Conclusie
1.Inleiding
Het hof heeft, in navolging van de rechtbank, kort gezegd geoordeeld dat de vaststelling van Fitlands schadevergoeding dient te geschieden op basis van het wettelijke regime ex art. 6:277 BW Pro waarbij de liquidatie van de C.V. – en (dus) niet voortzetting van de onderneming van de C.V. door Fitland – tot uitgangspunt moet worden genomen.
Het cassatieberoep van Fitland komt met een waaier aan rechts- en motiveringsklachten op tegen verschillende aspecten van ’s hofs arrest. Het cassatieberoep treft m.i. geen doel.
2.Feiten
hof). [1]
Fitland City Resort) tot het Fitland-concern. Dit concern exploiteerde een keten van luxe wellness-resorts, hotels, restaurants en fitnesscentra.
Green) het Level Gebouw (hierna: het
gebouw) laten bouwen, gelegen naast het Centraal Station van Leiden.
samenwerkingsovereenkomst) een samenwerking met elkaar zijn aangegaan in de vorm van Level 2 C.V. (hierna: de
CV), een vervolgens bij overeenkomst van 12 september 2012 opgerichte commanditaire vennootschap, met Fitland als beherend vennoot en ROC als commanditaire vennoot (hierna: de
CV-overeenkomst).
2. Activiteiten
2.2 Op de tweede verdieping zal een commerciële keuken, restaurant, mensa, bakkerij, bar, kleedruimte, theorielokaal, ijsbereiding en chocolaterie worden gerealiseerd. Op de vijfde verdieping wordt een leskeuken gemaakt. Leerlingen van de opleiding horeca worden ingezet op alle voornoemde activiteiten.
3. Vorm
5. Financieel
6. Looptijd samenwerking
9. Ontbindende voorwaarden
(...)
10. Gevolgen niet totstandkoming van de beoogde samenwerking
13. Duur en beëindiging overeenkomst
(…)
ARTIKEL 8: WINST Pro EN VERLIESVERDELING
[in kapitale letters en vetgedrukt in origineel, A-G]
Fitland Trading) deze keukens aangeschaft. De opleidingskeukens bestonden uit een bakkerij, patisserie, spoelkeuken en mensa op de tweede verdieping en een opleidingskeuken op de vijfde verdieping van het gebouw. Fitland Trading heeft de opleidingskeukens vervolgens voor een periode van tien jaar verhuurd tegen een huurprijs van € 200.000,-- per jaar aan Fitland, die de keukens op haar beurt voor dezelfde huurprijs heeft verhuurd aan de CV. Tussen ROC en Fitland is overeengekomen dat ROC de huurprijs zou dragen (zie onder meer art. 5.1 samenwerkingsovereenkomst).
hoofdlijnenakkoord). Deze overeenkomst vermeldt, voor zover thans van belang, onder meer het volgende:
NEMEN HET NAVOLGENDE MET LETTERS AANGEDUIDE IN OVERWEGING DAT:
decemberafspraken):
vereffeningsovereenkomst) is, kort gezegd, het vermogen van de CV vereffend. Ingevolge deze overeenkomst komt aan ROC een bedrag toe van € 287.218,--, te betalen door Fitland. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat deze vordering eerst opeisbaar is nadat de uitspraak in het onderhavige geding onherroepelijk is geworden.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
[betrokkene 1]), op € 5.068.256,--, bestaande uit a) leskeukenschade, b) huurschade en c) exploitatieschade, minus het 50%-winstaandeel van ROC als de CV niet zou zijn beëindigd (i) en het voorschot op de schadevergoeding dat ROC reeds heeft voldaan (ii).
primairegeldvordering van Fitland beloopt in hoger beroep een bedrag van € 6.945.257,-- met wettelijke rente. Fitland vordert dit bedrag in aanvulling op het reeds van ROC ontvangen bedrag van (totaal) € 1,2 miljoen. Het bestaat uit de volgende bedragen: € 278.000,-- wegens ‘leskeukenschade’ (na aftrek van € 1,2 miljoen), € 5.006.430,-- wegens huurschade, € 1.039.793,-- wegens exploitatieschade en € 893.781,-- wegens verhuisschade, minus € 272.747,-- wegens “het winstrecht waartoe ROC zou zijn gerechtigd indien zij aan haar verplichtingen had voldaan en de CV niet was ontbonden”. De
subsidiairevordering van Fitland is gehandhaafd.
