ECLI:NL:PHR:2022:383

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 maart 2022
Publicatiedatum
20 april 2022
Zaaknummer
21/02301
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kennelijke misslag in strafoplegging door het hof, advies aan de Hoge Raad om deze te verbeteren

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1987, veroordeeld door het gerechtshof 's-Hertogenbosch tot een gevangenisstraf van vijf jaren en acht maanden voor meerdere feiten van brandstichting, waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar was te duchten. Het hof had de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor de vrijspraken en had de straf opnieuw bepaald, rekening houdend met de ernst van de feiten en het justitiële verleden van de verdachte. De advocaat-generaal had een gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden gevorderd, maar het hof legde een langere straf op. De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad, T.N.B.M. Spronken, was dat er een kennelijke misslag was in de strafoplegging, aangezien de strafmotivering van het hof aangaf dat de bedoeling was om een straf van vijf jaren en zes maanden op te leggen. De procureur-generaal adviseerde de Hoge Raad om deze misslag om doelmatigheidsredenen te verbeteren, zonder dat dit tot cassatie hoeft te leiden. De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de opgelegde vrijheidsstraf van vijf jaren en zes maanden met aftrek van voorarrest zal bevestigen, en het cassatieberoep zal verwerpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/02301
Zitting8 maart 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 21 mei 2021 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover dit beroep ziet op de gegeven vrijspraken, en wegens:
2 “opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd”,
3 “opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is”,
4 “opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, en
5 “opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en acht maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.
Voorts heeft het hof ten aanzien van 6 “opzetheling, meermalen gepleegd” en 7 “opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, gelet op de beperking van het hoger beroep en art. 423 lid 4 Sv, de straf opnieuw bepaald, en beslissingen genomen met betrekking tot een eerdere voorwaardelijke invrijheidstelling, het beslag en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, als nader omschreven in het arrest.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat zich richt tegen de strafoplegging.

2.Het middel

2.1.
Het middel klaagt dat de voor de feiten 2 tot en met 5 opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren en acht maanden niet overeenstemt met de strafmotivering, die duidelijk doet uitkomen dat het hof de bedoeling heeft gehad voor deze feiten een gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden op te leggen.
2.2.
Het hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje “Op te leggen straf” het volgende overwogen:
“De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van alle feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte voor de feiten die nog aan het oordeel van het hof zijn onderworpen verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft verzocht om een lagere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Gedurende een tijdsbestek van drie maanden heeft de verdachte bij de ex-schoonvader van zijn vriendin, een voormalige vriend van zijn vriendin en de zus van zijn vriendin auto’s en een woning in brand gestoken. Dit waren allen personen met wie verdachte naar eigen zeggen een appeltje te schillen had. Destijds achtte verdachte zijn redenen voor het stichten van deze branden gerechtvaardigd nu deze personen verdachte en/of zijn vriendin onjuist zouden hebben behandeld en/of onjuist zouden hebben bejegend. De brandstichtingen waren volgens verdachte doelgerichte wraakacties in de hoop de slachtoffers angst aan te jagen en hen tot gedragsverandering te dwingen. Verdachte hield hierbij rekening dat de slachtoffers zouden vermoeden dat hij degene was die de brandstichtingen pleegde.
Brandstichting brengt angst- en onrustgevoelens voor mensen in de omgeving van een brand met zich. Verdachte heeft zich van deze gevolgen van zijn daad niets aangetrokken. Uit de vorderingen tot schadevergoeding en de slachtofferverklaring ter zitting blijkt welke enorme impact dit heeft gehad op twee van de slachtoffers, die beiden als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte kampen met psychische problemen.
Het hof is van oordeel dat de verdachte zich, door te handelen zoals hij heeft gedaan, dan ook schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstige feiten die in beginsel een gevangenisstraf voor een langere duur rechtvaardigen.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 6 april 2021 waaruit volgt dat verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor ernstige geweldsdelicten.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de Pro Justitia rapporten beide daterend van 12 juni 2019. Hieruit volgt dat verdachte niet volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek. Het beperkt gebleven onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte desgevraagd verklaard dat hij nog steeds niet bereid is om mee te werken aan een dubbelrapportage. Uit het reclasseringsrapport d.d. 9 februari 2021 blijkt dat het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de impact van het bewezenverklaarde op de slachtoffers, het justitiële verleden van de verdachte en de persoon van de verdachte, zoals hiervoor omschreven, in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof zal een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 5 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest”.
2.3.
Het dictum van het arrest houdt in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
“Het hof:
(…)
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 8 (acht) maanden;
(…)
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraffen in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;”
2.4.
De bedoeling van het hof was blijkens de strafmotivering om aan de verdachte een gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden op te leggen. Dat strookt niet met de in het dictum opgenomen gevangenisstraf van vijf jaren en acht maanden. Naar mijn mening gaat het hier om een kennelijke misslag die de Hoge Raad om doelmatigheidsredenen kan verbeteren. [1] De Hoge Raad kan het arrest aldus verstaan dat de aan de verdachte opgelegde vrijheidsstraf vijf jaren en zes maanden beloopt, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.
2.5.
Opmerking verdient het volgende. Een kennelijke misslag als de onderhavige leent zich bij uitstek voor herstel door het hof zelf. Het gaat immers om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechters die op de zaak hebben gezeten overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van 6 juli 2010 [2] en 12 juni 2012 [3] . Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing. [4]

3.Conclusie

3.1.
Het middel is terecht voorgesteld, maar dat hoeft niet tot cassatie te leiden.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot ertoe dat de Hoge Raad zal verstaan dat de door het hof aan de verdachte opgelegde vrijheidsstraf vijf jaren en zes maanden beloopt, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, en het cassatieberoep zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie bijv. HR 17 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1569, rov. 2.3 (niet gepubl.), waarin de Hoge Raad de misslag in het dictum zelf herstelt. Dit gebeurde ook in HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9191, rov. 4.3.
2.HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243,
3.HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478,
4.HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:10, rov. 3.3.