Conclusie
Zilveren Kruis Zorgverzekering N.V.,
FBTO Zorgverzekeringen N.V.,
One Underwriting B.V.,voorheen geheten
IAK Volmacht B.V.,
Interpolis Zorgverzekeringen N.V.,
Momentum, respectievelijk
Zilveren Kruis,
FBTO,
One, en
Interpolis, gezamenlijk
Zilveren Kruis c.s. [1]
1.Inleiding en samenvatting
Stichting HVA) tegen de grootste Nederlandse zorgverzekeraars (hierna:
de collectieve actie). In die drie cassatieberoepen heb ik op 28 januari jl. geconcludeerd. [2] Gelet op deze samenhang
geef ik uw Raad in overweging om deze zaak samen met de beroepen in de collectieve actie te beslissen.
CZ:
Is voor toetsing aan het hinderpaalcriterium bepalend het verschil tussen de door de niet-gecontracteerde zorgaanbieder in rekening gebrachte kosten en de door de zorgverzekeraar op grond van zijn polisvoorwaarden toegekende vergoeding? Ik heb deze vraag ontkennend beantwoord, omdat de factuur van de zorgaanbieder niet het vertrekpunt kan zijn (conclusie
CZ, nrs. 3.47-3.52 en 5.2-5.5), waarmee ik uiteraard niet heb gezegd dat het hinderpaalcriterium maar beter kan worden afgeschaft. Momentum beantwoordt genoemde vraag bevestigend, zoals blijkt uit de
onderdelen II en III-Avan het principale middel. Daar stelt Momentum dat een vergelijking moet worden gemaakt tussen het door de zorgverzekeraar vergoede bedrag en het door de zorgaanbieder gehanteerde tarief.
Mag de zorgverzekeraar een vergoedingssystematiek hanteren waarin hij uitgaat van het tarief dat hij gemiddeld vergoedt aan de voor de betrokken zorg door hem wél gecontracteerde zorgaanbieders? Stichting HVA en Momentum beantwoorden deze vraag ontkennend, althans indien de zorgverzekeraar een
ongewogengemiddelde hanteert. Op dat punt had de Stichting HVA het hof Arnhem-Leeuwarden aan haar zijde. Ik heb die vraag daarentegen bevestigend beantwoord (zie conclusie
CZ, nrs. 4.50-4.53). Het hof Den Haag in deze zaak zit ook op die lijn. Daartegen keert zich
onderdeel IIvan het principale middel.
Mag de zorgverzekeraar op het uitgangstarief eengeneriekekorting toepassen, dat wil zeggen: een identiek kortingspercentage ongeacht de betrokken zorgsoort en de daarmee gemoeide kosten? Stichting HVA en Momentum beantwoorden deze vraag ontkennend: voor langdurige en complexe behandelingen die veel kosten, dient het kortingspercentage lager en het vergoedingspercentage dus hoger te zijn dan voor kleine behandelingen omdat verzekerden de eigen bijdrage anders onmogelijk kunnen opbrengen en daarom niet naar een door hun zorgverzekeraar niet-gecontracteerde zorgaanbieder kunnen gaan. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft Stichting HVA daarin gevolgd. Onder verwijzing naar het arrest
Conductore/Achmea [3] heb ik die vraag daarentegen bevestigend beantwoord, omdat een generieke korting (ongeacht het percentage) in algemene zin geen strijd met het hinderpaalcriterium oplevert zodat een vergoedingspercentage per zorgvorm of -soort niet is vereist. Dit laat onverlet dat in een individueel geval een feitelijke hinderpaal zich voor kan doen (zie conclusie
CZ, nrs. 4.80-4.82). Het hof Den Haag zit in deze zaak ook op die lijn.
Is een kortingspercentage van 25% in algemene zin toelaatbaar? Aanleiding voor die vraag is de rechtspraak van de Hoge Raad over het hinderpaalcriterium. In het arrest
CZ/Momentum [4] werd geoordeeld dat niet onbegrijpelijk was het oordeel van het gerechtshof in die zaak dat een vergoedingspercentage van 75-80% geen hinderpaal oplevert (rov. 3.7.1 en 3.7.2). In het arrest
Conductore/Achmeawerd overwogen dat het hinderpaalcriterium zich niet in algemene zin verzet tegen een ‘vlaktaks’ van 25% (rov. 3.1.4). Ook werd verduidelijkt dat uit voornoemde overweging uit het arrest
CZ/Momentumniet behoort te worden afgeleid dat een vergoedingspercentage van 75-80% geldt als een breed gedragen praktijknorm die in overeenstemming is met het hinderpaalcriterium (rov. 3.2.2). Net als Conductore probeert Momentum in deze zaak een (i) hogere vergoeding dan 75% af te dwingen (ii) van het wettelijke maximumtarief voor de zorgvormen die zij aanbiedt. [5] Over de toelaatbaarheid van een korting van 25% gaat
onderdeel IIIvan het middel.