ROC vordert in hoger beroep
primaireen bedrag van € 1.487.218,-- en
subsidiaireen bedrag van € 887.218,-- althans een zodanig bedrag als het hof zal vermenen te behoren, een en ander met wettelijke handelsrente. De primaire vordering betreft de terugbetaling van het door ROC aan Fitland betaalde bedrag van € 1,2 miljoen alsmede het bedrag van € 287.218,-- dat partijen in de vereffeningsovereenkomst zijn overeengekomen. Ter zitting in hoger beroep heeft ROC meegedeeld haar vordering betreffende de wettelijke handelsrente niet te handhaven ten aanzien van het bedrag van € 287.218,--.
3.21. De voorgaande overwegingen betekenen dat de grieven V en VI eveneens falen.
3.28. Het primaire standpunt van ROC dat Fitland de verplichtingen voor zover betrekking hebbend op het voortgezet gebruik van de keukens dient te dragen omdat Fitland de activiteiten van de CV heeft voortgezet, wordt verworpen. Deze omstandigheid staat immers niet in de weg aan het geldend maken van een aanspraak wegens liquidatieschade als de onderhavige, welke aanspraak bovendien onderdeel uitmaakt van het door ROC zelf genoemde voorbehoud in de vereffeningsovereenkomst.
3.29. ROC betoogt subsidiair dat het bij deze schadepost dient te gaan om de werkelijke schade en niet om een abstracte schadeberekening bestaande uit de contante waarde van de resterende huurtermijnen. Fitland heeft volgens ROC niet duidelijk gemaakt wat de afkoop van het huurcontract met Fitland Trading heeft gekost.
leaseverplichting jegens Fitland Trading dient te voldoen, terwijl (ii) ROC - en in het verlengde daarvan de CV - hiervoor niet langer betaalt”. Een verdere toelichting op de afwikkeling van de verplichtingen ter zake van de leskeukens van Fitland tegenover Fitland Trading heeft het hof niet aangetroffen. Zodanige toelichting valt ook niet te lezen in het schaderapport van [betrokkene 1] van 22 juli 2019. De daar gegeven toelichting berust immers enkel op de contant gemaakte waarde van de resterende huurverplichtingen van ROC. Noch bij memorie van antwoord in incidenteel appel, noch bij pleidooi is Fitland nader ingegaan op de afwikkeling tussen haar en Fitland Trading. Tegenover het verweer van ROC op dit punt, kon Fitland niet volstaan met haar hiervoor geciteerde stellingen. Het hof zal de schade ter zake van de leskeukens alsnog bepalen op € 600.000,-. ROC heeft de schade tot dat bedrag om proceseconomische redenen erkend. Voor zover de vordering op dit punt een hoger bedrag beloopt, is deze onvoldoende toegelicht.
arrest). ROC heeft bij verweerschrift geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, kosten rechtens. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. Fitland heeft afgezien van repliek, ROC heeft gedupliceerd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Het bewijsaanbod luidt, voor zover van belang, als volgt: [9]
(…)
- Fitland en ROC waren het bij het sluiten van het Hoofdlijnenakkoord het eens over de aard van de schade die voor vergoeding door ROC in aanmerking zou komen (waaronder in ieder geval de Leskeukens en de Huurschade);
(…)
4.2 De volgende personen zouden hierover kunnen verklaren:
- [betrokkene 2] (CEO van Fitland);
- [betrokkene 3] (Bestuurssecretaris van Fitland);
- [betrokkene 1] (schade-expert);
- [betrokkene 4] (voormalig CFO van Fitland);
- [betrokkene 5] (voormalig CEO van Fitland).”
