Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Juridisch kader
Gedragscode Hypothecaire Financieringen(verder: GHF). De GHF is een door de hypothecaire financiers opgestelde vorm van zelfregulering, [5] die overigens niet vrijblijvend is. [6] De GHF is regelmatig herzien, maar op het vlak van de vergoeding bij vervroegde aflossing niet wezenlijk gewijzigd. De GHF bevat geen bepaling over tussentijdse rentewijziging.
Indien daarvoor een vergoeding in rekening wordt gebracht, wordt bij de berekening daarvan eenmalig rekening gehouden met het bedrag dat contractueel extra vervroegd mag worden afgelost; in ieder geval wordt een extra aflossing van 10% per jaar toegestaan.
Bij algehele vervroegde aflossing is, onder voorwaarden, geen of een gemaximeerde vergoeding verschuldigd in geval van overlijden, verhuizing of gedwongen verkoop. Indien bij verhuizing of gedwongen verkoop een vergoeding verschuldigd is, is het bedrag daarvan gemaximeerd op vier maanden rente over, dan wel drie procent van het vervroegd af te lossen bedrag. In de meest recente versie van de GHF uit 2020 is (kennelijk onder invloed van de Richtlijn hypothecair krediet) voorts bepaald dat de vergoeding bij verhuizing niet meer kan bedragen dan het financiële nadeel dat de hypothecaire financier heeft.
De GHF vermeldt de mogelijkheid dat de vergoeding wordt berekend op basis van de contante waarde van het verschil tussen de door de consument verschuldigde rente en de actuele rente, maar laat ruimte voor andere berekeningsmethodes. Indien de vergoeding bij vervroegde extra of algehele aflossing wordt berekend op basis van de contante waarde, is volgens de GHF geen vergoeding verschuldigd indien de marktrente hoger is dan de door de consument verschuldigde rente. [7]
De actuele rente is de rente die de bank ten tijde van de vervroegde aflossing of tussentijdse rentewijziging in rekening brengt aan klanten gedurende een periode die zo veel mogelijk overeenstemt met de hiervoor bedoelde resterende rentevastperiode. ‘Zoveel mogelijk’, omdat denkbaar is dat in een individueel geval de resterende rentevastperiode een aantal jaren beslaat (bijvoorbeeld nog 7 jaar tegen een contractrente van 3,5 %), dat afwijkt van het aantal jaren waarvoor de bank op het relevante moment een hypothecair krediet met een vast rentetarief aanbiedt (bijvoorbeeld 5 jaar vast tegen 2,0% of 10 jaar vast tegen 2.5%). [9] Welke renteperiode (in het voorbeeld 5 of 10 jaar) de bank bij de berekening van de vergoeding hanteert, is in beginsel afhankelijk van de toepasselijke voorwaarden, al vereist de AFM tegenwoordig dat de bank werkt met de ‘naast betere rente’ voor de consument (zie hierna in 3.25.4).
Het (voor de bank nadelige) verschil tussen de op basis van de contractrente respectievelijk actuele rente berekende bedragen wordt vervolgens contant gemaakt, omdat de vergoeding op een eerder moment verschuldigd is dan de toekomstige aflossingen respectievelijk toekomstige rentetermijnen verschuldigd zouden zijn geworden.
‘funding’) aantrekken voor bepaalde hypotheekproducten die zij aan consumenten aanbieden. De door de bank bepaalde wijze van financiering (‘
fundingmix’) bepaalt de ‘inkoopkosten’ van de bank. [10]
loan-to-value-verhouding), en een winstmarge. Dergelijke componenten bepalen het rentetarief.
Zo wordt tot op zekere hoogte – volgens de GHF eenmalig (zie hiervoor in 3.3.2) − rekening gehouden met het recht van de consument om jaarlijks een (in de overeenkomst) bepaald percentage van de hoofdsom af te lossen.
Hiervoor (in 3.4.1) kwam verder al aan de orde dat de bank de ‘naast betere rente’ moet kiezen.
Voorts moet bijvoorbeeld worden bepaald hoe wordt omgegaan met bepaalde uitgangspunten die verdisconteerd zijn in de contractrente (zoals kortingen of opslagen) maar wellicht niet meer actueel zijn op het moment van vervoegde aflossing of tussentijdse rentewijziging. De AFM hanteert hiervoor bepaald uitgangspunten (zie de hierna in 3.25.4 genoemde Leidraad).
Profi Credit Polska/Włostowska e.a.). [19] Dit betrof de in Polen gebruikelijke werkwijze dat bij een consumentenkrediet de betaling van de schuld wordt gewaarborgd door middel van een ‘blanco’ orderbriefje waarop aanvankelijk geen bedrag is vermeld. Bij een betalingsachterstand mag de kredietgever het bedrag invullen en de schuld op basis van enkel het orderbriefje innen. Volgens de Poolse wet beperkt de ambtshalve toetsing door de rechter in een betalingsbevelprocedure op basis van een orderbriefje zich tot de wisselverhouding, en kan de toetsing zich niet uitstrekken tot de onderliggende rechtsverhouding (de kredietovereenkomst), tenzij de kredietnemer excepties opwerpt. De Poolse verwijzingsrechter heeft het HvJEU prejudiciële vragen gesteld, waaronder of (onder meer) artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen zich verzet tegen de nationale wettelijke regeling die het mogelijk maakt om een blanco orderbriefje als zekerheid te stellen voor een consumentenkrediet. Bij de beantwoording van deze vraag heeft het HvJEU onder andere overwogen:
Constructora Principado) betrof een beding in een koopovereenkomst van een woning op grond waarvan, in afwijking van het toepasselijke nationale recht, kosten van aansluiting van de woning op de waterleiding en riolering alsmede belasting over de waardestijging van de woning voor rekening van de koper kwamen. De Spaanse verwijzingsrechter heeft een vraag gesteld over de uitleg van het begrip ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ in de zin van artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen. Het HvJEU concludeerde dat het voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht niet nodig is dat de kosten die uit hoofde van een contractueel beding ten laste komen van de consument, in verhouding tot het bedrag van de betrokken transactie ernstige financiële gevolgen voor hem hebben, maar reeds voldoende is dat de rechtspositie waarin die consument als partij bij de overeenkomst verkeert krachtens de toepasselijke nationale bepalingen, in voldoende ernstige mate wordt aangetast doordat de inhoud van de rechten die de consument volgens die bepalingen aan die overeenkomst ontleent, wordt beperkt of de uitoefening van die rechten wordt belemmerd dan wel doordat aan de consument een extra verplichting wordt opgelegd waarin de nationale bepalingen niet voorzien. De nationale rechter moet beoordelen of dit het geval is. [29] Uit deze zaak volgt m.i. dat de omstandigheid dat kosten die naar nationaal recht voor rekening van de verkoper komen, voor rekening van de koper worden gebracht, relevant is voor de beoordeling of een beding oneerlijk is.
