Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De zaak
3.Het middel, de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen
II - Verklaringen [verdachte] betrouwbaar
De situatie was zeer hectisch en mijn cliënte was onder invloed van veel emoties. Het ingewikkelde is dat u haar maar een paar uur ziet. Zij is bloedzenuwachtig. Ik heb haar de afgelopen jaren vele uren gezien. Ik vraag u rekening te houden niet het feit dat u haar maar een zeer kort moment ziet.De rechtbank oordeelt dat [verdachte] , als het gaat om de kern van haar verklaring, vanaf het eerste moment consistent heeft verklaard. De rechtbank acht de verklaringen van [verdachte] dan ook voldoende betrouwbaar en gaat uit van de juistheid daarvan.
Ik trof haar aan in een blauwe overall, met haar handen onder het bloed en totaal verward. Ik kon met haar spreken, maar het was een waterval aan woorden over van wat er was gebeurd. Er zat een vrouw die alles wilde vertellen in het korte moment dat je met haar hebt.Ze sprak ook nog eens zonder gebit wat het zeer lastig verstaanbaar maakte. Ze ratelde maar door. De verdediging wil daarmee zeggen dat een eerste spontane ‘verklaring’ op de plaats-delict natuurlijk van belang is maar dat daar ook kritisch naar moet worden gekeken. Het is een beperkte weergave van wat er allemaal zou zijn gezegd. Het is zeer goed mogelijk dat [verdachte] veel meer woorden of andere woorden heeft gezegd, maar de agenten moeten vanzelfsprekend filteren. Uit de door de politie opgemaakte processen-verbaal blijkt ook dat [verdachte] op het moment van aanhouden en overbrengen verklaart en op hen een verwarde indruk maakt.
Daarmee bedoelt de verdachte dat [slachtoffer] continu het mes in zijn handen heeft gehad. Hij heeft zichzelf dus indirect in zijn buik gestoken.Als u haar nu vraagt wat ze daarmee bedoelt (en dat heeft uw Hof gister ook gedaan) zegt ze dat het slachtoffer het mes vasthad en zij enkel het mes van zich af heeft geduwd. Ze heeft het lemmet vastgepakt, aldus [verdachte] . Op 18 december 2017 wordt [verdachte] door de politie ook gevraagd wat ze bedoelde met de woorden die ze tijdens de aanhouding zou hebben gesproken. [verdachte] verklaart hierop dat ze niet letterlijk bedoelde dat hij dood wilde en dat ze met het tegenhouden bedoelde dat ze hem geprobeerd heeft tegen te houden om haar te steken.
Dat het openbaar ministerie zegt dat mijn cliënte haar verklaringen aanpast op onderzoeksbevindingen vind ik onbegrijpelijk.
enige vormvan dossierkennis.
Door de advocaat-generaal is opgemerkt dat vluchten een lastigere optie was geweest. Ik snap niet hoe dat een lastigere optie zou zijn. Mijn cliënte heeft niets te maken met letsel A. Ze zag een verwonding en heeft 112 gebeld om de man te redden.
4.Bespreking van het middel
Misschien(cursivering AG) dat Ton zichzelf heeft gestoken, maar ik heb niks gezien wat de hoge wond kan verklaren.” In hoger beroep verklaart zij op de terechtzitting van 15 februari 2021: “Het klopt dat ik op 19 december 2017
(AG: bij het politieverhoor)heb verklaard dat hij het
misschien(cursivering AG) zelf heeft gedaan, maar dat heb ik zelf niet gezien.” Op die zitting verklaart zij ook: “Het klopt dat ik eerder verschillende mogelijke oorzaken van het letsel bij de borst/hals overgang heb genoemd. Ik heb verklaard dat het letsel
kan(cursivering AG) zijn veroorzaakt bij het heen en weer gaan met het mes, doordat (het slachtoffer) is gevallen of door iemand anders die voorbij is gelopen.” Het komt mij voor dat dit eerder uitingen zijn waarmee de verdachte probeert aan te geven dat zij niets met de fatale steekwond van doen heeft, dan dat zij er een (redelijk) alternatief scenario mee beoogt te schetsen. Hoe het ook zij, het hof heeft de verklaring van de verdachte dat het slachtoffer misschien zichzelf heeft gestoken wel als een alternatieve lezing aangemerkt. Mogelijk is het hof daartoe gekomen doordat de verdachte aan die lezing wat cachet heeft gegeven door ook te verklaren dat het slachtoffer “heel vaak” tegen haar zei “dat hij dood wilde, hij had geen zin meer in het leven”. Ik aarzel of die toevoeging haar verklaring tilt naar het niveau van een alternatieve lezing.
NJ2010/314, m.nt. Y. Buruma. In dit arrest heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.5. immers het volgende overwogen:
NJ2022/178, m.nt. A.J. Machielse. Daaraan voorafgaand heeft mijn ambtgenoot A.E. Harteveld na een analyse van de literatuur en het relevante internationale recht geconcludeerd dat er bij de beoordeling van strafuitsluitingsgronden geen noodzaak bestaat om het criterium van de ‘aannemelijkheid’ te vervangen. [3] De Hoge Raad komt tot dezelfde conclusie. In zijn arrest overweegt hij dat het hof met het oordeel dat de door de verdediging – in het kader van een beroep op noodweer – gestelde aanranding ‘niet aannemelijk is geworden’ de juiste maatstaf heeft toegepast. Niet onvermeld mag blijven dat de Hoge Raad in een hieraan voorafgaande passage wel aanleiding heeft gezien zijn eerdere rechtspraak te verduidelijken.
maken, zijn alternatieve lezing moet aannemelijk
worden.