Hierop stuit het onderdeel af.
Het subonderdeel neemt, met het hof, tot uitgangspunt dat de verschuldigde schadevergoeding ex art. 6:277 BW Pro dient te worden bepaald. Het subonderdeel neemt ook (terecht) tot uitgangspunt dat in het kader van art. 6:277 BW Pro een vergelijking dient te worden gemaakt tussen twee vermogenssituaties. De Hoge Raad heeft dat in een arrest uit 2004 als volgt uitgedrukt: [12]
hoe feitelijkdeze situatie moet worden bezien. In het hiervoor aangehaalde arrest uit 2004 achtte de Hoge Raad bijvoorbeeld niet van belang welke bestemming de koper die de koopovereenkomst met betrekking tot een woonhuis ontbindt aan dat woonhuis zou hebben gegeven, met andere woorden dat voor het bepalen van de omvang van de schade in die zaak niet van belang is dat het huis was bestemd voor bewoning en niet voor doorverkoop. Voor de feitelijke situatie kon in die zaak worden aangesloten bij de marktprijs van het woonhuis. [14] Wat is nu de feitelijke situatie in het onderhavige geval? In cassatie staat onder meer het volgende vast.
Voor zover het subonderdeel zich beroept op een stelling uit de memorie van grieven van Fitland, onder 3.29, mist het eveneens feitelijke grondslag. De stelling waar het subonderdeel naar verwijst, is immers in die vindplaats niet te lezen: [19]
[voetnoot, noot 29 aldaar, overgenomen uit origineel, A-G]
Het hof beoordeelt in rov. 3.18-3.21 van het arrest de grieven V en VI van Fitland. [27] Deze grieven heeft Fitland in de memorie van grieven toegelicht onder 3.26-3.40. De omstandigheden (i) [28] , (ii) [29] en (iii) [30] zijn mede gebaseerd op de memorie van grieven, onder 3.28:
[onderstreping niet overgenomen uit origineel, A-G]
De omstandigheid sub (iv) [31] citeert uit een brief van de zijde van ROC aan Fitland van 6 november 2015, die als productie 10 van Fitland in eerste aanleg in het geding is gebracht. Deze omstandigheid wordt ook gedekt door de terugverwijzing van het hof naar rov. 3.8-3.17 van het arrest. Het hof heeft immers in rov. 3.13 uitdrukkelijk stilgestaan bij de inhoud van deze brief.
Voor zover de omstandigheid sub (v) is gebaseerd op de memorie van grieven onder 3.42 [32] strandt het beroep op die omstandigheid reeds omdat de memorie van grieven onder 3.42 de toelichting op grief VII betreft, die in rov. 3.18-3.21 van het arrest niet aan de orde is. Voor zover deze omstandigheid, dus dat het volledig beëindigen van de CV nooit een optie is geweest, niettemin ook in de toelichting op de grieven V en VI besloten ligt [33] , respondeert het hof daar uitdrukkelijk op in de in cassatie onbestreden rov. 3.19 van het arrest.
Voor het overige is de omstandigheid sub (v) [34] gebaseerd op de memorie van grieven onder 2.14, waarin Fitland ingaat op de (feitelijke) achtergrond van art. 1.2 van het hoofdlijnenakkoord. Daaruit volgt dat deze omstandigheid in zoverre ook wordt gedragen door de terugverwijzing van het hof naar rov. 3.8-3.17 van het arrest, waarin Fitlands uitleg van het hoofdlijnenakkoord door het hof wordt verworpen.
