Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Unilever/…en …
/Luyckx, treffen zij doel. Het oordeel van het hof dat die regel meebrengt dat voor het antwoord op de vraag of de gezondheidsklachten van de werknemer kunnen zijn veroorzaakt door de blootstelling aan gevaarlijke stoffen rechtens geen ondergrens bestaat, in die zin dat de grootte van die kans daarvoor niet van belang is, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De hier bedoelde regel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dit vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Gemeente Rheden: [24]
de combinatie van(a) het gegeven dat de aangesproken persoon een veiligheidsnorm heeft geschonden en (b) een bepaalde mate van aannemelijkheid van het te veronderstellen causaal verband. Is het causaal verband té onzeker, dan past niet goed bij de aard van het aansprakelijkheidsrecht dat de werkgever toch aansprakelijk zou zijn (en wel voor álle schade). Verondersteld dat de werkgever niet zou slagen in het tegenbewijs tegen het bij toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel te vermoeden causaal verband, zou dit immers de uitkomst zijn. En juist in de nu bedoelde gevallen van onzeker of onbepaald causaal verband zál zulk tegenbewijs bezwaarlijk kunnen worden geleverd. Kortom, de prijs van een ruimere toepassing van de omkeringsregel dan zojuist verwoord, zou de aansprakelijkheid zijn van een relatief grote groep van werkgevers voor schade die niet door hun toedoen is ontstaan.
aanzienlijkemate van waarschijnlijkheid moet bestaan. [31] Ik sluit me hierbij aan.
prima vistawerd gedacht. Anders gezegd: de vereiste waarschijnlijkheid van het verband kan soms worden bereikt door het beredeneerd wegstrepen van alternatieve oorzaken. Uiteraard moet dat beredeneerd wegstrepen dan op voldoende aannemelijke gronden plaatsvinden. [34]
Nefalit [35] is immers de mogelijkheid van aansprakelijkheid aanvaard in gevallen waarin het causaal verband tussen de normschending en de schade niet vaststaat en dus ook niet vaststaat dat de schade door toedoen van de aansprakelijke persoon is ontstaan. Schadevergoeding is verschuldigd
in evenredigheid metde
kansdat de schade door zijn normschending is veroorzaakt. Ik citeer het arrest
Nefalit:
Fortis [36] volgt dat het bereik van proportionele aansprakelijkheid ruimer is dan het in
Nefalitbeschreven gevalstype. Verder benadrukte uw Raad dat bij de toepassing van proportionele aansprakelijkheid terughoudendheid moet worden betracht, omdat proportionele aansprakelijkheid de mogelijkheid in zich draagt dat iemand aansprakelijk wordt gehouden voor een schade die hij niet, of niet in de aangenomen mate, heeft veroorzaakt:
Nationale Nederlanden [37] is door uw Raad verduidelijkt dat proportionele aansprakelijkheid is bedoeld voor gevallen waarin niet kan worden vastgesteld of de schade is veroorzaakt door een normschending van de aansprakelijk gestelde persoon (of van iemand voor wie hij aansprakelijk is) dan wel door een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt, terwijl de kans dat de schade door de normschending is veroorzaakt niet zeer klein noch zeer groot is:
NJ2011/250 (
Nefalit/…), en die ook wel wordt aangeduid als proportionele aansprakelijkheid. Die regel is bedoeld voor gevallen waarin niet kan worden vastgesteld of de schade is veroorzaakt door een normschending (onrechtmatig handelen of toerekenbare tekortschieten) van de aansprakelijk gestelde persoon of van iemand voor wie hij aansprakelijk is, dan wel door een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt (of door een combinatie van beide oorzaken), en waarin de kans dat de schade door de normschending is veroorzaakt niet zeer klein noch zeer groot is. Voor dergelijke gevallen oordeelde de Hoge Raad dat het, gelet op de strekking van