Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
29 maart 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft het aantreffen van 128 hennepplanten in een woning te Amsterdam, gehuurd door de verdachte die ook op dat adres was ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. De verdachte stelde dat de hennepplantage door een onderhuurder was aangelegd, maar het hof oordeelde dat dit niet aannemelijk was gemaakt.
De bewijsmiddelen bestonden uit proces-verbalen van de doorzoeking, waarin een hennepplantage in twee kamers met professionele kweekapparatuur werd aangetroffen, een huurovereenkomst en inschrijving in de GBA. Het hof verwierp het verweer van onderverhuur vanwege gebrek aan concrete gegevens en inconsistenties in de verklaringen van verdachte.
De Hoge Raad beoordeelde het cassatieberoep en concludeerde dat het hof het bewijs en de motivering voldoende had gewogen en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was. Het cassatieberoep werd verworpen en de zaak werd niet vernietigd. Daarmee blijft de bewezenverklaring dat verdachte opzettelijk de hennepplanten aanwezig had, gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte opzettelijk 128 hennepplanten in zijn gehuurde woning aanwezig had en verwerpt het cassatieberoep.