Matei)betrof onder meer de vraag of een beding in een kredietovereenkomst op grond waarvan de kredietnemer naast rente een maandelijkse risicoprovisie verschuldigd was, is aan te merken als een kernbeding als bedoeld in artikel 4 lid 2 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen. In het kader van de beantwoording van deze vraag overwoog het HvJEU dat indien het provisiebeding onder het bereik van deze bepaling valt, dit niet wegneemt dat de verwijzende rechter moet beoordelen of het beding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. Volgens het HvJEU was het de vraag of in de overeenkomst op transparante wijze is uiteengezet wat de reden is voor de vergoeding die met de provisie overeenstemt, aangezien betwist wordt dat de kredietgever verplicht is om werkelijk een tegenprestatie te verrichten om die provisie te verkrijgen. [30] Uit deze zaak volgt m.i. dat het transparantievereiste meebrengt dat de consument de reden voor een (risicoprovisie)kostenbeding dient te kennen.
Kiss/CIB Bank) betrof bedingen in een leningsovereenkomst op grond waarvan de kredietnemer naast rente ook beheerskosten van 2,4% per jaar en een uitbetalingsprovisie verschuldigd was.
De vraag of het transparantievereiste meebrengt dat de bedingen moeten specificeren welke diensten als tegenprestatie voor die kosten worden verricht, beantwoordde het HvJEU ontkennend. Het heeft er alle schijn van, aldus het HvJEU, dat de consument aan de hand van de betrokken bedingen kon nagaan wat de economische gevolgen waren die voor hem daaruit voortvloeiden. Indien wordt betwist dat daadwerkelijk sprake is van een tegenprestatie voor een provisie, staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de kredietnemer in kennis is gesteld van de reden voor de betaling van die provisie (met verwijzing naar de zaak Matei). Uit het feit dat de in ruil voor de beheerskosten en de uitbetalingsprovisie verrichte diensten niet zijn gespecificeerd, kan niet worden afgeleid dat de betreffende bedingen niet voldoen aan het transparantievereiste, mits uit de overeenkomst in haar geheel redelijkerwijs valt op te maken wat de juiste aard van de daadwerkelijk verrichte diensten is. Bovendien moet de consument kunnen vaststellen dat er geen overlapping is van kosten of van diensten die door die kosten worden vergoed. [31]
Caixabank) betrof een beding in een hypothecaire leenovereenkomst op grond waarvan de kredietnemer bij het verlijden van de akte openingskosten aan de kredietgever verschuldigd was.
Profi Credit Polska/QJ e.a.) betrof bedingen in een kredietovereenkomst op grond waarvan de kredietnemer naast de rente een afsluitvergoeding, een commissieloon en een vergoeding voor een financieel product verschuldigd was.
In verband met het transparantievereiste verwees het HvJEU naar het Kiss-arrest en overwoog het dat de consument zich met betrekking tot de kosten van de “afsluitvergoeding” en het “commissieloon” op goede gronden kon afvragen welke diensten met die kosten zouden worden vergoed en of deze elkaar eventueel overlapten. [35] In verband met de oneerlijkheidstoets overwoog het HvJEU dat de niet-rentekosten van het krediet, waarvoor krachtens de nationale wetgeving een bovengrens geldt, ondanks dat zij onder die bovengrens zijn vastgesteld toch kunnen leiden tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht, indien de als tegenprestatie verrichte diensten redelijkerwijs niet behoren tot de handelingen die zijn verricht in het kader van de sluiting of het beheer van de kredietovereenkomst, of wanneer de bedragen die als kosten voor de verstrekking en het beheer van de lening voor rekening van de consument komen, duidelijk niet in verhouding staan tot het bedrag van de lening. [36]
De eerste lijn is dat voor de beoordeling of voldaan is aan het transparantievereiste van belang is dat uit de overeenkomst in haar geheel valt op te maken wat de aard is van de diensten waarvoor de kosten in rekening worden gebracht, dat deze diensten daadwerkelijk worden verricht en dat er geen sprake is van een overlapping van kosten of diensten (Matei, Kiss/CIB Bank en Profi Credit Polska/Q.J. e.a.). Een gebrek aan transparantie brengt bij een kernbeding mee dat dit kernbeding inhoudelijk kan worden getoetst. Een gebrek aan transparantie weegt voorts mee bij de beoordeling of een beding oneerlijk is.
De tweede lijn is dat afwijking van beperkingen of eisen die het nationale recht stelt aan het bij de consument in rekening brengen van kosten, relevant is bij de beoordeling of een beding oneerlijk is (Constructora Principado en Caixabank) en voorts dat de kosten niet duidelijk onevenredig mogen zijn ten opzichte van de hoogte van de lening (Kiss/CIB Bank en Profi Credit Polska/Q.J. e.a.).
De beginselen en voorwaarden volgens welke consumenten hun lening kunnen aflossen en de voorwaarden waaronder een dergelijke vervroegde aflossing kan plaatshebben, verschillen echter aanzienlijk naargelang van de lidstaat.Hoewel de diversiteit aan hypothecaire financieringsmechanismen en aan beschikbare producten moet worden erkend,
is het van essentieel belang dat op Unieniveau bepaalde normen voor de vervroegde aflossing van krediet gelden, zodat consumenten zich vóór de in de kredietovereenkomst overeengekomen datum van hun verplichtingen kunnen kwijten en in vertrouwen kredietvoorstellen kunnen vergelijken teneinde de producten te vinden die het beste in hun behoeften voorzien.De lidstaten moeten er bijgevolg voor zorgen, hetzij door wetgeving, hetzij met andere middelen, zoals contractuele bepalingen, dat consumenten een recht op vervroegde aflossing hebben. De lidstaten moeten evenwel de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht kunnen bepalen. Zo kan onder meer de uitoefening van het recht in de tijd worden beperkt, kan een verschillende regeling gelden naargelang van het soort debetrentevoet, of kunnen de omstandigheden waarin het recht kan worden uitgeoefend, worden beperkt. Indien de vervroegde aflossing binnen de termijn valt waarvoor een vaste rentevoet geldt, kan de uitoefening van het recht in elk geval afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de consument hierbij een door de lidstaat gespecificeerd rechtmatig belang heeft. Van een dergelijk rechtmatig belang kan bijvoorbeeld sprake zijn in geval van echtscheiding of werkloosheid.