Is voor het aannemen van een feitelijke hinderpaal relevant of de niet-gecontracteerde zorgaanbieder het verschil tussen de factuurprijs en de vergoeding aan de verzekerde kwijtscheldt? Net als het hof Arnhem-Leeuwarden beantwoorden de Stichting HVA en Momentum die vraag nadrukkelijk ontkennend. Het feit dat een niet-gecontracteerde zorgaanbieder het verschil tussen de kosten van een behandeling en de hoogte van de vergoeding van de verzekeraar niet in rekening brengt aan de patiënt, bevestigt volgens Momentum juist het bestaan van een hinderpaal. Ik heb deze vraag, waarover de lagere rechtspraak verdeeld is, in de collectieve actie daarentegen bevestigend beantwoord (zij het na de nodige aarzelingen): als een niet-gecontracteerde zorgaanbieder er om zakelijke redenen voor kiest niet met een bepaalde zorgverzekeraar te contracteren en het niet-vergoede deel van de zorgkosten niet in rekening te brengen aan de verzekerden van die zorgverzekeraar, is daarmee voor de verzekerde een hinderpaal op voorhand weggenomen (conclusie
CZ, nrs. 4.108-4.119).
Wat moet de niet-gecontracteerde zorgaanbieder aanvoeren om aan te tonen dat een bepaalde vergoedingssystematiek strijd oplevert met het hinderpaalcriterium? In de lagere rechtspraak is de vordering van de niet-gecontracteerde zorgaanbieder enkele malen hierop afgeketst. [6] In de onderhavige zaak is deze kwestie aan de orde in Onderdeel III-C van het principale beroep, waarin Momentum zich beroept op door haar in feitelijke aanleg overgelegde rapporten die op macroniveau gegevens bevatten van de bestedingsruimte van verzekerden. De collectieve actie gaat hier niet over.
In hoeverre zijn voor het aannemen van een feitelijke hinderpaal individuele omstandigheden van een verzekerde (zoals draagkracht) van belang? Hoewel Momentum het hinderpaalcriterium koppelt aan het autonome recht van de individuele patiënt om zijn arts vrij te kiezen, meent zij dat in de hinderpaaldiscussie van individuele omstandigheden moet worden geabstraheerd. Zilveren Kruis, die in beginsel identieke regels hanteert voor alle verzekerden, toont zich juist pleitbezorger van de individuele benadering ‘per verzekerde’. Op het eerste gezicht is dit nogal contra-intuïtief, zakelijk gezien zijn deze standpunten verklaarbaar. De aanval van niet-gecontracteerde zorgaanbieders (via de Stichting HVA of individueel) op de toegepaste vergoedingssystematiek heeft het meeste kans van slagen als die
systematiek als zodanigkan worden aangevochten op basis van collectieve gegevens en zonder te hoeven ingaan op de situatie van individuele verzekerden. Daaruit wordt dan de conclusie getrokken dat over de gehele linie de vergoeding te laag is. Omgekeerd is de verdediging door Zilveren Kruis c.s. van de vergoedingssystematiek kansrijker als die systematiek in bepaalde gevallen ruimte voor uitzonderingen laat, met name indien de niet-gecontracteerde zorgaanbieders het niet-vergoede deel van de zorgkosten aan de verzekerde kwijtscheldt (coulanceregeling) of de mogelijkheid is voorzien dat aan een individuele verzekerde een hogere vergoeding wordt toegekend (hardheidsclausule). Voor de volledigheid zal ik bij de bespreking van
onderdeel 1 van het (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoephierop ingaan. Daarbij staat centraal de betekenis van de termen “
bepaalde gevallen” en “
concrete feiten en omstandigheden” in het arrest
Conductore/Achmea, die meebrengen dat toepassing van een generieke korting (van 25%) kan leiden tot een hinderpaal [7] (zie conclusie
CZ, o.a. nrs. 3.46 en 6.1).
nietin strijd is met het hinderpaalcriterium. Het hof heeft in het midden gelaten wanneer, in algemene zin, van een dergelijke strijd wél sprake is.
