ECLI:NL:PHR:2022:660

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juli 2022
Publicatiedatum
4 juli 2022
Zaaknummer
21/00721
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 342 lid 2 SvArt. 3 onder B OpiumwetArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over bewezenverklaring hennepteelt en stroomdiefstal in gehuurde woning

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 5 februari 2021, waarin hij werd veroordeeld voor het opzettelijk telen van 79 hennepplanten in een door hem gehuurde woning en het stelen van elektriciteit via een illegale aansluiting in de meterkast.

Het hof baseerde zijn oordeel op een zevental bewijsmiddelen, waaronder de vondst van hennepplanten en wortelresten in de woning, een illegale stroomaansluiting, een drastische daling van het gemeten stroomverbruik, en persoonlijke poststukken en een IKEA-bon die wijzen op de aanwezigheid van verdachte in de woning gedurende de ten laste gelegde periode. Het hof verwierp het verweer van verdachte dat hij de woning vanaf december 2016 had onderverhuurd en niet op de hoogte was van de hennepkwekerij.

De advocaat-generaal concludeert dat het hof de bewezenverklaring terecht heeft gemotiveerd en dat de middelen van cassatie falen. Het hof mocht de verklaringen van verdachte als ongeloofwaardig terzijde schuiven en aannemen dat hij zowel de hennepteelt als de diefstal van stroom zelf heeft gepleegd. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor hennepteelt en stroomdiefstal blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/00721

Zitting5 juli 2022
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.

De procedure

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 5 februari 2021 wegens
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”en
“diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, veroordeeld tot een geldboete van duizend euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door twintig dagen hechtenis.
2. Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak 21/00482. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte. W.A.J.A. Welten, advocaat te Breda, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

De cassatiemiddelen

4. Het eerste middel komt met motiveringsklachten op tegen de bewezenverklaring van feit 1, het opzettelijk telen van 79 hennepplanten. De bewezenverklaring kan niet volgen uit de bewijsmiddelen en de bijzondere bewijsoverweging is niet zonder meer begrijpelijk, aldus de klacht. Meer in het bijzonder – zo begrijp ik de toelichting op het middel – is het oordeel van het hof dat de verdachte als enige verantwoordelijk is voor de hennepplantage ontoereikend gemotiveerd.
5. Het tweede middel klaagt dat artikel 342 lid 2 Sv Pro is geschonden, doordat het hof de bewezenverklaring van feit 2, de diefstal met verbreking, slechts heeft doen steunen op de verklaring van één getuige, te weten de fraudespecialist (namens aangeefster Stedin Netbeheer B.V.).
6. Het derde middel klaagt dat het hof aan de bewezenverklaring van feit 2, de diefstal met verbreking, slechts één bewijsmiddel ten grondslag heeft gelegd, en dat de bewezenverklaring niet uit de inhoud van dat ene bewijsmiddel kan worden afgeleid.
7. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Voordat ik daartoe overga, geef ik hieronder eerst de bewijsconstructie weer.

