ECLI:NL:PHR:2022:248
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overschrijding redelijke termijn bij verstekmededeling in hoger beroep
In deze zaak werd de verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week wegens diefstal. Het gerechtshof Den Haag vernietigde het vonnis voor wat betreft de verlenging van de proeftijd en legde de voorwaardelijke gevangenisstraf ten uitvoer. De verdachte was niet verschenen bij de terechtzitting in hoger beroep, waarna verstek werd verleend.
Het cassatieberoep richt zich op de overschrijding van de redelijke termijn, omdat de verstekmededeling niet met de nodige voortvarendheid aan de verdachte is betekend. Uit de stukken blijkt dat de dagvaarding in hoger beroep niet persoonlijk kon worden uitgereikt en uiteindelijk aan de griffier is overhandigd. Het openbaar ministerie heeft niet binnen een jaar na het verstekarrest geprobeerd de mededeling persoonlijk of op grond van art. 588 Sv Pro te betekenen.
De procureur-generaal stelt dat ondanks de overschrijding van de redelijke termijn en de inbreuk op art. 6 EVRM Pro, dit niet tot cassatie kan leiden gezien de geringe strafmaat van één week. De conclusie is dan ook dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wegens overschrijding van de redelijke termijn bij verstekmededeling wordt verworpen.