In het geval dat de lidstaten bepalen dat de kredietgever recht heeft op vergoeding dient het te gaan om een eerlijke en objectief verantwoorde vergoeding voor mogelijke kosten die rechtstreeks verbonden zijn aan het vervroegd aflossen van het krediet, zulks in overeenstemming met de nationale voorschriften inzake vergoeding. De vergoeding mag niet hoger zijn dan het door de kredietgever geleden financieel verlies.” (onderstreping toegevoegd; plv.)
,deelt de kredietgever hem onmiddellijk na ontvangst van diens verzoek, op papier of via een andere duurzame drager, de informatie mee die hij nodig heeft om die mogelijkheid te kunnen overwegen. Die informatie bevat ten minste een berekening van de consequenties voor de consument die vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst aan zijn verplichtingen voldoet, en een duidelijke vermelding van de daarbij aangewende hypothesen. Elke aangewende hypothese moet redelijk en verdedigbaar zijn.
2. In deze rubriek over de uitstapkosten attendeert de kredietgever de consument op alle uitstapkosten of andere kosten die bij vervroegde aflossing ter vergoeding aan de kredietgever moeten worden betaald en vermeldt hij indien mogelijk het bedrag daarvan.
Indien het bedrag van de vergoeding van verschillende factoren afhangt, zoalshet afgeloste bedrag of
de op het ogenblik van de vervroegde aflossing geldende debetrentevoet, geeft de kredietgever aan op welke manier de vergoeding zal worden berekend en vermeldt hij hoeveel de vergoeding ten hoogste kan bedragen, of geeft hij, indien dat niet mogelijk is, een illustratief voorbeeld om de consument duidelijk te maken hoeveel de vergoeding in verschillende mogelijke scenario’s zou bedragen.” (onderstreping toegevoegd; plv.)
have regulated in different ways the conditions under which such compensation can be required by the creditor. In Italy and Romania, the law expressly prohibits the lender to charge a compensation fee to the borrower for early repayment of the mortgage,with no exception. In addition, in these two Member States early termination is always possible without any restrictions. It has to be noted that, in Italy, no specific increases in the costs of the mortgages or of interest rates was observed following the introduction of the switching legislation with no fees for early repayment. As confirmed by the consumers’ association, banks are competing to attract clients with switching packages.
,such as fixed interest rate (in Croatia, Cyprus, Finland, Germany, Ireland, Luxembourg, Malta, Slovenia, Sweden), or when the amount of the granted credit or of the repayment exceeds a certain threshold (see Box 5.2) and if repayment is not justified by a legal reason such as the sale of the property, a change of workplace, a forced termination of professional activity, or other circumstances personally affecting the borrower such as the death of the cohabitant (as in the case of France).
have established in detail the ceilings that shall not be exceeded” en waarin “
the maximum compensation is capped with the indication of a percentage (usually 0.5 or 1 per cent) of the amount repaid”, kan ik niet goed plaatsen. De opmerking refereert wellicht aan het (op p. 148) vermelde artikel 11 GHF Pro [46] dat onder voorwaarden een recht op vergoeding kent bij vervroegde algehele aflossing in geval van verhuizing (lid 2) of executoriale verkoop (lid 3) en alsdan die vergoeding beperkt tot een maximumpercentage.
j) „debetrentevoet”: de rentevoet, uitgedrukt op jaarbasis en toegepast in een vast of variabel percentage;
l) „totaal kredietbedrag”: het plafond of de som van alle bedragen die op grond van een kredietovereenkomst beschikbaar worden gesteld;”
;bij de bepaling van het verlies wordt tevens rekening gehouden met de administratieve kosten ten gevolge van de vervroegde aflossing
.
Daarom, en omdat een consumentenkrediet, gezien de gemiddelde duur en omvang ervan, niet wordt gefinancierd met langlopende financieringsmechanismen, dient het maximum voor de vergoeding als vast bedrag te worden vastgesteld. Deze aanpak sluit aan bij het specifieke karakter van consumentenkredieten en dient een eventuele andere aanpak voor andere producten die worden gefinancierd met langlopende financieringsmechanismen, zoals hypothecaire leningen met vaste rente, onverlet te laten.” (onderstreping toegevoegd; plv.)
Lexitorbetrof Poolse kredietovereenkomsten die voorzagen in de betaling aan de betrokken bank van een commissieloon waarvan het bedrag niet afhing van de duur van de overeenkomst. [49] Het HvJEU concludeert dat het recht op verlaging van de totale kredietkosten van artikel 16 lid 1 Richtlijn Pro consumentenkrediet ook ziet op kosten die niet afhangen van de duur van de overeenkomst. In zijn conclusie in deze zaak maakt advocaat-generaal Hogan een onderscheid tussen de in artikel 16 lid 2 bedoelde Pro vergoeding en de in artikel 16 lid 4 onder Pro b bedoelde vergoeding:
afdeling 7.2B.3 BWingevoerd, waarvan de bepalingen (artikelen 7:118-7:128c BW) op 14 juli 2016 in werking zijn getreden. [51] Deze afdeling bevat dwingend recht (artikel 7:128c BW). Afdeling 7.2B.3 BW is van toepassing op overeenkomsten die na 14 juli 2016 zijn gesloten (zie de artikelen 200 en 211b Overgangswet Nieuw BW). Op voordien afgesloten overeenkomsten blijft het voor de inwerkingtreding van afd. 7.2B.3 BW geldende recht van toepassing. [52]
dat renteherzieningen, omzettingen van bestaande hypotheekvormen of andere wijzigingen van de kredietovereenkomst (zonder dat extra krediet wordt verleend of toegezegd) die plaatsvinden op of na 21 maart 2016 derhalve niet als het aangaan van een nieuwe kredietovereenkomst worden beschouwden daarom niet vallen onder de nieuwe titel 7.2B.” (onderstreping toegevoegd; plv.)
3. Een aanbieder van hypothecair krediet hanteert bij het berekenen van de vergoeding voor vervroegde aflossing van een kredietovereenkomst waarvan de debetrentevoet overeenkomstig artikel 81ca, eerste lid, is gewijzigd dezelfde voorwaarden als bij het berekenen van de vergoeding voor vervroegde aflossing van een kredietovereenkomst waarvan de debetrentevoet niet overeenkomstig artikel 81ca, eerste lid, is gewijzigd.
zoals het afgeloste bedrag of de op het ogenblik van de vervroegde aflossing geldende debetrentevoet,geeft de kredietgever aan op welke manier de vergoeding zal worden berekend en vermeldt hij hoeveel de vergoeding ten hoogste kan bedragen, of geeft hij, indien dat niet mogelijk is, een illustratief voorbeeld om de consument duidelijk te maken hoeveel de vergoeding in verschillende mogelijke scenario’s zou bedragen.”