De bewijsconstructie van het hof

8. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. primair
hij in de periode van 1 mei 2017 tot en met 10 juli 2017 te [plaats], opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat 1]) een hoeveelheid van in totaal ongeveer 79 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
2. primair
hij in de periode van 15 mei 2017 tot en met 24 juli 2017 te [plaats], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een meterkast heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/elektrische energie, geheel toebehorende aan Stedin NV, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.”
9. Aan de bewezenverklaringen van feit 1 en 2 heeft het hof een zevental bewijsmiddelen ten grondslag gelegd. [1] Uit deze bewijsmiddelen heeft het hof – in de kern genomen – het volgende afgeleid:
- de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] werd sinds 1 september 2006 onafgebroken gehuurd door de verdachte;
- in de woning heeft de politie bij binnentreden op 24 juli 2017 een hennepkwekerij aangetroffen, waarvan de planten reeds waren geoogst. In de kweekruimte stonden 79 plantenbakken met aarde en wortelresten. De hennepresten testten positief op hennep/THC;
- de aangetroffen lege verpakkingen van groeimiddelen maken – bij een gemiddelde kweekcyclus van tien weken – in elk geval één eerdere oogst aannemelijk;
- op screenshots van Google Maps is te zien dat er sinds mei 2014 (en tot en met juli 2017) een kast van een airconditioning op het balkon van de woning staat. Deze airconditioning werd ook gebruikt in de kwekerij;
- in de woning was een illegale stroomaansluiting aangelegd waardoor de kwekerij buiten de elektriciteitsmeter om werd voorzien van elektriciteit;
- uit het gemeten stroomverbruik over de periode van 29 januari 2012 tot en met 28 juli 2017 volgt dat het maandelijkse stroomverbruik voor de woning vanaf 1 mei 2014 plotseling sterk daalt;
- tijdens het politieverhoor heeft de verdachte verklaard dat hij zijn woning vanaf december 2016 onderverhuurde en dat hij tussen december 2016 en het moment van aantreffen van de hennepkwekerij door de politie op 24 juli 2017 nooit meer in de woning is geweest;
- de politie heeft bij binnentreden op 24 juli 2017 in de huiskamer van de woning diverse geopende, aan de verdachte gerichte brieven aangetroffen;
- ook heeft de politie in de woning een IKEA-bon van een pintransactie aangetroffen. De pintransactie is gedaan op 10 juni 2017 bij de IKEA aan de Euroweg 101 te Amersfoort met de bankpas en pincode van de verdachte.
10. In aanvulling op de bewijsmiddelen heeft het hof nog het volgende overwogen:
“De advocaat-generaal heeft het hof verzocht het vonnis van de rechtbank te bevestigen.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. De raadsman voert daartoe aan dat verdachte het door hem gehuurde pand waarin de hennepkwekerij is aangetroffen vanaf december 2016 heeft wederverhuurd, verdachte vanaf dat moment niet meer in de woning aanwezig is geweest en derhalve niet op de hoogte was van het bestaan van de hennepkwekerij.
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder.
Verdachte stelt zich op het standpunt dat hij niet op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in zijn woning. Verdachte zou zijn woning aan [a-straat 1] in [plaats] vanaf december 2016 hebben wederverhuurd aan de Hongaar [Betrokkene 1]. Ten behoeve van deze verhuur is een huurcontract opgemaakt waarbij een kopie van het paspoort van [Betrokkene 1] is gevoegd. Naast deze stukken beschikt verdachte niet over nadere, verifieerbare (contact)gegevens van deze persoon. Onderzoek in de Nederlandse politiesystemen leerde dat genoemde persoon daarin niet voorkomt. Van de Hongaarse autoriteiten is geen nadere informatie verkregen. Nader onderzoek naar deze persoon is niet mogelijk gebleken. Het hof is van oordeel dat deze verklaring van verdachte onvoldoende is onderbouwd en daarmee – mede gelet op het navolgende – als onaannemelijk terzijde dient te worden geschoven.
