Conclusie
verzoekster tot cassatie,
hierna: rechthebbende,
advocaat: mr. K. Aantjes,
belanghebbende,
hierna: de dochter,
belanghebbende,
hierna ook: de bewindvoerder,
belanghebbende,
hierna: [verweerder 3] ,
belanghebbende,
niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
De bewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep mondeling verweer gevoerd en verzocht de beschikking van de kantonrechter te bekrachtigen. De dochter heeft ter zitting, voor zover thans van belang, laten weten zich ten aanzien van de persoon van de bewindvoerder te refereren aan het oordeel van het hof. [5] Van het ter zitting verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.
De bewindvoerder en de dochter zijn in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren. Er is geen verweerschrift ingediend.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Iis gericht tegen rov. 5.8-5.10 van de bestreden beschikking, waarin het hof als volgt heeft overwogen:
5.9 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof duidelijk geworden dat sinds 2012, in verschillende periodes van onderbewindstelling, vijf verschillende (professionele) bewindvoerders zijn benoemd waarmee de samenwerking telkens is beëindigd. Rechthebbende heeft ter zitting bevestigd dat de communicatie met de voorgaande bewindvoerders niet goed verliep. Bij beschikking van 25 januari 2019 heeft de kantonrechter overwogen dat de verstandhouding tussen de huidige bewindvoerder [ [de bewindvoerder] h.o.d.n. [A] , A-G] en rechthebbende dusdanig was verstoord dat geen zinvolle samenwerking meer mogelijk was en daarom aan het bewind geen juiste invulling meer kon worden gegeven. Om die reden is de dochter van rechthebbende, op hun beider verzoek, benoemd tot bewindvoerder. Nadien is gebleken dat ook deze samenwerking niet goed is verlopen.
5.10 Het hof overweegt dat uit het voorgaande en uit de ter zitting in hoger beroep gegeven toelichting van de huidige bewindvoerder is gebleken dat de continuïteit in de bewindvoering in de afgelopen jaren grotendeels ontbrak, omdat telkens nieuwe bewindvoerders elkaar hebben opgevolgd. Ook is gebleken dat rechthebbende nog altijd problematische schulden heeft en haar (schulden)positie steeds meer verslechtert, omdat zij, zoals ter zitting is gebleken, nieuwe financiële verplichtingen aangaat. Het hof acht het dan ook van belang dat thans een bewindvoerder het bewind uitvoert die de situatie van rechthebbende kent en met haar kan communiceren, zodat de schulden van rechthebbende op een juiste manier gesaneerd kunnen worden. Hoewel de verstandhouding tussen de huidige bewindvoerder en rechthebbende voorheen niet goed was, zoals de kantonrechter ook in de beschikking van 25 januari 2019 concludeert, is ter zitting in hoger beroep gebleken dat in het afgelopen jaar een manier is gevonden waarop partijen (redelijk) met elkaar kunnen communiceren. Rechthebbende heeft inmiddels binnen het kantoor van de huidige bewindvoerder een ander[e] contactpersoon gekregen die het bewind uitvoert, te weten [betrokkene 1] . Op vragen van het hof heeft rechthebbende ter zitting bevestigd dat zij met [betrokkene 1] kan communiceren. Ook is gebleken dat de huidige bewindvoerder het dossier kent en weet hoe zij met rechthebbende kan omgaan. Dit acht het hof in het belang van rechthebbende. Het hof heeft dan ook gegronde redenen om in dit geval af te wijken van de door rechthebbende uitgesproken voorkeur tot de benoeming van de door haar voorgedragen bewindvoerder. Het verzoek van rechthebbende zal dan ook worden afgewezen en de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.’
Lid 3 is in de wet opgenomen bij amendement ter gelegenheid van de invoering van Titel 20 over het mentorschap ten behoeve van meerderjarigen [7] . Ter toelichting is daarbij – met betrekking tot de bepaling die geldt in geval van mentorschap – opgemerkt:
Ik roep in herinnering dat in het onderhavige geval het verzoek tot ontslag van de dochter als bewindvoerder evenwel van de dochter (zelf) afkomstig was.
Integendeel, uit bovenstaande passage kan m.i. worden opgemaakt dat in voorkomend geval er reden kan zijn om de voorkeur zelf minder zwaarwegend te achten. De gegronde redenen om af te wijken van de voorkeur liggen dus niet alleen in de persoon van degene naar wie de voorkeur uitgaat, maar kunnen ook gelegen zijn in andere omstandigheden, zoals ik hierna nader uitwerk.
Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat gegronde redenen in ieder geval breder zijn dan de
geschiktheidvan de tot bewindvoerder te benoemen persoon. Zouden de geschiktheidsbeoordeling en de gegronde redenen van lid 3 exact met elkaar samenvallen, dan zou lid 3 immers in zoverre naast de regeling in lid 1 niet meer van betekenis zijn.
voorbeeldgenoemd van gegronde redenen. [17] Volgens Kolkman en Salomons kan worden gedacht aan een weigering van de door de betrokkene aangewezen persoon of aan diens kennelijke ongeschiktheid. [18] Ter Haar lijkt er evenwel van uit te gaan dat gegronde redenen uitsluitend op de geschiktheid betrekking kunnen hebben waar hij schrijft:
Anders dan in lid 3 is in lid 4 met betrekking tot de wettelijke voorkeur niet tot uitdrukking gebracht dat deze wordt gevolgd ‘tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten’. Dat afwijken ook hier mogelijk is, bleek evenwel reeds uit de memorie van toelichting bij de invoering van art. 1:435 BW Pro, waarin was vermeld:
verzoeker. Daarnaast had het hof overwogen dat met de komst van een professionele bewindvoerder de financiën van de rechthebbende op orde zijn gesteld en er afbetalingsregelingen zijn getroffen met de schuldeisers. Het hof achtte het in het belang van de rechthebbende dat die stabiele situatie aangaande de financiën voortduurde met hulp van de bewindvoerder als onafhankelijke derde.
De Hoge Raad oordeelde naar aanleiding van de hiertegen gerichte rechts- en motiveringsklachten als volgt:
(…)
3.3 De motivering in rov. 5.4 van de bestreden beschikking geeft geen inzicht erin waarom het hof de andere broer niet geschikt acht om tot bewindvoerder te worden benoemd. Ook indien het hof is uitgegaan van de in de wet geregelde voorkeur voor de benoeming van een bewindvoerder, heeft het zijn beslissing die erop neerkomt dat de andere broer niet tot bewindvoerder is benoemd, niet toereikend gemotiveerd. De hierop gerichte klachten van het middel slagen.’ [25]
diepersoon betrekking moet hebben.
Op het voorgaande stuiten de klachten van onderdeel I af.