Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Gazprombank-arrest van de Hoge Raad [2] , zodat het van rechtswege moet worden erkend (rov. 5.15-5.16). Het hof heeft zich daarom onbevoegd verklaard van het verzoek van de man tot het betalen van kinderalimentatie door de vrouw kennis te nemen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
kande behandeling van de zaak aanhouden, maar is daartoe niet verplicht. Hierin ligt een belangrijk verschil met art. 29 Verordening Pro Brussel I-bis en art. 27 EVEX Pro II (en hun voorgangers), die bepalen dat de rechter in het geval van litispendentie de zaak
moetaanhouden. Volgens de wetgever vloeit dit verschil voort uit het feit dat via de verordeningen en verdragen als het ware een gesloten stelsel van intern-regionale relatieve bevoegdheid is ingevoerd. [9]
engeopvatting verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd in het geval dat de buitenlandse beslissing op grond van een verdrag of een verordening in Nederland voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar is. In de
ruimeopvatting geldt dat de Nederlandse rechter zich ook bij gebreke van een verdrag of een verordening onbevoegd verklaart in het geval dat een partij op de voet van art. 431 lid 2 Rv Pro bij de Nederlandse rechter een vordering instelt tot veroordeling van de wederpartij waartoe deze in de buitenlandse beslissing is veroordeeld. De Nederlandse rechter toetst of de buitenlandse beslissing voldoet aan de criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in het
Gazprombank-arrest. [10] Is dat het geval, dan wordt in het Nederlandse vonnis de wederpartij veroordeeld tot datgene waartoe zij in de buitenlandse beslissing was veroordeeld. In het
Gazprombank-arrest heeft de Hoge Raad in rov. 3.6.4 overwogen dat in een geding op de voet van art. 431 lid 2 Rv Pro tot uitgangspunt dient dat een buitenlandse beslissing wordt erkend
forum arresti). In zijn arrest van 12 april 2019 heeft de Hoge Raad overwogen:
Gazprombank-arrest. De overige klachten van het onderdeel hebben betrekking op de nadere toepassing die het hof aan art. 12 Rv Pro heeft gegeven. Bij het slagen van de klacht dat het hof aan art. 12 Rv Pro geen toepassing had moeten geven, behoeven deze overige klachten bij gebrek aan belang geen bespreking.
beidepartijen hebben nagelaten de persoonlijke spullen te specificeren. Nu de stelplicht en de bewijslast inzake het afgifteverzoek op de vrouw rusten, was het niet aan de man om de (persoonlijke) spullen te specificeren, noch mocht dit van hem worden verwacht. Dit oordeel geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 150 Rv Pro.