2.Feiten
het gemiddeld gecontracteerde tarief).
3.Procesverloop
de rechtbank) met vorderingen die er, samengevat, toe strekten Zilveren Kruis c.s. te verplichten een andere vergoedingssystematiek te hanteren dan die hiervoor onder 2.6 genoemd. Momentum acht deze systematiek jegens haar onrechtmatig.
het hof). [12] Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van haar vorderingen, die zij als volgt heeft gewijzigd:
voor recht verklaartdat:
althanshet verschil tussen de door [Momentum] (rechtsgeldig) in rekening gebrachte declaraties en de vergoedingen die daarvoor
tenminstebetaald hadden behoren te worden indien een vergoedingsbeleid gehanteerd was dat in overeenstemming is met het hinderpaalcriterium zoals vervat in artikel 13 van Pro de Zorgverzekeringswet.
veroordeelt:
althansdat [Zilveren Kruis c.s.] dienen te waarborgen dat bij toepassing van dit vergoedingsbeleid voor de gemiddelde modale zorggebruiker óók voor de duurdere en duurste vormen van zorg geen feitelijke hinderpaal oplevert.
CZ/Momentumen
Conductore/Achmea(rov. 12-15).
4.Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep
Onderdeel IIbestrijdt dat bij de beoordeling van een hinderpaalverwijt het (ongewogen) gemiddeld gecontracteerde tarief als uitgangstarief mag worden gehanteerd.
Onderdeel IIIhoudt in dat de toepassing van een kortingspercentage van 25% niet aanvaardbaar is.
Onderdeel IVbevat slechts een voortbouwklacht.
regelingin een verzekeringspolis mijns inziens naar zijn aard generiek is. Het gaat immers om voorwaarden die onderdeel uitmaken van de modelovereenkomst tussen de verzekeraar en elk van zijn verzekerden. Dat op
onderdelenvan een vergoedingsregeling een differentiatie wordt toegepast, is echter niet op voorhand uitgesloten. Dat geldt dan vooral voor de
kortingop het uitgangstarief. Differentiatie van
hetuitgangstarief zelf lijkt geen reële mogelijkheid. De discussie over het juiste uitgangstarief ziet op de vraag
hoedat tarief moet worden bepaald.
Generieke karakter van de vergoedingsregeling
Conductore/Achmea, welke luidt:
in welk opzichteneen zorggebruiker nu precies ‘gemiddeld’ is. In ieder geval omvat dit, blijkens rov. 3.3.2 van
Conductore, ‘gemiddeld’ op het punt van het besteedbaar inkomen.
in algemene zinonaanvaardbaar is. Vanuit die invalshoek heeft het hof in rov. 23 geoordeeld over de vraag of het hanteren van een generiek kortingspercentage als zodanig – ongeacht de hoogte van het percentage – in algemene zin aanvaardbaar is. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Mij lijkt dat juist, gelet op rov. 3.1.4 van het arrest
Conductore/Achmea(mijn onderstrepingen):
in algemene zin verzet tegen een generieke korting, zoals de door Achmea c.s. gehanteerde ‘vlaktaks’ van 25%. Of en in hoeverre het hinderpaalcriterium zich in bepaalde gevallen verzet tegen een generieke korting kan slechts worden bepaald
aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, waaronder eventuele beleidsregels van de NZa.”
in deze zaaktot een afwijking van genoemd uitgangspunt nopen. In de passages uit de processtukken waarnaar de procesinleiding verwijst, [14] blijkt ook niet dat Momentum de aanvaardbaarheid van een generiek kortingspercentage
in algemene zinbestrijdt.
