Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
- art. 410, eerste lid, Sv:
- art. 416, tweede lid, Sv:
- art. 450, eerste lid, Sv:
- art. 452, eerste lid, Sv:
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter wegens overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte had geen schriftuur houdende grieven ingediend, maar een stelbrief van zijn raadsman, die niet voldeed aan de wettelijke vereisten voor een schriftuur. De raadsman was niet verschenen bij de terechtzitting en kon daardoor niet bevestigen dat hij bepaaldelijk was gevolmachtigd.
De Hoge Raad overweegt dat aan de formulering van grieven geen hoge eisen worden gesteld, maar dat de schriftuur wel een verklaring moet bevatten dat de raadsman bepaaldelijk is gevolmachtigd. Het ontbreken daarvan kan onder omstandigheden worden hersteld, maar alleen indien de raadsman ter terechtzitting verschijnt, wat hier niet het geval was. De brief van de raadsman voldeed niet aan deze eisen en kon daarom niet als schriftuur houdende grieven worden aangemerkt.
Het hof heeft daarom terecht de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. De Hoge Raad vindt de beslissing begrijpelijk en voldoende gemotiveerd en verwerpt het cassatieberoep. Hiermee blijft de niet-ontvankelijkverklaring in stand.
Uitkomst: De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van een schriftuur houdende grieven met bepaalde volmacht.