de overtreden norm (in dat geval: om gezondheidsschade te voorkomen) en de aard van de normschending, uit overwegingen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de onzekerheid over de mate waarin de normschending heeft bijgedragen tot de schade, in zijn geheel op de benadeelde af te wentelen, terwijl het anderzijds tegenover de aansprakelijk gestelde persoon, ook al heeft deze in strijd met de van hem te vergen zorgvuldigheid gehandeld, eveneens onaanvaardbaar is om die onzekerheid geheel op hem af te wentelen, in weerwil van de niet zeer kleine kans dat de schade (mede) is veroorzaakt door voor risico van de benadeelde komende omstandigheden. Daarom is in genoemd arrest, mede gelet op de aan de art. 6:99 en Pro 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten, voor dit soort gevallen aanvaard dat de rechter de aansprakelijk gestelde persoon mag veroordelen tot schadevergoeding in evenredigheid met de (in een percentage uitgedrukte) kans dat de schade door zijn normschending is veroorzaakt. De rechter dient dat kanspercentage vast te stellen op basis van een gemotiveerde, en zo nodig op deskundige voorlichting berustende, schatting van de kans dat de schade is veroorzaakt door de diverse in aanmerking te nemen mogelijke oorzaken. In zijn arrest van 24 december 2010, LJN BO1799,
NJ2011/251 (
Fortis/…) voegde de Hoge Raad daaraan toe dat de aldus aanvaarde mogelijkheid van proportionele aansprakelijkheid, vanwege het daaraan verbonden bezwaar dat iemand aansprakelijk kan worden gehouden voor een schade die hij mogelijkerwijs niet, of niet in de door de rechter aangenomen mate, heeft veroorzaakt, met terughoudendheid moet worden toegepast, en dat zulks meebrengt dat de rechter in zijn motivering dient te verantwoorden dat de strekking van de geschonden norm en de aard van de normschending – waaronder is begrepen de aard van de door de benadeelde geleden schade – deze toepassing in het concrete geval rechtvaardigen.’
rechtstreeksetoepassing van art. 6:99 BW Pro iets kan toevoegen aan het regime zoals dat op (veronderstelde) beroepsziekten van toepassing is. Is de ziekte uitsluitend te relateren aan de blootstelling bij twee of meer opvolgende werkgevers en geldt voor ieder van deze werkgevers dat hij is tekortgeschoten in zijn zorgplicht voor een veilige werkomgeving, terwijl bovendien ervan moet worden uitgegaan dat de volledige schade door de blootstelling bij een van hen is veroorzaakt, dan wel dat de volledige schade door de blootstelling bij de aangesproken werkgever zou zijn ontstaan als de blootstelling bij de andere werkgevers wordt weggedacht, dán zijn zij hoofdelijke aansprakelijk voor de volledige schade. Het is echter niet waarschijnlijk dat in veel gevallen van beroepsziekten aan elk van deze vereisten voldaan zal kunnen zijn, omdat het causaal verband daarvoor te indirect en diffuus is. Kan de ziekte ook zijn veroorzaakt door factoren die voor rekening van de werknemer komen (genetische aanleg, leefpatroon, blootstelling thuis of in de gewone buitenlucht), of kan de ziekte daardoor deels zijn veroorzaakt, dan is art. 6:99 BW Pro niet van toepassing, in ieder geval niet rechtstreeks. [44] Enige nuancering van dit laatste past echter mijns inziens: ook in dit verband geldt dat het beredeneerd en op voldoende aannemelijke gronden wegstrepen van
prima vistamogelijk oorzaken soms mogelijk zal zijn. Anders gezegd, niet
iederekans, hoe gering ook, dat de schade (mede) is veroorzaakt door een factor die voor rekening van de werknemer komt, of dat de blootstelling bij de aangesproken werkgever niet de gehele schade zou hebben veroorzaakt als die bij de andere werkgevers wordt weggedacht, leidt ertoe dat hoofdelijke aansprakelijkheid komt te ontbreken; met een redelijke mate van zekerheid behoort genoegen te worden genomen.
