In deze zaak is de betrokkene onherroepelijk veroordeeld voor handel in cocaïne over de periode van 1 februari tot en met 3 april 2019. Het hof ’s-Hertogenbosch stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €4.941,00 en legde de verplichting tot betaling daarvan op aan de betrokkene.
De verdediging voerde in hoger beroep aan dat de kosten van de 159 bolletjes cocaïne die bij aanhouding in beslag waren genomen en niet waren verkocht, in mindering gebracht hadden moeten worden op het berekende voordeel. Het hof verwierp dit verweer met de motivering dat alleen kosten die in directe relatie staan tot het strafbare feit en het voordeel daarvan in mindering mogen worden gebracht, en dat de kosten van niet-verkochte bolletjes niet tot het voordeel hebben geleid.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en stelt dat de rechter grote vrijheid heeft bij het al dan niet in mindering brengen van kosten, maar bij gemotiveerd verweer de motivering van verwerping moet weergeven. Het hof heeft dit voldoende gedaan en het middel faalt. Het cassatieberoep wordt verworpen.