eerste stapheeft betrekking op het vaststellen van het
relevante uitgangstarief. Door het gemiddeld gecontracteerde tarief te hanteren in plaats van het wettelijke maximumtarief dat Momentum in de relevante periode heeft toegepast, vindt een vermindering van de vergoeding plaats, door Momentum aangeduid als de ‘eerste afslag’. De
tweede stapomvat de toepassing van een
generieke korting op dat uitgangstarief, door Momentum aangeduid als de ‘tweede afslag’. In de gedingstukken van Momentum wordt uitgebreid betoogd dat het hanteren van een kortingspercentage
van 25%voor de gemiddelde zorggebruiker een hinderpaal oplevert. Volgens Momentum wordt dit geïllustreerd door het gegeven dat Momentum een groot deel van haar klanten kwijt raakt als die het niet-vergoede deel van de behandelingskosten geheel of grotendeels zelf moeten betalen.
waaromdie praktische bezwaren moeten prevaleren, temeer omdat Momentum andere mogelijkheden dan differentiatie per DBC heeft aangedragen. Op deze gemotiveerde weerspreking heeft het hof niet gerespondeerd, aldus het middel.
in algemene zinbeoordeeld. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof bij de concrete toepassing van de vergoedingsregeling belang heeft toegekend aan het feit dat differentiatie van het gehanteerde uitgangstarief per DBC volgens Zilveren Kruis c.s. praktisch niet uitvoerbaar is. Dus ook als het hof zou hebben gerespondeerd op de stelling dat (andere) methoden van differentiatie bestaan die praktisch wél uitvoerbaar zijn, dan volgt daaruit nog niet dat de ongedifferentieerde benadering in algemene zin ontoelaatbaar is.
feitelijkehinderpaal moet een
feitelijkevergelijking worden gemaakt tussen (i) het bedrag dat de zorgverzekeraar vergoedt als de zorg in kwestie bij een niet-gecontracteerde aanbieder wordt betrokken, en (ii) het
feitelijkdoor de niet-gecontracteerde aanbieder voor diezelfde zorg gehanteerde tarief. Dat was hier het NZa maximumtarief; een rechtmatig tarief.
Overigens hoeft in ieder geval niet meer te worden betaald dan wat in Nederland doorgaans voor de desbetreffende zorg wordt betaald. Indien voor de desbetreffende vorm van zorg geen Wtg-«punttarief» geldt, kan daarbij
bijvoorbeeld worden uitgegaan van de gemiddelde prijs die de zorgverzekeraar voor de desbetreffende vorm van zorg aan wél door hem gecontracteerde aanbieders vergoedt, of van de prijs die hij vergoedt aan de wel door hem gecontracteerde zorgaanbieder die het dichtst bij de verzekerde is gevestigde. Geldt een Wtg-punttarief, dan is dat tarief bepalend.” [17]
ongerechtvaardigd onderscheidtussen gecontracteerde en niet gecontracteerde zorgaanbieders.
Gecontracteerde zorgaanbieders hebben zich met de zorgverzekeraar immers gecommitteerd aan een contract waarin bepalingen zijn opgenomen over een efficiënte en kostenbesparende zorgverlening. Zoals bijvoorbeeld een budgetplafond of kwaliteitseisen. Door het vergoedingsverschil te minimaliseren verdwijnt de prikkel tot het sluiten van contracten en wordt daarmee de beoogde werking van het stelsel ondermijn[d].”
Conductore/Achmea. [26] Anders dan in de collectieve actie stelt het middel niet dat de zorgverzekeraar niet mag uitgaan van een
ongewogengemiddelde. Daar ga ik dan ook niet verder op in.
Het kortingspercentage van 25%
de bereidheidvan mensen om gebruik te maken van de tweedelijns GGZ wanneer een eigen bijdrage wordt ingevoerd in het kader van de Zvw.
op basis van (...) jurisprudentie de NZa van oordeel [is] dat vergoedingspercentages voor niet gecontracteerde zorg van minder dan 75% van het marktconforme tarief naar verwachting een feitelijke hinderpaal zullen opleveren, tenzij de zorgverzekeraar kan motiveren en zo nodig onderbouwen waarom het lagere percentage geen feitelijke hinderpaal zal opleveren” (productie D bij memorie van grieven). Daarnaast blijft de hoogte van de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg onderwerp van het publieke debat (productie M, memorie van antwoord).
gemiddeldeeigen bijdrage zou moeten worden berekend, is dat onjuist. Bij de beantwoording van de vraag naar een
feitelijkehinderpaal gaat het namelijk om de
feitelijkevoor rekening van de zorggebruiker komende eigen bijdrage onder de streep. Het
gemiddeldespeelt enkel een rol bij het referentiesubject, aldus het middel.
