ik ook de bonnetjes". Deze mededeling staat haaks op het oordeel van het Hof dat de broer te kennen heeft gegeven, ook ter zitting in hoger beroep, dat hij geen verantwoording wil afleggen, niet digitaal en niet met bonnetjes. Dit oordeel verdraagt zich ook niet met uitlatingen van de bewindvoerder dat de broer wel degelijk bonnetjes inlevert. [7] Zie ook de uitlatingen van de advocaat van verzoeker over de bereidheid van de broer tot het afleggen van rekening en verantwoording die hierna ad. iii worden genoemd en waarop het hof niet heeft gerespondeerd.
[De broer] wil dat ik regelmatig een bedrag op zijn rekening stort voor de kosten van de rechthebbende. Hij wil dat bedrag kunnen gebruiken zonder daar verantwoording over te hoeven afleggen. Nu krijgt hij voorgeschoten kosten vergoed. Ik zou echter een leefgeldrekening willen openen met een pinpas erbij, waarvan [de broer] kan gebruikmaken. [De broer] zegt dat dit fraude is. Het is echter een gebruikelijke methode, ik zie dan wat er gebeurt en de rechthebbende krijgt de dingen die ze nodig heeft. Hoe zal het zijn als [de broer] als bewindvoerder verdergaat? Hij weigert verantwoording aan mij af te leggen, maar ik kan niet inschatten hoe hij zich opstelt naar een rechter.Ook bagatelliseert [de broer] dingen die in het verleden fout zijn gegaan, zoals dat er door [verzoeker] een auto op naam van de rechthebbende is gezet.
De kantonrechter zegt dat het eenvoudig is om door middel van digitale betalingen verantwoording af te leggen. Ik koop gewoon eten of iets lekkers voor de rechthebbende als ik in de Albert Heijn of de Jumbo ben. Er moet vertrouwen zijn, maar [de bewindvoerder] wil bonnetjes zien. Stel dat ik eten of lekkernijen met een pinpas koop en betaal van de leefgeldrekening, dan weet toch ook niemand of de rechthebbende dat heeft gekregen? Er moet vertrouwen zijn tussen mij en een bewindvoerder.Tot voor kort betaalde ik alles contant, maar door corona doe ik zelf meer online. Ik betaal ook rekeningen online. Belastingaangifte doe ik ook online. Ik heb twee opleidingen gedaan en ben ingenieur. Ik heb veertig jaar gewerkt bij BP en Esso. Ik houd ook uitgaven bij in een excelsheet. Ik begrijp ook wel dat er verantwoording moet worden afgelegd, en daarom bewaar ik ook de bonnetjes. Het leek mij makkelijker als [de bewindvoerder] wekelijks € 25,- aan mij zou overmaken, dat scheelt [de bewindvoerder] en mij tijd. [De bewindvoerder] kan ook aan de verpleging vragen wat ik voor de rechthebbende heb gekocht. Ook heb ik aan [de bewindvoerder] voorgesteld dat zij zelf koopt wat nodig is en dat ik het dan bij haar ophaal.
[De broer] wil beschikking hebben over leefgeld en boodschappengeld. Als hij boodschappen doet, doet hij dat voor zichzelf en voor de rechthebbende. De door de bewindvoerder gevraagde afzonderlijke rekening vindt hij te bewerkelijk.
[de broer] wekt de indruk dat hij het regelen van de financiële zaken en het rekening en verantwoording afleggen lastig zal vinden. Hij wenst alles contant te betalen, dit zal niet geaccepteerd worden door de kantonrechter. Ook als bewindvoerder zal hij inzicht moeten geven door middel van bonnen of een leefgeldrekening. [De broer] was op de hoogte dat de door [de bewindvoerder] voorgestelde constructie door gebruik te maken van een pinpas is toegestaan, maar vindt het crimineel en misdadig. Hij wil € 25,- per week. Omdat er veel discussie over was, heeft de bewindvoerder de vraag neergelegd bij de kantonrechter. [De broer] is hier niet bij betrokken. [De broer] doet overigens veel boodschappen voor de rechthebbende en koopt ook eten, hetgeen niet nodig is.
geen blijk van bereidheidom uitgaven voor zichzelf gescheiden te houden van uitgaven die hij doet ten behoeve van rechthebbende. Zo mailt de broer op 9 januari 2020 aan de bewindvoerder:
“Voor mijn eigen boodschappen gebruik ik alleen contante geld! Dat doe ik ook voor [rechthebbende]. Haar boodschappen is een onderdeel van mijn eigen boodschappen. Zo zal het blijven.”Deze boodschap herhaalt de broer in zijn e-mails aan de bewindvoerder van 14 en 17 januari 2020. Ook de advocaat van verzoeker heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de broer, als hij boodschappen doet, deze voor zichzelf en rechthebbende doet en dat de broer de door de bewindvoerder gevraagde afzonderlijke rekening te bewerkelijk vindt. Anders dan de broer meent, dient een bewindvoerder, naast inzicht in het vermogen van rechthebbende, ook inzicht te hebben in de besteding door rechthebbende of de broer namens haar van haar huidige wekelijkse leefgeld.
Teneinde dat inzicht te verkrijgen, heeft de bewindvoerder de broer verzocht de uitgaven ten behoeve van rechthebbende met behulp van haar pinpas te doen in plaats van het leefgeld contant op te nemen. De broer heeft dit echter geweigerd. Ook overigens wenst de broer de bewindvoerder geen volledige inzage in de besteding van het leefgeld van rechthebbende te verstrekken, zo is ter zitting in hoger beroep gebleken. Daarmee is naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken dat de broer in staat zal zijn tot het bijhouden van een nauwkeurige administratie, nodig voor het doen van rekening en verantwoording op de daartoe voorgeschreven wijze en acht het hof de broer niet geschikt als bewindvoerder.” [onderstrepingen A-G]
geen blijk van bereidheidheeft gegeven om uitgaven gescheiden te houden en geen verantwoording wenst af te leggen
aan de bewindvoerder, het hof er gezien zijn redenen om dat niet te doen (uitgaven op basis van vertrouwen, contant geldgebruik, afzonderlijke rekening is bewerkelijk en/of frauduleus) er geen vertrouwen in heeft dat hij als bewindvoerder dat gescheiden vermogensbeleid en het afleggen van rekening en verantwoording wel gaat doen, althans niet op de daartoe voorgeschreven wijze van art. 1:445 BW Pro. Vanwege die onwil om rekening en verantwoording af te leggen aan de bewindvoerder, is het hof tot de conclusie gekomen in het slot van rov. 2.9 dat onvoldoende gebleken is dat de broer in staat zal zijn tot het bijhouden van een nauwkeurige administratie, nodig voor het doen van rekening en verantwoording op de daartoe voorgeschreven wijze en acht het hof de broer (daarom) niet geschikt als bewindvoerder. [27]
nietswat een bevestiging vormde voor de bestreden rechterlijke beslissing, maar waren er (alleen) aanwijzingen voor het tegendeel. Dat is blijkens de door mij geciteerde onderdelen van het proces-verbaal (nr. 2.20) in de onderhavige situatie dus niet het geval.