Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 mei 2018.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een verstekarrest van het Gerechtshof Den Haag wegens rijden zonder rijbewijs. Het middel betrof de niet-naleving van art. 51 (oud) Sv (thans art. 48 Sv Pro), omdat geen afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman was gezonden.
De Hoge Raad constateerde dat noch de verdachte noch zijn raadsman bij de terechtzitting in hoger beroep aanwezig waren en dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk had verklaard op grond van art. 416, tweede lid, Sv. Ter onderbouwing werd een brief van de raadsman overgelegd die abusievelijk aan de griffie van een ander gerecht was gestuurd.
De Hoge Raad oordeelde dat deze brief niet automatisch door de ontvangende griffie hoeft te worden doorgezonden naar de juiste griffie en dat de raadsman zich niet rechtsgeldig had gesteld. Het middel faalde en het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens niet-naleving van de kennisgevingsplicht aan de raadsman.