De omstandigheid sub (vi) [35] is ontleend aan de pleitnota in hoger beroep van Fitland. Waarom het hof deze omstandigheid in rov. 3.18 van het arrest had moeten betrekken, maakt subonderdeel 2.2 niet duidelijk. Ik wijs overigens nog op rov. 3.20 laatste zin, waaruit kan worden afgeleid dat deze omstandigheid naar het oordeel van het hof “geen hout snijdt”.
Ik kom tot de conclusie dat van een onbegrijpelijk oordeel van het hof in rov. 3.18 van het arrest, bezien in het licht van de verwerping van de grieven V en VI van Fitland in rov. 3.18-3.21 en tegen de achtergrond van de door het hof verworpen uitleg van het hoofdlijnenakkoord door Fitland in de daaraan voorafgaande rov. 3.8-3.17, geen sprake is.
Hierop stuiten de subonderdelen 2.2 en 2.3 af.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Onderdeel 3: “’s Hofs schadebeperkingsoordeel kan niet in stand blijven”
Het subonderdeel neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat uit art. 6:101 BW Pro een schadebeperkingsplicht voortvloeit die met zich brengt dat de benadeelde gehouden is datgene te doen wat onder de omstandigheden van het geval redelijkerwijs van hem gevergd kan worden om de schade te beperken. Bij het niet voldoen aan de schadebeperkingsplicht is sprake van het vergroten van de omvang van de schade, omdat de benadeelde, anders dan van een redelijk handelend persoon had mogen worden verwacht, bepaalde handelingen of maatregelen niet treft. Dat wil overigens niet zeggen dat er een rechtens afdwingbare verbintenis rust tot bepaald handelen van de benadeelde, slechts dat bij niet-handelen van de benadeelde hij de daaruit voortvloeiende schade geheel of ten dele zelf moet dragen. De vergoedingsplichtige hoeft dan dus niet de gehele omvang van de schade te vergoeden; de vergoedingsplicht voor de vergoedingsplichtige kan in zoverre op grond van art. 6:101 BW Pro worden verminderd. [38] Het subonderdeel leest het oordeel van het hof zo dat de schadebeperkingsplicht meebrengt dat Fitland alleen het (lagere) schadebedrag gebaseerd op het liquidatiescenario kan vorderen. Dat is echter niet wat het hof in rov. 3.22 overweegt. Het hof overweegt dat grief VII van Fitland moet worden verworpen, met welke grief Fitland opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat uit de eigen stellingen van Fitland volgt dat haar schade bij voortzetting van de onderneming veel hoger is dan bij liquidatie en de op Fitland rustende plicht tot schadebeperking in dat geval meebrengt dat zij, kort gezegd, niet het hogere bedrag aan schadevergoeding kan vorderen. Het hof verwijst daartoe onder meer terug naar de behandeling van de eerdere grieven (“Voor zover deze grief voortbouwt op haar eerdere klachten, vindt zij haar weerlegging in de bespreking daarvan.”). Ik memoreer dat uit de behandeling van onderdeel 2 (zie onder 4.6 hiervoor) blijkt dat het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat feitelijk het liquidatiescenario is gevolgd; de onderneming van de CV is niet voortgezet door Fitland. Daarmee ontvalt reeds de grond onder de klacht over miskenning van hetgeen de schadebeperkingsplicht ex art. 6:101 BW Pro met zich brengt. Deze klacht gaat er immers vanuit dat het voortzettingsscenario is gevolgd.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het hof beoordeelt in rov. 3.22 van het arrest grief VII van Fitland. Deze grief is in de memorie van grieven van Fitland toegelicht onder 3.42-3.44. Met de door het subonderdeel bestreden overweging respondeert het hof afdoende op hetgeen in de memorie van grieven onder 3.42 ter toelichting op grief VII is gesteld:
Hierop stuit het subonderdeel af.
