Conclusie
Nummer20/03992
Inleiding
Het middel
€274,80. Ik zei dat we een schadeformulier in moesten vullen. Ik zag dat de man wegreed.
([betrokkene 2]), die tegen haar gezegd heeft dat zij het gezien heeft gebeuren, en dat zij het kenteken (van het voertuig) heeft genoteerd.
prima facieontoereikend” is. Nu in de schriftuur niet wordt aangegeven waarom de afwijzing in het licht van de appelschriftuur en de in eerste aanleg overgelegde pleitnotitie ontoereikend zou zijn, voldoet de ‘klacht’ niet aan de eisen voor een cassatiemiddel. Zij moet daarom onbesproken blijven.
nogmaals[cursivering van mij, D.P.] horen van [betrokkene 1]”. Aangevoerd wordt dat dit onjuist is, omdat [betrokkene 1] niet eerder door de verdediging was gehoord. Ten tweede wordt geklaagd over de overweging dat “ook zonder die verklaring van [betrokkene 1] tot een bewezenverklaring kan worden gekomen”. Dit zou onjuist zijn, omdat het bewijsmiddel voor de bewezenverklaring wel degelijk noodzakelijk zou zijn. Ten derde wordt geklaagd over de overweging dat “bij het nogmaals herhaalde verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 1] geen nadere, nieuwe onderbouwing is gegeven doch slechts een die gelijkluidend is aan het bij schriftuur en bij aanvang van de zitting in hoger beroep van heden gedaan verzoek”. Volgens de steller van het middel is deze overweging in strijd met het arrest van het EHRM in de zaak-
Keskin, omdat daaruit blijkt dat een gebrek aan onderbouwing van een verzoek tot horen van een getuige à charge een afwijzing van zo’n verzoek niet kan dragen. Tot slot wordt geklaagd dat de mogelijkheid voor de verdachte om zijn eigen verhaal tegenover dat van de getuige [betrokkene 1] te stellen en de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige [betrokkene 1] te betwisten niet een voldoende compenserende maatregel is voor het niet kunnen ondervragen van die getuige.
Post-)
Keskin-rechtspraak over het horen van belastende getuigen. Nadat Nederland op 19 januari 2021 in de zaak-
Keskindoor het EHRM was veroordeeld voor schending van art. 6 EVRM Pro wegens het niet-oproepen van belastende getuigen, [4] is de Hoge Raad in een arrest van 20 april 2021 nader ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van belastende getuigen ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen. [5] De Hoge Raad heeft in dat arrest onder meer het volgende overwogen: [6]
Post-Keskin-rechtspraak, kan de rechter echter motiveren waarom hij van oordeel is dat dit belang toch ontbreekt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien sprake is van een situatie waarin – in de woorden van de Hoge Raad – “het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben”, wat zich bijvoorbeeld kan voordoen indien “die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan”. Voor het oordeel dat zich een dergelijke situatie voordoet, zijn onder meer van belang de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging, de andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, zoals verklaringen van andere getuigen, en de procesopstelling van de verdachte, een en ander in het licht van het verhandelde ter terechtzitting waaronder wat daar mogelijkerwijs nog door de verdediging naar voren is gebracht over het doel van de beoogde ondervraging. [7]
Post-Keskin-rechtspraak moet het belang van het horen van een dergelijke getuige immers worden voorondersteld, maar kan er desalniettemin een geldige reden zijn waarom het hof – mits goed gemotiveerd, zoals in deze zaak het geval – van het horen afziet. Uit de motivering van het hof blijkt dat het hof in de onderbouwing van het verzoek geen reden heeft gezien het horen van de getuige toch noodzakelijk te achten.