Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
dieauto’s. Het is
uitsluitendwegens het verlies van
dezeauto’s dat VbV in dit geding schadevergoeding vordert (de weergave van de vordering tussen haakjes in de eerste volzin van subonderdeel 1.4, hiervoor ook aangehaald in 3.2 – die taalkundig niet helemaal loopt –, is dus niet juist). Dat zijn dus auto-onderdelen waarvoor het door het hof in rov. 15 genoemde verwijt niet opgaat, want bij laatstgenoemde auto-onderdelen was het VIN of het registratienummer nu juist verwijderd c.q. onleesbaar gemaakt. De in dit geding door VbV ingestelde vordering sluit dus in het geheel niet aan op het door het hof in rov. 15 genoemde verwijt, want betreft andere auto-onderdelen.
Subonderdeel 3.1voert aan dat het hof heeft miskend dat schuldheling in combinatie met herhaalde overtreding van art. 437 Sr Pro de conclusie wettigt dat de opkoper als heler wist of behoorde te weten dat door zijn handelen een criminele keten in stand werd gehouden.
Subonderdeel 3.2wijst erop dat VbV bij pleidooi in hoger beroep heeft aangevoerd dat dat [verweerder] hangende de procedure in hoger beroep door de politierechter is veroordeeld wegens schuldheling en dat het hof op dit punt niet iets anders heeft vastgesteld, zodat de juistheid van deze stelling in cassatie uitgangspunt mag zijn. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien waarom met dit feit, in samenhang met de overtreding van art. 437 Sr Pro, niet is voldaan aan de door het hof gestelde eis dat sprake is van ‘het willens en wetens in stand houden van een criminele keten’. Het subonderdeel wijst op de strekking van de bepalingen die heling beogen te bestrijden.