Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2te behandelen. Dit onderdeel valt in drie subonderdelen uiteen en is gericht tegen rov. 14, waarin het hof heeft geoordeeld dat de man zijn primaire verweer – dat er geen grond is om een prestation compensatoire vast te stellen, gelet op kort gezegd de inkomens- en vermogenspositie van de vrouw – weliswaar pas ter zitting naar voren heeft gebracht, maar dat het toch op dit verweer zal ingaan omdat de vrouw hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt.
Onderdeel 2aklaagt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het grievenstelsel althans de twee-conclusieregel.
Onderdeel 2bvoegt hieraan toe dat het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat de vrouw geen bezwaar heeft gemaakt tegen het te laat aangevoerde verweer, geen uitzondering rechtvaardigt op de twee-conclusieregel.
die veroorzaakt is door keuzes gemaakt tijdens het huwelijk(rov. 16). Het hof heeft zich niet uitgelaten over de vraag of er overigens sprake is van een ongelijkheid tussen de huwelijkspartners die
nietis veroorzaakt is door keuzes gemaakt tijdens het huwelijk. Daarover behoefde het hof zich ook niet uit te laten, nu het reeds van oordeel was dat geen prestation compensatoire kon worden toegekend. Dat de verdere inkomens- en vermogensgegevens van de man dan niet meer van belang zijn, is niet een onbegrijpelijk oordeel. De klacht faalt.