analogetoepassing denkbaar. Buiten het geval van beroepsziekten is overbekend het arrest van uw Raad in de zaak van de
Des-dochters. [45] In dat arrest is de aansprakelijkheid van de producenten van het geneesmiddel Des onder art. 6:99 BW Pro gebracht, hoewel in het midden bleef of Des ‘in de relevante periode ook in het verkeer is gebracht door een of meer producenten die daarvoor wegens het ontbreken van een fout niet aansprakelijk is (zijn) en (…) de schade van de betrokken Des-dochter ook door deze Des kan zijn veroorzaakt’. Volgens het
Des-arrest ontheft dit de andere producenten niet van hun aansprakelijkheid voor de gehele schade, tenzij die aansprakelijkheid in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Uw Raad heeft dit destijds gepresenteerd als een geval dat valt onder de tekst van art. 6:99 BW Pro, maar min of meer algemeen lijkt de opvatting dat dit niet juist is. Ik spreek daarom van een analoge toepassing van art. 6:99 BW Pro. Over het
Des-arrest is zeer veel geschreven, veelal in kritische zin. De uitkomst van de zaak is mogelijk juist, ervan uitgaande dat de kans dat de schade is veroorzaakt door een niet-aansprakelijke producent van Des zeer gering is (vergelijk hiervoor 3.15 slot). [46] Is die kans niet zodanig gering dat die oorzaak mag worden weggestreept, dan is de uitkomst dubieus, omdat een risicogemeenschap van daders ontstaat, die niet alleen alle door de daders veroorzaakte schade omvat, maar ook andere schade. Dit past slecht in een stelsel van aansprakelijkheid. Dat hoofdelijke aansprakelijkheid ertoe leidt dat de aansprakelijke personen onderling moeten uitzoeken wie in welke mate draagplichtig is en dat zij daarbij ook een insolventierisico dragen, wordt in het aansprakelijkheidsrecht bijna vanzelfsprekend als juist aanvaard. Ook dat impliceert het bestaan van een risicogemeenschap. Maar dat ook uitgaande van ideale omstandigheden de hoofdelijk verschuldigde schadevergoeding niet door middel van verhaalsvorderingen tussen de leden van de risicogemeenschap kan worden verdeeld naar rato van de door ieders toedoen veroorzaakte schade, [47] omdat er tussen de leden meer schade is te verdelen dan door hen tezamen is veroorzaakt, dat gaat de gangbare grenzen van aansprakelijkheid te buiten. Vergelijk ook art. 6:102 lid 2 BW Pro, dat uitdrukkelijk ervan uitgaat dat ook in geval van hoofdelijke aansprakelijkheid het gedeelte van de schade dat het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, voor diens rekening blijft, niet anders dan in het geval er slechts één aansprakelijke persoon zou zijn geweest. Aan een uitzondeling op dat uitgangspunt kleven, behalve principieel-juridische, ook praktische bezwaren (of zo men wil rechtseconomische), bijvoorbeeld in de zin dat een zo ruim gesneden aansprakelijkheid ertoe leidt dat gewone of zelfs uitgesproken wenselijke maatschappelijke activiteiten alleen nog tegen relatief hoge kosten verzekerbaar zijn. [48]
Des-arrest is reeds gezegd dat tegen een eventuele analoge toepassing van art. 6:99 BW Pro op gevallen van (veronderstelde) beroepsziekten, zwaarwegende bezwaren zijn in te brengen. Mijns inziens bestaat er ook geen aanleiding voor de gedachte dat uw Raad dat spoor niettemin is opgegaan. Iets anders is wel gelezen in het arrest
Nefalit, in de zin dat daarin zou zijn beslist dat de causale bijdragen van andere werkgevers in de verhouding tussen werkgever en werknemer voor rekening van de werkgever komen. [49] Anders gezegd, overeenkomstige toepassing van art. 6:99 BW Pro zou er in het kader van proportionele aansprakelijkheid toe moeten of kunnen leiden dat de werkgever een hoger percentage van de schade wordt toegeschat dan uitgaande van de kans dat de schade door zijn eigen toedoen is ontstaan. Het komt er dan op neer dat wat betreft het gedeelte van de schade dat niet het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, tussen de aansprakelijke personen (de opvolgende werkgevers) een risicogemeenschap bestaat. Hoewel zeer bekwame vakgenoten die vraag kennelijk nog niet als beslist beschouwen, [50] ben ik geneigd met andere, ook (zeer) bekwame vakgenoten [51] in het arrest
Nationale Nederlandente lezen dat uw Raad haar wel reeds heeft beslist, namelijk in de zin dat voor een dergelijke analoge toepassing van art. 6:99 BW Pro geen plaats is:
rechtstreeksetoepassing van art. 6:99 BW Pro niet uit, maar dan zal aan de vereisten van die bepaling moeten zijn voldaan (hiervoor 3.15). Bij dit laatste past bovendien de kanttekening dat we met zo’n rechtstreekse toepassing van art. 6:99 BW Pro het toepassingsgebied van de proportionele aansprakelijkheid hebben verlaten. Art. 6:99 BW Pro leidt immers tot hoofdelijke aansprakelijkheid voor de volledige schade.