CZ, nrs. 3.47-3.52 en 5.2-5.5) acht ik dit onjuist.
ook als zou worden aangenomen dat precies in kaart kan worden gebracht welke bedragen nominaal of percentueel als gemiddelde eigen bijdragen hebben te gelden (…)”) ligt daarin besloten dat, ook indien de in rov. 30 bedoelde vergelijking wél zou zijn gemaakt, het processueel debat volgens het hof onvoldoende aanknopingspunten biedt om te oordelen dat de door Zilveren Kruis c.s. gehanteerde generieke korting in strijd is met het hinderpaalcriterium.
nietwordt gedifferentieerd naar de specifieke zorgproducten die Momentum aanbiedt maar die uitgaat van het effect van het vergoedingsbeleid van Zilveren Kruis c.s. in algemene zin (kennelijk met inachtneming van
allevormen van niet-gecontracteerde zorg die daaronder worden vergoed). Of dat nu de juiste vergelijking is kan verder in het midden blijven. In rov. 24.2 overweegt het hof namelijk, kort gezegd, dat onvoldoende is weersproken dat de aard van de zorg van Momentum wezenlijk verschilt van andere door de vergoedingsregeling bestreken zorg. Dit wordt door het middel niet bestreden.
de Beleidsregel) van de NZa. [27] Het stond het hof vrij om daar belang aan toe te kennen. In het arrest
Conductore/Achmeabevestigt de Hoge Raad immers dat de vraag of en in hoeverre het hinderpaalcriterium zich in bepaalde gevallen verzet tegen een generieke korting slechts kan worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, “
waaronder kunnen vallen beleidsregels van de NZa” (rov. 3.1.4, slot).
CZ/Momentum. In
Conductore/Achmeaging het om het rapport van de NZa ‘Rechtmatige uitvoering Zorgverzekeringswet 2014’ waarin onder andere staat: “
Op basis van (…) jurisprudentie is de NZa van oordeel dat een vergoedingspercentage voor niet gecontracteerde zorg van minder dan 75% van het marktconforme tarief naar verwachting een feitelijke hinderpaal zal opleveren, tenzij de zorgverzekeraar kan motiveren en zo nodig onderbouwen waarom het lagere percentage geen feitelijke hinderpaal zal opleveren”. De Hoge Raad heeft in het arrest
Conductore/Achmeadit betoog van Conductore verworpen en geoordeeld dat de NZa zich een
eigen oordeelheeft gevormd over een aanvaardbaar vergoedingspercentage, waaraan niet afdoet dat de NZa zich daarbij heeft gebaseerd op jurisprudentie (rov. 3.2.3). [28]
omdathet overeenstemt met een breed gedragen praktijknorm. Overigens zie ik ook niet dat de NZa
zelfdaaraan normatieve betekenis toekent. Uit de Beleidsregel blijkt dat het percentage van 75% voor de NZa enkel een drempel voor een vermoeden is. In de (toelichting op de) Beleidsregel schrijft de NZa: “
Uiteindelijk laat een eventueel oordeel dat een in een modelovereenkomst opgenomen percentage op voorhand niet in strijd kan worden geacht met artikel 13 Zvw Pro, onverlet dat hierover in een concreet geval anders moet worden geoordeeld.” [30] Ook in de brief van de NZa waarnaar Momentum verwijst, staat te lezen dat “
[d]e vraag of er sprake is van een feitelijke hinderpaal (…), zoals de NZa heeft gesteld in haar beleid (…), een toetsing in het concrete geval aan de hand van specifieke omstandigheden [vergt].”