artikel 81ca Bgfoingevoerd, [66] dat het volgende bepaalt over de vergoeding bij tussentijdse rentewijzigingen:
Bij het (enkel) wijzigen van de debetrentevoet is er geen sprake van vervroegde aflossingen is het verbod om meer dan het financiële nadeel in rekening te brengen bij vervroegde aflossing niet van toepassing. De motie Mulder en Van Dijck (beide PVV) roept de regering op om de norm in het BGfo die voor vervroegde aflossing geldt ook van toepassing te verklaren op rentemiddeling. In antwoord op Kamervragen van het lid Ronnes (CDA) heeft mijn voorganger reeds aangegeven dat het onwenselijk is als aanbieders van krediet vergoedingen in rekening mogen brengen die hoger zijn dan het financiële nadeel. Dit besluit bevat daarom een wijziging van het BGfo die er in voorziet dat aanbieders van hypothecair krediet geen vergoeding mogen vragen die hoger is dan het financiële nadeel dat de aanbieder heeft doordat de overeenkomst inzake de debetrentevoet en rentevastperiode bij een hypothecair krediet voorafgaand aan het verstrijken van de looptijd van die overeenkomst wordt beëindigd. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) krijgt de bevoegdheid om nadere regels te stellen met betrekking tot de berekening van deze vergoeding.” (onderstreping toegevoegd; plv.)
Leidraadvan de AFM van 20 maart 2017, getiteld “Vergoeding voor vervroegde aflossing van de hypotheek. Uitgangspunten berekening van het financiële nadeel”. [68] Deze leidraad geeft een kader, maar laat andere wijzen om het nadeel te bereken toe (p. 3):
Dit uitgangspunt betekent dat de aanbieder het financiële nadeel dient te bepalen over het totale bedrag dat de klant vervroegd wil aflossen verminderd met het bedrag dat de klant op dat moment contractueel vergoedingsvrij vervroegd mag aflossen (p. 9).
Het verschil tussen de rentebetalingen die de aanbieder verwacht te ontvangen (gebaseerd op de contractrente) en de rentebetalingen die de aanbieder nog kan ontvangen voor de uit te zetten gelden (gebaseerd op de vergelijkingsrente) wordt gebruikt voor het berekenen van het financiële nadeel voor de aanbieder. De AFM is van oordeel (p. 10):
Dit uitgangspunt beoogt te voorkomen, in mijn woorden, dat een gunstiger verhouding tussen de hoogte van de lening en de waarde van het huis, waardoor de (vergelijkings)rente lager wordt, ten laste van de consument komt bij de berekening van de vergoeding. De AFM vermeldt dat de LTV consistent moet worden toegepast (p. 11):
(i) dat de omzettingsbepalingen van de richtlijn in het Burgerlijk Wetboek eerbiedigende werking hebben ten aanzien van reeds bestaande overeenkomsten (3.19), maar dat bepaalde toezichtrechtelijke normen (mogelijk) onmiddellijke werking hebben (3.23.3 en 3.24.7);
(ii) dat vervroegde aflossing (artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet, artikel 7:127 BW Pro en art. 81c Bgfo) en tussentijdse rentewijziging (artikel 81ca Bgfo) dienen te worden onderscheiden (3.21 en 3.24.1 e.v.); en
(iii) dat de NCW-methode aanvaardbaar is als methode om bij vervroegde aflossing het nadeel van de bank te berekenen (3.20.2, 3.20.3 en 3.23.2).
De Nederlandse regelgever beschouwt de NCW-methode ook als een aanvaardbare methode om bij tussentijdse rentewijziging het nadeel van de bank te berekenen (3.24.2 e.v.).
Aan de toepassing van de NCW-methode kunnen bepaalde eisen worden gesteld, die op bepaalde aspecten kunnen verschillen al naar gelang het gaat om vervroegde aflossing dan wel (een bepaalde vorm van) tussentijdse rentewijziging (3.24.3-3.24.5, 3.25.2 e.v.).
4.Onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel (Richtlijn oneerlijke bedingen)
p. 4van de procesinleiding) getuigt het oordeel in rov. 3.14-3.15 van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof had moeten oordelen dat het beding onredelijk bezwarend is, omdat:
nrs. 7-18van de procesinleiding. Ik bespreek eerst de in 4.2.1 bedoelde klacht. Voor de overzichtelijkheid bespreek ik de verschillend elementen daarvan afzonderlijk.
4.2.1 onder (i) bedoelde klacht(zoals toegelicht in
nr. 9van de procesinleiding) strekt ertoe te betogen dat het hof heeft miskend dat zijn oordeel dat het beding in de algemene voorwaarden niet transparant is, van doorslaggevend belang is voor het oordeel dat dit beding oneerlijk is. Daartoe wijst het middel in het bijzonder op HvJEU 7 november 2019 (Profi Credit Polska/Włostowska e.a.), punt 58.
4.2.1 onder (ii) bedoelde klacht(zoals toegelicht in
nr. 17van de procesinleiding en in de
nrs. 8-9van de schriftelijke toelichting namens [eisers] ) strekt ertoe te betogen dat artikel 18.3 AV neerkomt op een abstracte schadeberekening van het positieve contractsbelang van Volksbank en daarmee leidt tot vergoeding van een hoger bedrag dan het financiële nadeel van Volksbank wat – zo volgt uit artikel 16 lid 2 Richtlijn Pro consumentenkrediet, de conclusie van A-G Hogan voor HvJEU 11 september 2019 (Lexitor), artikel 7:68 lid 2 BW Pro, artikel 25 lid 3 Richtlijn Pro hypothecair krediet en artikel 7:127 BW Pro, alsmede de artikelen 81c en 81ca Bgfo – niet is toegelaten.
4.2.1 onder (iii) bedoelde klachtstrekt ertoe te betogen dat artikel 18.3 AV leidt tot een betaling waar Volksbank geen recht op heeft, omdat daar van haar kant geen prestatie tegenover staat, althans een prestatie waarvoor al langs andere weg door middel van risico-opslagen is betaald, dan wel recht geeft op een betaling die niet in verhouding staat tot de prestatie van Volksbank (zie
nr. 10van de procesinleiding en
nr. 9van de schriftelijke toelichting namens [eisers] ) en dat uit de rechtspraak van het HvJEU over de Richtlijn oneerlijke bedingen volgt dat het beding daarom als (intransparant en) oneerlijk dient te worden aangemerkt (zie
nrs. 11, 12, 14, 15 en 18van de procesinleiding).
nr. 12van de procesinleiding). Deze richtlijn vereist dat de vergoeding het werkelijke, concrete nadeel − dus een vergoeding voor werkelijk verrichte diensten en werkelijk gemaakte kosten – dekt (zie
nr. 15van de procesinleiding).
nrs. 10 en 11van de procesinleiding.