onder 2.1bevat, richten zich tegen rechtsoverwegingen 26.25-26.45 van het eindarrest. Kort gezegd neemt het hof daar het (aanvullend) deskundigenbericht van [deskundige 1 (klinisch arbeidsgeneeskundige)] tot uitgangspunt en verwerpt het de tegen dat bericht gerichte bezwaren van [dochter van werknemer] . Naar aanleiding van de bevindingen van [deskundige 1 (klinisch arbeidsgeneeskundige)] wijst het hof vervolgens het beroep van [dochter van werknemer] op de arbeidsrechtelijke omkeringsregel af. De meest relevante overwegingen van het hof zijn de volgende:
onder 2.1.1-I).
onder 2.1.1-II).
onder 2.1.1-III).
onder 2.1.1-IV).
onder 2.1.1-V).
onder 2.1.2-I).
onder 2.1.2-II).
onder 2.1.2-III).
onder 2.1.2-IV).
onder 2.1.2-V, nader uitgewerkt
onder 2.1.4-III).
onder 2.1.2-IV).
onder 2.1.2-III) heeft het hof niet onbesproken gelaten. Dat volgt reeds uit de overwegingen waarnaar de klachten verwijzen. Het hof heeft de feiten en omstandigheden anders gewaardeerd dan van de zijde van [dochter van werknemer] in feitelijke aanleg wordt bepleit. In cassatie bepleit zij die andere waardering opnieuw, als ware cassatie een derde feitelijke instantie. Volledigheidshalve loop ik hierna de door [dochter van werknemer] genoemde feiten en omstandigheden langs.
onder 2.1.2-V en 2.1.2-VIloopt het middel vooruit op de klacht
onder 2.1.4-IIIdat de causaliteit wel exacter kan worden bepaald, maar [deskundige 1 (klinisch arbeidsgeneeskundige)] daartoe de competenties mist. Hierna onder 3.37 zal blijken dat laatstbedoelde klacht faalt. Ik verwijs daarnaar.
onder 2.1.3is het onjuist dat de kans wordt verlaagd in verband met mogelijke blootstellingen bij eerdere dienstverbanden. [dochter van werknemer] voert aan dat de blootstelling van meer dan 10 jaar bij [werkgever] al een percentage van 45% dient op te leveren. [dochter van werknemer] meent dat er sprake is van een situatie als bedoeld in art. 6:99 BW Pro. De blootstelling bij [werkgever] kan de blaaskanker zelfstandig hebben veroorzaakt en bij gebreke van een duidelijke andere oorzaak moet [werkgever] uit dien hoofde voor het geheel aansprakelijk worden geacht, naast de eerdere werkgevers. De klacht betreft ook het oordeel in rechtsoverweging 26.69, waar het hof als volgt heeft overwogen:
onder 2.1.4in het bijzonder op rechtsoverwegingen 26.40 e.v., waar het hof de bezwaren van [dochter van werknemer] tegen de rapportages van [deskundige 1 (klinisch arbeidsgeneeskundige)] verwerpt en het verzoek om een nieuwe deskundige te benoemen, passeert:
onder 2.1.4-I).
onder 2.1.4-II).
onder 2.1.4-III).
onder 2.1.4-IV).
SVB, [53] zou impliceren dat het hof niet kon volstaan met de overweging dat het hof het oordeel van [deskundige 1 (klinisch arbeidsgeneeskundige)] tot de zijne maakt (onder 26.44) en dit oordeel niet deugdelijk mocht noemen (onder 26.45). Het enkele feit dat [dochter van werknemer] geen Bayesiaanse kansberekening heeft overgelegd ter onderbouwing van haar bezwaar, zou voorts niet rechtvaardigen het oordeel dat de bezwaren onvoldoende zijn onderbouwd en ook niet maken dat [deskundige 1 (klinisch arbeidsgeneeskundige)] als deskundige niet een dergelijke berekening diende te maken of gebruik diende te maken van de methode van de Comparative Risk Ratio (
onder 2.1.4-V).
onder 2.1.4-VI).
onder 2.1.4-VII).
onder 2.1.4-VIII).
onder 2.2.1-I).
onder 2.2.1-II).
onder 2.2.2-I). [56]
onder 2.2.2-II). [57]
onder 2.2.2-III).
onder 2.2.3).
Gemeente Rheden [63] waarin uw Raad deze blootstelling van andere blootstellingen onderscheidt: [64]
Nationale Nederlanden(hiervoor 3.17 en 3.18).
onder 2.4van het middel in verband met een door [dochter van werknemer] verzochte aanvulling van een proces-verbaal heeft geen vervolg gekregen.