isvan een feitelijke hinderpaal. Indien het hof dan van oordeel was dat nadere bewijslevering was aangewezen omdat onvoldoende deskundige informatie voorhanden was, had het hof het verzoek van Momentum tot het horen van een deskundige niet mogen passeren, of gebruik moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid zelf om een deskundigenbericht te gelasten, althans moeten motiveren waarom een deskundigenbericht achterwege kon blijven. De beoordeling van het hinderpaalverwijt vergt bovendien geen “ambtshalve politieke of beleidsmatige” keuze. Daarbij komt dat het ‘publieke debat’ vgl. (rov. 32.3) ziet op aanpassing van de wet en niet op de toepassing van de geldende wettelijke regeling. Het oordeel is ook onjuist en onbegrijpelijk voor zover het hof overweegt dat zowel “
pleitbaar” is dat wordt uitgegaan van “
gangbare” uitgavenpatronen van verzekerden als dat wordt gerekend met een uitgavenpatroon op bijstandsniveau. De Hoge Raad heeft immers reeds geoordeeld dat niet moet worden uitgegaan van de gemiddeld minst daadkrachtige zorggebruiker. Tot slot kan het oordeel dat het partijdebat “
onvoldoende geobjectiveerde aanknoping” biedt voor beantwoording van de voorliggende vraag, niet op begrijpelijke wijze worden gedragen door wat het hof overweegt over de door Momentum aangehaalde onderzoeken van Nivel en Nibud. Die onderzoeken gaan namelijk over de bereidheid gebruik te maken van zorg gegeven bepaalde parameters.
isvan een hinderpaal, maar enkel óf in het licht van de stellingen van Momentum aannemelijk is dat zich een hinderpaal voordoet. Ik begrijp rov. 32 zo dat het hof kennelijk van oordeel is dat hetgeen Momentum heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar hinderpaalverwijt onvoldoende is, welk oordeel feitelijk van aard is en in cassatie alleen toetsbaar is op begrijpelijkheid.
bereidheidvan patiënten om gebruik te blijven maken van tweedelijns GGZ als zij een deel van de behandelingskosten zelf moeten dragen omdat de zorgverzekeraar die niet vergoedt. Ik acht begrijpelijk dat het hof de bereidheid van verzekerden om bij invoering van een eigen bijdrage gebruik te maken van de tweedelijns GGZ, niet van groot belang heeft geacht. De (mate van) bereidheid om een deel van de kosten te dragen zegt op zichzelf niets over de vraag of een vergoeding een feitelijke hinderpaal opwerpt. Het is de zorgverzekeraar toegestaan om de kosten voor niet-gecontracteerde zorg niet volledig te vergoeden, teneinde de kosten als gevolg van het inroepen van niet-gecontracteerde zorg te compenseren en de verzekerde te prikkelen om zorg af te nemen bij gecontracteerde zorgaanbieders, of om te kiezen voor een restitutiepolis. Als evenwel de bereidheid tot het betalen van een eigen bijdrage als uitgangspunt wordt genomen, dan mist de vergoeding deze beoogde compenserende en prikkelende werking.
iedereverzekerde die dergelijke zorg afneemt. Ten aanzien van patiënten met een naturapolis differentieert het rapport dus niet tussen patiënten die gebruik maken van tweedelijns GGZ bij een instelling die gecontracteerd is en patiënten die gebruik maken van tweedelijns GGZ bij een instelling die niet gecontracteerd is. De in het onderzoek genoemde eigen bijdragen zien dus niet op de eigen bijdrage voor niet-gecontracteerde zorg ten opzichte van gecontracteerde zorg. Dat uit het Nivel-rapport blijkt dat een groep patiënten niet tweedelijns GGZ afneemt bij een gecontracteerde zorgaanbieder in geval van invoering van een eigen bijdrage impliceert evenmin dat daarmee een hinderpaal bestaat ten aanzien van niet-gecontracteerde zorg omdat die in de regel niet volledig wordt vergoed. De vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg
magimmers lager zijn dan die voor gecontracteerde zorg.
volledige afschaffingvan het hinderpaalcriterium (en dus het sauveren van een vergoedingspercentage van welke hoogte dan ook) onderdeel van het politieke debat is.
aanbodtot het horen van een deskundige te motiveren. Die motivering is in het bestreden arrest te vinden in rov. 36. Die rechtsoverweging bouwt voort op rov. 32.1-32.3, waarin ligt besloten dat ook bij meer deskundige voorlichting het hof een algemeen oordeel diende te geven over wat de gemiddelde zorggebruiker geacht kan worden te kunnen besteden aan niet-gecontracteerde zorg. Onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd vind ik het oordeel van het hof dan ook niet.
5.Bespreking van het middel in het (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep
Onderdeel 1richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 15 dat de woorden “
bepaalde gevallen” in rov. 3.1.4 van het arrest
Conductore/Achmeazien op “
situaties met een gemene deler”.