Het door verdachte geschetste alternatieve scenario wordt mede onaannemelijk geacht op grond van een aantal in het dossier aanwezige indicatoren en de door de verdachte gegeven wisselende verklaringen hierover.
Ten eerste blijkt uit de opgenomen meterstanden dat het stroomverbruik in de woning van verdachte vanaf 1 mei 2014 drastisch is gedaald. Verdachte verklaart aanvankelijk bij de politie dat hij vanaf 1 september 2006 tot november 2016 steeds in de woning heeft gewoond en dat de daling van het energieverbruik het gevolg is geweest van de relatiebreuk met zijn echtgenote die met hun kinderen uit de woning vertrok. Ter terechtzitting stelt hij echter sinds het overlijden van zijn vader in 2014 doordeweeks bij zijn moeder te wonen en slechts in de weekenden met zijn dochter in de woning te verblijven.
Ook omtrent de aanwezigheid van de airconditioning op het balkon wordt door verdachte inconsistent verklaard. Ten aanzien van de airconditioning verklaart verdachte bij de politie dat hij deze niet zelf heeft geplaatst en dat deze er nog niet stond toen hij de woning in december 2016 verhuurde aan [Betrokkene 1]. Ter terechtzitting in hoger beroep komt verdachte ineens met de verklaring dat de airconditioning al sinds 2012 op het balkon van de woning aanwezig is en dat deze in opdracht van verdachte is geplaatst.
Tenslotte worden geopende, aan verdachte gerichte post en een Ikea-bon waarvan vaststaat dat de hierop vermelde aankoop is betaald via de bankrekening van de verdachte, aangetroffen in de woning. Verdachte heeft steeds verklaard na de verhuur in december 2016 niet meer in de woning aanwezig te zijn geweest. Aanvankelijk beroept verdachte zich op dit punt op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting in eerste aanleg komt hij met het scenario dat zijn echtgenote een plastic boodschappentasje aan [Betrokkene 1] zou hebben gegeven waar de Ikea-bon mogelijk in heeft gezeten. Ter terechtzitting in hoger beroep schetst verdachte nog een ander scenario, namelijk dat het bonnetje bij de overdracht van de huur uit zijn portemonnee zou zijn gevallen en deze vervolgens door [Betrokkene 1] mee de woning in zou zijn genomen. Het hof acht deze door verdachte geschetste scenario’s erg onaannemelijk.
Gezien de inconsistentie in de verklaringen van verdachte is het hof van oordeel dat de verklaringen van verdachte als ongeloofwaardig terzijde dienen te worden geschoven.
Hoewel het hof van oordeel is dat de hennepkwekerij veel minder vervuild is dan men, gelet op de door de advocaat-generaal gestelde periode, zou verwachten, dient volgens het hof, gelet op de overige overtuigende indicatoren (met name de verandering in het elektriciteitsverbruik) rekening te worden gehouden met het scenario dat de kwekerij tussentijds is schoongemaakt dan wel vernieuwd.
Het hof is van mening dat de overige in het dossier aanwezige indicatoren zwaarder dienen te wegen dan bovengenoemde contra-indicatie en oordeelt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte in de periode van 1 mei 2017 tot en met 10 juli 2017 een hennepkwekerij in zijn woning heeft geëxploiteerd en dat hij zich daarbij tevens schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit.”