Deze argumentatie houdt in, kort gezegd, dat componenten waaruit de oorspronkelijke rente is opgebouwd (opslagen voor algemene risico’s en kosten, met de consument verband houdende risico’s en kosten, en winst) in de berekening van de vergoeding worden betrokken, terwijl de daartegenover staande diensten en kosten niet meer door Volksbank verleend en gemaakt zullen worden; dat geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat deze componenten tijdens de resterende looptijd van de rentevastperiode veranderen door extra aflossingen of een waardestijging van de woning; en dat door te rekenen met het (gekapitaliseerde) verschil tussen de oorspronkelijke rente en de als vergelijkingsrente gehanteerde marktrente de onjuiste suggestie wordt gewekt dat beide rentetarieven identiek zijn samengesteld, waarmee is uitgesloten dat het verschil tussen beide rentes het werkelijke nadeel van Volksbank in rekening brengt (
nr. 10).
Dat Volksbank abstraheert van haar werkelijke diensten en kosten blijkt ook uit de omstandigheid dat zij dezelfde maatstaf hanteert voor de berekening van de vergoeding in ongelijke gevallen, te weten, tussentijdse rentewijziging, gedeeltelijke vervroegde aflossing en gehele vervroegde aflossing (
nr. 11).
vervroegde aflossingverdisconteert. [72] Nu het betoog feitelijke grondslag mist, kan de klacht in zoverre niet slagen.
Zoals eerder opgemerkt, dienen bij toepassing van de NCW-methode bepaalde keuzes te worden gemaakt. Zo wordt volgens de GHF en de Leidraad (uitgangspunt 1) eenmalig rekening gehouden met de mogelijkheid van gedeeltelijke vervroegde aflossing en moet volgens de Leidraad (uitgangspunt 3) consistent worden omgegaan met op- of afslagen die onderdeel zijn van de contractrente (zie hiervoor in 3.3.2 en 3.25.4). Dit laatste impliceert dat bij het bepalen van de vergelijkingsrente geen rekening dient te worden gehouden met een inmiddels gunstiger
loan-to-value-verhouding als gevolg van waardestijging van de woning, omdat dit zou leiden tot een lagere vergelijkingsrente en daarmee een hogere voor de consument te betalen vergoeding.
Voorts geldt (in verband met het betoog in
nr. 11van de procesinleiding) dat bij toepassing van de NCW-methode variaties kunnen optreden afhankelijk van de vraag of het gaat om (een variant van) tussentijdse rentewijziging dan wel vervroegde aflossing (zie hiervoor in 3.24.2 e.v.).
benaderingis van het nadeel dat de bank lijdt. [74] Volgens het middel is daarmee geen sprake van vergoeding van het concrete nadeel en is de bedongen vergoeding in feite een abstracte schadeberekening (zie
nr. 12van de procesinleiding).
nr. 11van de procesinleiding) dat uit HvJEU 16 juli 2020 (Caixabank) volgt dat de kredietgever moet aantonen dat de bedongen vergoeding een verband heeft met daadwerkelijk door hem verrichte diensten en door hem gedane uitgaven. Het middel betoogt (in
nr. 15van de procesinleiding) dat uit HvJEU 16 januari 2014 (Constructora Principado) en HvJEU 16 juli 2020 (Caixabank) volgt dat alleen een algemene voorwaarde die recht geeft op vergoeding van het werkelijke, concrete nadeel dat de kredietgever ondervindt doordat de vergoeding werkelijk verrichte diensten en werkelijke kosten dekt, de toetsing aan de Richtlijn oneerlijke bedingen kan doorstaan. [75]
In de eerste plaats ging het in de genoemde arresten van het HvJEU om andere gevallen dan thans aan de orde is. Het betrof kosten van aansluiting van de woning op de waterleiding en riolering alsmede belasting over de waardestijging van de woning (Constructora Principado) respectievelijk openingskosten bij een krediet (Caixabank), terwijl in één geval kwestieus was of daartegenover wel een prestatie stond (Caixabank). [76] In het onderhavige geval gaat het om een andere vraag, namelijk of een vergoeding mag worden berekend op een wijze die (in de terminologie van het middel) abstraheert van het concrete nadeel dan wel (in de terminologie van Volksbank) het concrete nadeel benadert.
In de tweede plaats hadden de in het middel genoemde arresten betrekking op gevallen waarin de nationale wet eisen stelde aan het in rekening brengen van de kosten bij de consument. Een beding dat van deze nationale eisen afwijkt ten nadele van de consument, kan volgens het HvJEU leiden tot een aanzienlijke verstoring van het contractuele evenwicht (zie hiervoor in 3.12). In het onderhavige geval ontbreekt wet- en regelgeving over de berekening van de vergoeding op het voor de beoordeling van de oneerlijkheid van het beding relevante moment van contractsluiting, terwijl zelfregulering (GHF) de in artikel 18.3 AV gehanteerde NCW-methode (bij vervroegde aflossing) toeliet.
T./Dexia). De zaak T./Dexia betrof een beding dat Dexia bij ontbinding van de effectenleaseovereenkomst wegens een tekortkoming van haar wederpartij recht gaf op vergoeding van de resterende rentetermijnen, contact gemaakt tegen 5%.
De Hoge Raad overweegt in rov. 3.7.7, samengevat, dat bij een wijze van schadebegroting die is gebaseerd op een vergelijking tussen de situaties bij ontbinding en bij nakoming, de eventuele (langlopende) financieringskosten die de financiële instelling in verband met het aangaan van de ontbonden leaseovereenkomsten is verschuldigd, buiten beschouwing dienen te worden gelaten omdat die kosten in beide situaties gelijk zijn. Anders gezegd, in een dergelijk geval wordt de schade bepaald door, bij gelijkblijvende financieringskosten, te kijken naar het verschil in opbrengsten bij volledige nakoming respectievelijk bij ontbinding.
Voorts overweegt de Hoge Raad in rov. 3.7.5, 3.7.8 en 3.8.1, samengevat, dat het beding oneerlijk is omdat het niet voldoende rekening houdt met het voordeel dat Dexia heeft doordat het vervroegd ontvangen bedrag voor haar als financiële instelling onmiddellijk opnieuw rentedragend is tegen het percentage dat zij op dat moment kan bedingen.
nr. 10) dat de vergoeding op basis van artikel 18.3 AV een vergoeding van financieringskosten omvat die Volksbank niet in rekening mag brengen
Hoe die verschillende rentes zijn opgebouwd, is in de zaak T./Dexia verder niet aan de orde gekomen, maar het ligt voor de hand dat de hoogte van deze rentes wordt bepaald door componenten als financieringskosten, opslagen en winst. Daarom zijn in de berekening van de schadevergoeding aan de hand van het verschil tussen beide rentes, ook eventuele verschillen tussen de financieringskosten die beide rentes (mede) bepalen, verdisconteerd.