Onderdeel 2houdt in dat de aanvaardbaarheid van een kortingspercentage van 25% niet afhangt van de mate waarin dat percentage een breed gedragen praktijknorm is. Nu ik van oordeel ben dat het principaal cassatieberoep niet slaagt, is de voorwaarde waaronder het incidenteel cassatieberoep is ingesteld niet vervuld. Ik zal niettemin het incidentele middel voor de volledigheid behandelen (vgl. hiervoor, 1.2 onder g.).
in algemene zin” niet verzet tegen een generieke korting op het marktconforme tarief, zoals een ‘vlaktaks’, maar “
of en in hoeverre het hinderpaalcriterium zich in bepaalde gevallen verzet tegen een generieke korting kan slechts worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, waaronder eventuele beleidsregels van de NZa”. Bij “
bepaalde gevallen” gaat het, zo begrijpt het hof, niet om individuele gevallen maar om situaties met een gemene deler.”
Conductore/Achmea. Daar heeft de Hoge Raad een concrete feitelijke toets aangelegd. Of een hinderpaalcriterium zich verzet tegen een generieke korting moet bepaald worden per individu aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Zilveren Kruis c.s. noemen dit ook wel de ‘per verzekerde’-benadering.
mate van abstraheringdie past bij de hinderpaaltoets.
nietin het geding is of een zorgverzekeraar een generiek vergoedingsbeleid mag voeren. Dat in nogal wat hinderpaalzaken het vergoedings
beleidvan de betrokken zorgverzekeraar centraal staat en niet een concrete vergoeding voor een bepaalde behandeling, lijkt het gevolg te zijn van het feit dat veel zaken geschillen tussen zorgverzekeraars en niet-gecontracteerde zorgaanbieders behelzen. [38] Vergoedings
beleidis van nature generiek van aard. [39] Bij de toelaatbaarheid van generieke aspecten in het licht van het hinderpaalcriterium gaat het dan ook om de
uitwerkingvan dat beleid voor verzekerden.
Conductore/Achmeawaar is geoordeeld dat de toelaatbaarheid van een generieke korting voor “
bepaalde gevallen” beoordeeld moet worden aan de hand van “
concrete feiten en omstandigheden”, hetgeen zou zien op situaties met een (grote) gemene deler. Ten tweede meent zij dat art. 13 lid 4 Zvw Pro zich verzet tegen de beoordeling van een hinderpaalverwijt op individueel niveau.
CZ/Momentumen de aldaar aangehaalde passages uit de parlementaire geschiedenis. In rov. 3.5.6-3.5.7 oordeelt de Hoge Raad (mijn onderstrepingen):
voor de verzekerde in kwestie. Voor deze afweging is, naast enerzijds de wens om de kosten van de zorg te beheersen en anderzijds de (vermeende) gevolgen die uit het Unierecht voortvloeien,
mede van belang geweest de wens om de vrije artsenkeuze ook bij een naturapolis in bepaalde mate te waarborgen. Het enkele feit dat het arrest Müller-Fauré geen basis biedt voor het hinderpaal-criterium, brengt dan ook niet mee dat het hinderpaal-criterium bij de uitleg van art. 13 lid 1 Zvw Pro betekenis mist.
voor de verzekerdeeen feitelijke hinderpaal zou vormen om zich tot een niet-gecontracteerde zorgaanbieder
van zijn keuzete wenden.”
Conductore/Achmea(hiervoor geciteerd in 4.5) geoordeeld dat bij het bepalen van de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg zorgverzekeraars mogen uitgaan van de gemiddelde (‘modale’) zorggebruiker. Als een zorgverzekeraar ervoor kiest uit te gaan van de minst draagkrachtige zorggebruiker als referentiesubject lijkt dat overigens wel toegestaan. [45] In zoverre kan uit het arrest
Conductore/Achmeaenkel worden afgeleid dat hij
daartoe niet gehouden is.