Het beoordelingskader

11. In deze zaak steunt het bewijs van feit 1, het opzettelijk telen van de 79 hennepplanten, op de omstandigheid dat de hennepplanten zijn aangetroffen in een door de verdachte gehuurde woning, alwaar hij ook stond ingeschreven. Het hof is voorbijgegaan aan het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, te weten dat hij elders woonde/verbleef, de woning had onderverhuurd, vanaf december 2016 niet meer in de woning kwam en dat de hennepplantage zou zijn aangelegd door de onderhuurder buiten de wetenschap en medewerking van de verdachte. De vraag die derhalve voorligt is of het hof de verdachte – in het licht van het door hem en namens hem gevoerde verweer – strafrechtelijk verantwoordelijk kan houden voor het opzettelijk telen van de hennepplanten.
12. De beoordeling van het bewijs van het opzet op het aanwezig hebben, respectievelijk het telen van hennepplanten is casuïstisch van aard en afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat de feitenrechter bij zijn oordeel of de verdachte de hennepplanten die in een door hem gehuurd pand zijn aangetroffen opzettelijk aanwezig heeft gehad, respectievelijk heeft geteeld, in ieder geval niet de juistheid in het midden mag laten van een door de verdachte gevoerd verweer dat hij niet over de hennep kon beschikken dan wel van de aanwezigheid van die hennepkwekerij geen wetenschap had. Maar ook het enkele oordeel dat de verklaring van de verdachte over een onderhuurder (althans een alternatief scenario) onvoldoende verifieerbaar is, volstaat niet. Ook kan uit de rechtspraak worden afgeleid dat de eigenaar of huurder van een henneppand als pleger kan worden veroordeeld als het niet anders kan zijn dan dat hij degene is geweest die de hennepkwekerij heeft geëxploiteerd. Deze conclusie is gerechtvaardigd als de eigenaar of huurder, ondanks dat alle pijlen in zijn richting wijzen, geen (aannemelijke) verklaring aflegt over de hem belastende feiten en omstandigheden. [2]
13. De bewezenverklaring van feit 2 houdt in dat de verdachte zelf door middel van verbreking een hoeveelheid elektriciteit heeft weggenomen. In zijn conclusie van 8 december 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1124, zette mijn ambtgenoot Bleichrodt hierbij onder meer het volgende voorop:
“10. (…) Onder ‘wegnemen’ als bedoeld in artikel 310 Sr Pro moet worden verstaan het zich verschaffen van de feitelijke heerschappij over een goed dan wel het aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrekken van dat goed. Elektriciteit wordt eerst weggenomen door het verbruiken ervan door de in het pand aanwezige apparaten en installaties die zijn aangesloten op het elektriciteitsnet. Niet reeds het manipuleren van de meter of het aansluiten van een illegale elektriciteitsvoorziening, maar het verbruiken van de elektriciteit levert dus wegnemen in de zin van artikel 310 Sr Pro op. Wanneer, zoals in de onderhavige zaak, diefstal van elektriciteit door middel van verbreking bewezen is verklaard, zal uit de bewijsvoering tevens moet kunnen worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die de verzegeling van de meterkast heeft verbroken en een illegale aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om heeft gemaakt.
(…)
12. Indien op grond van de wettige bewijsmiddelen als vaststaand kan worden aangenomen dat een illegale elektriciteitsaansluiting de desbetreffende hennepkwekerij van stroom voorziet, terwijl de verdachte de hennepkwekerij alleen heeft opgezet, ingericht en onderhouden, kan daaruit in de regel wel worden afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat hij ook degene is geweest die de elektriciteit heeft gestolen. In dit verband kan ook het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte en van derden bij de hennepteelt en/of de diefstal van belang zijn. [3]
14. Derhalve is de uiteindelijke kernvraag die in cassatie voorligt of uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat het hier ging om een hennepkwekerij die de verdachte
in zijn eentjeheeft opgezet, ingericht en onderhouden, terwijl een illegale elektriciteitsaansluiting de desbetreffende hennepkwekerij van stroom voorzag.