De NCW-methode gaat er (evenals de prejudiciële beslissing in de zaak T./Dexia) van uit dat de oorspronkelijke financieringskosten van de bank doorlopen. Dit doorlopen is juist de aanleiding om een vergoeding te gaan berekenen bij vervroegde aflossing of tussentijdse rentewijziging. De NCW-methode bepaalt de vergoeding aan de hand van het (contant gemaakte) verschil tussen de contractrente en de actuele (vergelijkings)rente. Daarom zijn in de berekening van de vergoeding aan de hand van het verschil tussen beide rentes, ook eventuele verschillen tussen de financieringskosten die beide rentes (mede) bepalen, verdisconteerd.
Toepassing van de NCW-methode is daarom m.i. niet in strijd met rov. 3.7.7 van T./Dexia.
nr. 15) dat een algemene voorwaarde die uitzicht biedt op vergoeding van meer dan het werkelijk geleden nadeel, oneerlijk is.
4.2.1 bedoelde klachtzich bij de beoordeling van de oneerlijkheid van het beding niet (uitsluitend) laten leiden door wat [eisers] te dier zake hadden aangevoerd.
nr. 16. Dit bevat een klacht die is gericht tegen de slotoverweging van rov. 3.15 dat het hof geen redenen ziet om artikel 18.3 onder b AV als alleenstaand “beding” te beoordelen, mede in het licht van het gegeven dat [eisers] zowel bij de rechtbank als bij het hof hebben bepleit dat de vergoeding een grondslag ontbeert omdat het gehele artikel 18.3 AV een onredelijk bezwarend/oneerlijk beding is. Geklaagd wordt dat [eisers] weliswaar menen dat de aanhef, onder a en onder b van dit derde lid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, maar als dat volgens het hof (mogelijk) anders is, het hof niet van zijn verplichting tot ambtshalve beoordeling van deze bedingen heeft mogen afzien op de grond dat [eisers] artikel 18.3 AV in zijn geheel ter discussie hebben gesteld.
4.2.2 bedoelde klacht, die zich richt tegen de weging van de verschillende omstandigheden door het hof bij zijn beoordeling van de vraag of artikel 18.3 AV oneerlijk is, betrek ik in de eerste plaats hetgeen wordt aangevoerd in de procesinleiding
nrs. 13 en 14.
nr. 13aanvoert, kon het hof bij het oordeel dat artikel 18.3 AV niet oneerlijk of onredelijk bezwarend is, gewicht toekennen aan de omstandigheid dat [eisers] niet verplicht waren om gebruik te maken van de contractuele bevoegdheid om te profiteren van de rentedaling na 1 juni 2015.
nr. 14van de procesinleiding in de eerste plaats, dat het hof in rov. 3.15 onvoldoende gewicht heeft toegekend aan zijn oordeel dat artikel 18.3 AV niet transparant is doordat [eisers] bij het sluiten van de overeenkomst niet hebben kunnen beoordelen wat de economische gevolgen van dit beding zijn. Het hof heeft miskend dat (in direct verband hiermee staat dat) [eisers] niet hebben kunnen beoordelen welke diensten en kosten van Volksbank tegenover de vergoeding staan noch of met de vergoeding dubbel voor deze diensten en kosten wordt betaald (vgl. HvJEU 3 oktober 2019 (Kiss), punt 42-44).
nr. 14van de procesinleiding in de tweede plaats, dat het hof niet heeft kunnen volstaan met de overwegingen in rov. 3.14 dat artikel 18 lid 3 AV Pro
nietongebruikelijk is, [eisers]
nietin een juridisch minder gunstige positie plaatst, en in samenhang met de andere bedingen
geennegatief cumulatief effect heeft. Daarmee heeft het hof miskend dat de vraag of een mogelijke aanzienlijke verstoring van het evenwicht heeft plaatsgevonden niet louter kan worden beantwoord op basis van een kwantitatieve beoordeling die berust op een vergelijking tussen het totale bedrag van de transactie waarop de overeenkomst betrekking heeft en de kosten die overeenkomstig het omstreden beding voor rekening komen van de consument (HvJEU 3 oktober 2019 (Kiss en CIB Bank), punt 51).
4.2.3 bedoelde motiveringsklachtgeen nadere bespreking. Voor zover deze klacht is toegelicht, volgt uit het voorgaande dat zij moet worden verworpen.
nr. 18van de procesinleiding geklaagd dat het hof als maatstaf had moeten toepassen of uit de kredietovereenkomst in haar geheel valt op te maken wat de juiste aard van de daadwerkelijk door de Volksbank verrichte diensten is, en er geen overlapping is van kosten of diensten die door die kosten worden vergoed en dat, indien het hof deze maatstaf heeft toegepast, zijn oordeel onbegrijpelijk is.
Ook ten aanzien van deze klachten geldt, dat uit het voorgaande volgt dat zij moeten worden verworpen.
5.Onderdeel 2 van het principale cassatiemiddel (Richtlijn hypothecair krediet)
'krediet verleend of toegezegd in de vorm van een uitgestelde betaling" zoals de definitie van artikel 4. lid 3 MCD vereist. Er was slechts sprake van de wijziging van het rentepercentage en er is een nieuwe rentevast periode overeengekomen. Van een (nieuwe) kredietovereenkomst in de zin van de MCD is geen sprake (zie de overwegingen hiervoor onder r.o. 3.3).
vóór de in de kredietovereenkomst overeengekomen datum van hun verplichtingen kunnenkwijtenen in vertrouwenkredietvoorstellen kunnen vergelijkenteneinde de producten te vinden die het beste in hun behoeften voorzien, zoals de Considerans beschrijft. Daarbij weegt het hof mee dat deze regeling voor vervroegde aflossing blijkens de Considerans dus niet alleen de bescherming van de consument op het oog heeft (door grenzen te stellen aan de vergoeding die de hypotheekverstrekker bij vervroegde aflossing mag bedingen), maar ook de concurrentie tussen aanbieders van kredietovereenkomsten wil bevorderen doordat de consument nieuwe kredietvoorstellen kan vergelijken. Ook daaruit blijkt dat met artikel 25 MCD Pro het daadwerkelijke einde tussen aanbieder en consument is bedoeld. Een rentewijziging zoals hier aan de orde valt daar niet onder.”
nr. 25van de procesinleiding aanvoert −
acte clairdat deze vraag wat betreft de Richtlijn hypothecair krediet ontkennend moet worden beantwoord op de gronden die het hof heeft aangevoerd.
einen Vertrag, bei dem ein Kreditgeber einem Verbraucher einen in den Geltungsbereich gemäß Artikel 3 fallenden Pro Kredit in Form eines Zahlungsaufschubs, eines Darlehens oder einer sonstigen ähnlichen Finanzierungshilfe gewährt oder zu gewähren verspricht”, “
an agreement whereby a creditor grants or promises to grant, to a consumer, a credit falling within the scope of Article 3 in the form of a deferred payment, loan or other similar financial accommodation” en “
un contrat en vertu duquel un prêteur consent ou s’engage à consentir un crédit relevant du champ d’application de l’article 3 à un consommateur, sous la forme d’un délai de paiement, d’un prêt ou de toute autre facilité de paiement similaire”.