Conductore/Achmeadat de toelaatbaarheid van een generieke korting in “
bepaalde gevallen” beoordeeld moet worden aan de hand van “
concrete feiten en omstandigheden, waaronder eventuele beleidsregels van de NZa”.
de ‘concrete feiten en omstandigheden’ dus niet [zien] op individuele gevallen (het ‘per verzekerde in kwestie’- criterium) maar op de aan orde zijnde zorgvorm/type en de daaraan gerelateerde zorgkosten.” [47] Volgens genoemd hof mag (en moet) gekeken worden naar de zorgvorm/-type en de daaraan gerelateerde zorgkosten. Dit impliceert dat concrete feiten en omstandigheden wel moeten meewegen, maar ralleen voor zover het gaat om omstandigheden die direct samenhangen met de aard van de behandeling en niet om omstandigheden die betrekking hebben op de persoonlijke situatie van de verzekerde. Het Haagse hof oordeelt in
deze zaakdat met “
bepaalde gevallen” zijn bedoeld situaties met ‘een gemene deler’. Hoe groot die gemene deler is – namelijk of moet worden gekeken naar (het gemiddelde van)
alleniet gecontracteerde zorg afgezet tegen (het gemiddelde van)
alleeigen bijdragen, blijkt uit deze uitspraak niet.
bepaalde gevallen” en “
concrete feiten en omstandigheden” in het arrest
Conductore/Achmeaheeft bedoeld feiten en omstandigheden die concreet zien op het voorliggende geval waarin de toelaatbaarheid van een generieke korting moet worden beoordeeld. Het komt mij voor dat als de Hoge Raad meer specifiek ‘situaties met een gemene deler’ zou hebben bedoeld, dit uit de bewoordingen van het arrest zou moeten blijken.
bepaalde gevallen” en “
concrete feiten en omstandigheden” de mogelijkheid heeft willen open houden dat een op zichzelf toelaatbare generieke korting in bepaalde situaties correctie behoeft in het voordeel van de verzekerde. Paradoxaal genoeg is dat ook wat de zorgverzekeraars (hier: Zilveren Kruis c.s.) betogen: een hardheidsclausule en een coulanceregeling zijn voorbeelden van
concrete feiten en omstandighedendie in de hinderpaaltoetsing moeten worden betrokken vanwege de directe gevolgen die daarvan uitgaan op de hoogte van de vergoeding. Dit verklaart tevens waarom de niet-gecontracteerde zorgaanbieders juist van de coulanceregeling willen abstraheren (vgl. reeds hiervoor 1.2, onder g.). Volgens hen zou het niet juist zijn als een in hun ogen veel te lage vergoeding op hun kosten alsnog ‘hinderpaalproof’ zou kunnen worden gemaakt. [48]
Conductore/Achmea. [49] Ik denk het niet. De term ‘per verzekerde’ kan de indruk wekken dat steeds per geval moet worden bezien wat de individuele verzekerde in staat is te betalen. Zo lijkt mij die term echter niet bedoeld. Het is niet vereist om stelselmatig te bezien wat de individuele natura-verzekerde zelf kan betalen en daarvan af te leiden hoe hoog in zijn of haar geval de vergoeding dient te zijn om strijd met het hinderpaalcriterium te voorkomen. Dat zou inderdaad vermoedelijk een uitvoeringstechnische nachtmerrie worden.
nietaan te merken als ‘verzekerdenkenmerken’ waarvan de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg niet afhankelijk mag zijn, zoals bedoeld in art. 13 lid 4 Zvw Pro. [52]
hardheidsclausule. Zo kan binnen een categorie van verzekerden, bijvoorbeeld van 75 jaar of ouder, bij toepassing van de hardheidsclausule verschillend worden geoordeeld naar gelang een verzekerde een goed pensioen of alleen een Aow-uitkering heeft. [53]
Conductore/Achmeavormen het bepaalde in het vierde lid van art. 13 Zvw Pro en het hinderpaalcriterium van het eerste lid de grenzen aan ‘de grote mate van vrijheid’ die de zorgverzekeraar heeft om de (hoogte van de) vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg te bepalen. [54] Dit betekent dat een ter vermijding van een feitelijke hinderpaal gekozen berekeningswijze van de vergoeding verenigbaar moet zijn met art. 13 lid 4 Zvw Pro. Reeds daarom zie ik niet waarom de toepassing van coulance door de niet-gecontracteerde zorgaanbieder op grond van art. 13 lid 4 Zvw Pro niet zou mogen worden meegenomen bij de beoordeling van een hinderpaalverwijt, nu een dergelijke kwijtschelding los staat van de
door de zorgverzekeraar te berekenen vergoeding.
bepaalde gevallen” ziet op “
situaties met een gemene deler” in het licht van het bovenstaande onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu uit dit oordeel onvoldoende blijkt op welke situaties en op welke gemene deler het hof hier doelt.