Beoordeling van de cassatiemiddelen

15. Het hof heeft geoordeeld dat het alternatieve scenario van de onderhuurder niet aannemelijk is geworden. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat de overige, steeds wisselende verklaringen van de verdachte aangaande het drastisch gedaalde stroomverbruik, de IKEA-bon en de airconditioning, als ongeloofwaardig terzijde moeten worden geschoven. Het hof heeft de verdachte aangemerkt als pleger van zowel de hennepteelt als de diefstal met verbreking.
16. Wanneer ik de bewijsmiddelen nader beschouw kom ik tot de conclusie dat behalve de lezing van de verdachte over de Hongaarse onderhuurder [Betrokkene 1], er geen aanwijzingen zijn voor de mogelijke betrokkenheid van een ander bij de hennepteelt. Nu de verdachte, anders dan een kopie van het paspoort, geen (verdere) informatie heeft gegeven over deze [Betrokkene 1] en deze persoon ook niet traceerbaar blijkt, is er wel erg weinig steun voor zijn lezing. Bovendien is in het pand een IKEA-bon aangetroffen van een met zijn bankpas uitgevoerde pintransactie en een aantal geopende, aan hem gerichte brieven. Deze omstandigheden wijzen in onderling verband en samenhang beschouwd op de (regelmatige) aanwezigheid van de verdachte in de woning gedurende de ten laste gelegde periode. Over deze omstandigheden heeft de verdachte wisselende en zeer onwaarschijnlijke verklaringen afgelegd. Dat het hof tegen deze achtergrond heeft geoordeeld dat het alternatieve scenario van de verdachte niet voldoende aannemelijk is geworden, is niet onbegrijpelijk. Voor het overige leent dit oordeel zich niet voor toetsing in cassatie.
17. Daarmee kon het hof tevens oordelen dat het de verdachte moet zijn geweest die de verzegeling van de meterkast heeft verbroken en een illegale aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om heeft gerealiseerd. Immers, nu het alternatieve scenario van de verdediging niet aannemelijk is geworden blijft alleen de kale ontkenning van de verdachte over. Tot een nadere motivering was het hof mijns inziens niet gehouden. [4] Hierop stuiten alle middelen in beginsel af.
18. Voor zover met het tweede middel nog wordt aangevoerd dat het hof de bewezenverklaring van de diefstal met verbreking in strijd met artikel 342 Sv Pro louter heeft doen steunen op bewijsmiddel 7, de aangifte namens Stedin, en dat die aangifte in wezen een getuigenverklaring betreft, het volgende. Materieelrechtelijk gezien betreft bewijsmiddel 7 inderdaad een getuigenverklaring, en die mag niet als enige bewijsmiddel ten grondslag worden gelegd aan de bewezenverklaring van feit 2. Maar dat het hof hier de diefstal met verbreking louter en alleen op de aangifte van Stedin heeft gebaseerd is een onjuiste weergave van de bewijsconstructie. De gehele bewijsvoering maakt duidelijk dat het hof de bewijsmiddelen
in hun onderlinge samenhangheeft gewogen en ten grondslag heeft gelegd aan zowel de hennepteelt als de diefstal met verbreking. Een (wellicht wat ongelukkige) rubricering van het hof in de aanvulling op zijn verkorte arrest doet daaraan niet af.
19. Voor zover met het derde middel nog wordt beoogd te klagen dat (i) uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er in de bewezen verklaarde periode apparatuur in werking was ten behoeve van de hennepkwekerij en dat (ii) het enkele feit dat de hoofzekering verzwaard bleek te zijn onvoldoende is om diefstal van stroom te schragen, berusten de klachten op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Bewijsmiddel 6 relateert dat de aangetroffen airconditioner (ook) gebruikt werd in de kwekerij. Daarnaast was er niet enkel sprake van een verzwaring van de hoofdzekering, maar ook van het
bijplaatsenvan hoofdzekeringen in de hoofdaansluitkast. Hierdoor werd het mogelijk om illegaal elektriciteit af te nemen buiten de meter om: zo’n 8.400 kWh, zie bewijsmiddel 7. Derhalve komt de feitelijke grondslag aan dit middel te ontvallen.

Slotsom

20. Alle middelen falen en lenen zich voor afdoening met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie de aanvulling met bewijsmiddelen op het bestreden arrest.
2.Zie mijn conclusie van 8 februari 2022 voor HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:471 (ECLI:NL:PHR:2022:89), en de daarin genoemde voorbeelden van casuïstische rechtspraak. Vgl. ook N. Seijlhouwer-de Visser, ‘De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand’,
3.Conclusie van 8 december 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1124. Zie ook zijn conclusie voor HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:554 (ECLI:NL:PHR:2019:142), en de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Knigge voor HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:390 (ECLI:NL:PHR:2018:8). Vgl. ook HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2534, en mijn conclusie voor HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2340 (ECLI:NL:PHR:2018:1398).
4.Vgl. HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:554, rov. 2.4 (alternatief scenario van een huurder als verantwoordelijke voor de hennepkwekerij niet aannemelijk geworden; verdachte handelde alleen), en HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2340 (alternatief scenario van huurder als verantwoordelijke voor de hennepkwekerij niet aannemelijk geworden). Zie ook de bespreking van het tweede middel in mijn conclusie van 11 mei 2021, ECLI:NL:PHR:2021:696. Uw Raad deed dat middel af met art. 81 lid 1 RO Pro: HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1034,