Krediet verwijst dus, kort gezegd, naar het ter beschikking stellen van een hoofdsom. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit artikel 3 lid 2 onder Pro b en c Richtlijn hypothecair krediet, waarin wordt bepaald dat deze richtlijn niet van toepassing is op “
kredietovereenkomsten waarbij een werkgever het krediet als nevenactiviteit rentevrij (…) aan zijn werknemers verstrekt(..) noch op “
kredietovereenkomsten waarbij geen rente en andere kosten hoeven te worden vergoed”.
herfinanciering” als bedoeld in de considerans onder 15. Het begrip ‘herfinanciering’ wordt niet omschreven in de richtlijn hypothecair krediet. [78] Het duidt naar mijn mening op een nieuw krediet en niet op het enkel wijzigen van de voorwaarden, zoals de rente(periode), van een bestaand krediet. Hiervoor is steun te vinden in Richtlijn (EU) 2021/2167 [79] (de Non Performing Loans- of NPL-richtlijn), waarvan de omzetting eind 2023 dient plaats te vinden. Deze richtlijn voorziet in een nadere regeling van de in artikel 28 lid 1 Richtlijn Pro hypothecair krediet bedoelde respijtmaatregelen die de kredietgever aansporen een redelijke mate van tolerantie aan te houden alvorens een procedure tot gedwongen verkoop in te leiden. Volgens Richtlijn 2021/2167 gaat artikel 28 lid 1 Richtlijn Pro hypothecair krediet luiden:
nr. 21van de procesinleiding aanvoert, wordt het voorgaande niet anders in het licht van de ratio van de Richtlijn hypothecair krediet op grond van het argument, kort gezegd, dat een tussentijdse aanpassing van de rente de “totaalschuld” van de consument verlaagt en daarom (in elk geval) voor de toepassing van artikel 25 lid 3 Richtlijn Pro hypothecair krediet moet worden aangemerkt als een nieuwe kredietovereenkomst.
totale door de consument te betalen bedrag”. Volgens de richtlijn bestaat het “
totale door de consument te betalen bedrag” uit de som van het “
totaal kredietbedrag” en de “
totale kredietkosten”. Het kredietbedrag is “
het plafond of de som van alle bedragen die op grond van een kredietovereenkomst beschikbaar worden gesteld” en verwijst dus naar de hoofdsom. Zie artikel 4, onder 12 tot en met 14, Richtlijn hypothecair krediet in verbinding met artikel 3, onder g, h en l, Richtlijn consumentenkrediet (hiervoor in 3.17.1 e.v.). [82]
recht op een verlaging van de totale kredietkosten, bestaande uit de interesten en de kosten gedurende de resterende duur van de overeenkomst”. [83] Andere taalversies bepalen onder meer: “
In solchen Fällen hat der Verbraucher das Recht auf Ermäßigung der Gesamtkosten des Kredits für den Verbraucher, die sich nach den Zinsen und den Kosten für die verbleibende Laufzeit des Vertrags richtet”, “
In such cases, the consumer shall be entitled to a reduction in the total cost of the credit to the consumer, such reduction consisting of the interest and the costs for the remaining duration of the contract” en “
Dans ce cas, le consommateur a droit à une réduction du coût total du crédit pour le consommateur correspondant aux intérêts et frais dus pour la durée résiduelle du contrat”.
Een verlaging van de kosten volgt uit een verlaging van de hoofdsom.
[h]et vermogen van een consument om het krediet vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst af te lossen” namelijk in verband met de mogelijkheid dat “
consumenten zich vóór de in de kredietovereenkomst overeengekomen datum van hun verplichtingen kunnen kwijten en in vertrouwen kredietvoorstellen kunnen vergelijken teneinde de producten te vinden die het beste in hun behoeften voorzien.” Andere taalversies spreken onder meer van “
sich ihrer Verpflichtungen vor dem im Kreditvertrag vereinbarten Zeitpunkt zu entledigen”, “
the possibility to discharge their obligations before the date agreed in the credit agreement” en “
remboursement anticipé du crédit, afin que les consommateurs aient la possibilité de s’acquitter de leurs obligations avant la date prévue dans le contrat de crédit”.
binnen de termijn valt waarvoor een vaste rentevoet geldt”.
rente- en aflossingsverplichtingen”.
nr. 21op de bedoeling van de Uniewetgever om de concurrentie van aanbieders van kredieten te bevorderen.
acte clair, maar dwingt er volgens het HvJEU wel toe om bijzonder zorgvuldig te werk te gaan bij de beoordeling: [90]
Deze argumentatie gaat niet in op de tekst van de artikelen 4 onder 3 en 25 Richtlijn hypothecair krediet, die (ook in de eerder genoemde verschillende taalversies) eenduidig is en niet op meerdere, verschillende manieren kan worden gelezen. Verder is het argument onder (i) hiervoor in 5.9.1 e.v. besproken. De argumenten onder (iii) en (iv) duiden juist op een verschil tussen vervroegde (volledige) aflossing en rentewijziging. De argumenten onder (ii) en (v) kunnen wellicht meebrengen dat vervroegde aflossing en tussentijdse rentewijziging (in bepaalde opzichten) op een vergelijkbare wijze worden behandeld − vergelijk in Nederland de artikelen 81c en 81ca Bgfo −, maar kunnen als zodanig niet afdoen aan de keuze van de Uniewetgever omtrent de afbakening van het toepassingsgebied van (artikel 25 van Pro) de Richtlijn hypothecair krediet.
acte clairdat de Richtlijn hypothecair krediet niet van toepassing is op voor 21 maart 2016 gesloten kredietovereenkomsten waarbij na 21 maart 2016 sprake is van tussentijdse rentewijziging en dat artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet niet van toepassing is op tussentijdse rentewijzigingen.
nr. 21van de procesinleiding, dat de rechtsopvatting van het hof impliceert dat bepaalde kredietovereenkomsten tot 20 maart 2046 buiten bereik van de Richtlijn hypothecair krediet zouden blijven.
nr. 22van de procesinleiding) dat het hof heeft geoordeeld dat artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet en artikel 7:127 BW Pro beperkt zijn tot
algeheleaflossing, mist het feitelijke grondslag omdat het berust op een onjuiste lezing van het arrest van het hof.
Ik merk overigens op dat de procesinleiding hier de term ‘intern oversluiten’ gebruikt om een gedeeltelijke aflossing mee aan te duiden (en niet, zoals voor de hand ligt, om daarmee een tussentijdse rentewijziging aan te duiden [91] ). Anders dan het onderdeel aanvoert, behoefde het hof niet duidelijk te maken waarom een algehele aflossing anders beoordeeld zou moeten worden dan een gedeeltelijke aflossing of een verlaging van de rente. Uit het voorgaande volgt dat het relevante onderscheid zit in het verschil tussen aflossen en tussentijdse rentewijziging.
nr. 23aanvoert.
nr. 24aanvoert, in rov. 3.22 concluderen dat bij aflossing en tussentijdse rentewijziging geen sprake is van gelijke (of vergelijkbare) gevallen. Dat Volksbank dan wel de artikelen 81c en 81ca Bgfo bij aflossing en tussentijdse rentewijziging voorzien in een vergelijkbare wijze van berekening van de vergoeding, doet daaraan niet af. De kennelijk hierop gebaseerde klacht dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat artikel 81c Bgfo in dit geschil geen rol speelt (rov. 3.24) faalt daarom.
nr. 25mist feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn uitleg van artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet niet afhankelijk gesteld van de Haviltexmaatstaf. Het hof heeft enerzijds een uitleg gegeven aan artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet en geconcludeerd dat deze bepaling niet ziet op tussentijdse rentewijziging en anderzijds, aan de hand van de Haviltexmaatstaf, geoordeeld dat partijen in dit geval een tussentijdse rentewijziging zijn overeengekomen.
nr. 26van de procesinleiding richt zich tegen een ten overvloede gegeven overweging en behoeft gezien het voorgaande bij gebrek aan belang geen bespreking.
nrs. 23 en 27van de procesinleiding wordt gesteld dat Volksbank gezien artikel 25 lid 3 Richtlijn Pro hypothecair krediet niet meer dan haar werkelijke financiële nadeel in rekening had mogen brengen. Het hof heeft geoordeeld dat deze bepaling niet ziet op het onderhavige geval en geen oordeel gegeven over de eisen die deze bepaling stelt. De klacht mist daarom feitelijke grondslag.
6.Onderdeel 3 van het principale cassatiemiddel (artikel 6:237 onder Pro i BW)
onderdeel 3geeft het oordeel dat art. 6:237 onder Pro i BW niet van toepassing is op artikel 18.3 AV blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet begrijpelijk gemotiveerd. Het hof had met toepassing van artikel 6:237 onder Pro i BW moeten beslissen dat deze algemene voorwaarde onredelijk bezwarend is en daarom terecht door [eisers] is vernietigd, aldus het onderdeel.
nr. 29van de procesinleiding) dat artikel 6:237 onder Pro i BW van toepassing is, ook indien partijen niet de bedoeling hebben gehad de kredietovereenkomst te beëindigen.
nr. 29)verder aan dat de wetgever in het kader van artikel 6:237 onder Pro i BW een ruime uitleg van het begrip "beëindiging" voor ogen heeft gestaan en heeft willen voorkomen dat de consument uitsluitend van de uitoefening van zijn contractuele bevoegdheid afziet omdat hij dan een hoge boete verbeurt, wat ook de ratio van artikel 25 lid 3 Richtlijn Pro hypothecair krediet is, en dat ook een gedeeltelijke beëindiging door artikel 6:237 onder Pro i BW wordt bestreken. Ter adstructie van dit standpunt wordt voorts (in
nr. 30) verwezen naar HR 14 september, NJ 2019/323 (X/Stichting Kolom).
Indien bijvoorbeeld de consument in één overeenkomst twee computers heeft besteld en de bestelling van één computer annuleert, is sprake van een gedeeltelijke beëindiging van die overeenkomst. Voor de toepassing van artikel 6:237 onder Pro i BW verschilt dit geval niet van het geval waarin de consument de bestelling voor alle twee computers annuleert. In beide gevallen is er reden om een annuleringsbeding te toetsen aan de bescherming die artikel 6:237 onder Pro i BW beoogt te bieden.
De bepaling ziet verder niet alleen op gevallen waarin de overeenkomst wordt beëindigd voordat de gebruiker van de algemene voorwaarden zijn prestatie heeft verricht (maar mogelijk al wel met de voorbereiding daarvan is begonnen). Nu de toelichting ook spreekt van opzegging en voorbeelden geeft waarin sprake is van het gebruik van een zaak die de consument onder zich heeft gehad of van prestaties die de gebruiker jegens de consument heeft verricht, omvat artikel 6:237 onder Pro i BW ook gevallen waarin de overeenkomst kennelijk al gedeeltelijk is uitgevoerd en na enige tijd wordt beëindigd. Dit kan ook als een gedeeltelijke beëindiging, in temporele zin, worden beschouwd.
Hierop stuurt onderdeel 3 (in
nr. 30van de procesinleiding) aan. Daar wordt betoogd, dat “het in feitelijke zin lood om oud ijzer is of die voortzetting is te kwalificeren als een gedeeltelijke beëindiging en voortzetting in aangepaste vorm dan wel een volledige beëindiging en vervanging door een nieuwe kredietovereenkomst”.
Uit de parlementaire behandeling van artikel 6:237 onder Pro i BW blijkt echter dat de bepaling daarvoor niet bedoeld is. In deze zin lees ik de overweging van het hof aan het slot van rov. 3.3, dat onvoldoende is komen vast te staan dat artikel 6:237 onder Pro i BW ook zou zien op gedeeltelijke beëindiging. Het is ook niet nodig om het begrip ‘beëindiging’ in artikel 6:237 onder Pro i BW op te rekken buiten de gevallen waaraan blijkens de parlementaire geschiedenis is gedacht, omdat artikel 6:233 onder Pro a BW een vangnet biedt.
nrs. 28, 30 en 31) dat uit artikel 25 lid 3 Richtlijn Pro hypothecair krediet volgt dat Volksbank geen hogere vergoeding mag vragen dan het door haar werkelijk geleden verlies of financiële nadeel en dat dit een vergoeding voor gederfde winst uitsluit. Het is niet nodig om op dit betoog in te gaan, omdat bij de bespreking van onderdeel 2 is gebleken dat (artikel 25 lid 3 van Pro) de Richtlijn hypothecair krediet in dit geval niet van toepassing is. Overigens laat artikel 6:237 onder Pro i BW een redelijke vergoeding voor gederfde winst toe (zoals ook volgt uit
nr. 29(slot) van de procesinleiding).