Dit oordeel van het hof is, onder verwijzing naar de door het hof aangehaalde vindplaatsen in de gedingstukken, goed te volgen. Het hof beoordeelt hier hetgeen Fitland aan het slot van grief VII heeft aangevoerd: [42]
[voetnoot, noot 29 aldaar, overgenomen uit origineel, A-G]
Het hof verwerpt in rov. 3.22 van het arrest grief VII op grond van hetgeen Fitland ter toelichting daarop in de memorie van grieven onder 3.42-3.44 heeft aangevoerd. Het hof was niet gehouden meer te doen dan dat. Het hof heeft feitelijk het liquidatiescenario tot uitgangspunt genomen (zie ook onder 4.6 hiervoor). Dat Fitland nog gedurende enige tijd voor eigen rekening activiteiten van de CV heeft voortgezet, doet daaraan niet af. Het hof kon dus ook niet onderzoeken of en in hoeverre er minder schade zou zijn geweest indien Fitland het liquidatiescenario in plaats van het voortzettingsscenario als bedoeld door het subonderdeel zou hebben gevolgd.
Hierop strandt het subonderdeel.
Het hof overweegt in rov. 3.20 van het arrest dat “[d]e stellingen die Fitland aan deze vordering [uit onrechtmatige daad van ROC jegens Fitland City Resort, A-G] ten grondslag heeft gelegd, zoals toegelicht bij memorie van grieven onder 3.39, (…) niet de gevolgtrekking [wettigen] dat ROC onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Fitland City Resort en kunnen deze vordering daarom niet dragen.” In de memorie van grieven onder 3.39 heeft Fitland het volgende aangevoerd:
Het feitelijk vertrek van ROC uit Level is een feit dat in dit kader juridisch iedere zelfstandige betekenis mist. Dat vertrek is het uitsluitende gevolg van een beëindiging met wederzijds goedvinden van het huurcontract tussen ROC en Green Key City B.V.
(…)
4.44 (…) Welk handelen van ROC voorts in strijd zou zijn met hetgeen in het maatschappelijk verkeer onbetamelijk is, wordt ook niet onderbouwd. Door Fitland wordt volledig voorbijgegaan aan het feit dat er sprake was van onvoorziene omstandigheden en dat de minister van OCW eiste dat ROC haar samenwerking met Fitland (in de CV) zou beëindigen. Fitland lijkt hier zelfs te stellen dat ROC dan maar niet de instructies van de minister had moeten opvolgen. Dat had gekund maar dat zou dan wel nog verdergaande consequenties voor ROC en Fitland hebben gehad door het in dit geval onafwendbare faillissement van ROC zoals de minister van OCW indertijd ook in de Tweede Kamer heeft toegelicht.”
3.3.3 (…) In dat beoordelingskader [als bedoeld in rov. 3.3.2 hiervoor, A-G] is bepalend of de aangesproken partij haar verklaringen en gedragingen ter zake van de overeenkomst waarbij zij partij is, mede diende te laten bepalen door de belangen van de betrokken derde, en is dus niet mede vereist dat de aangesproken partij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij zij partij is en waarmee de belangen van die derde verbonden zijn. (…).”
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel doet een beroep op de volgende passage uit de pleitnota in hoger beroep van Fitland:
[zonder voetnoot uit origineel, A-G]
Hierop strandt het subonderdeel.
ROC heeft onder meer betoogd dat het bij deze schadepost dient te gaan om de werkelijke schade, dat de werkelijke schade niet zonder meer gelijk kan worden gesteld aan de contante waarde van de resterende huurtermijnen en dat Fitland niet duidelijk heeft gemaakt wat de afkoop door Fitland van het huurcontract met Fitland Trading heeft gekost (zie rov. 3.29 van het arrest) , terwijl ROC aanwijzingen heeft aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat Fitland niet de volledige resterende huurtermijnen aan Fitland Trading heeft betaald (zie rov. 3.30 van het arrest en ook onder 4.34 hierna). In het licht van dat verweer van ROC was de afwikkeling tussen Fitland en Fitland Trading een omstandigheid van het concrete geval die het hof logischerwijs bij zijn oordeel over de omvang van de leskeukenschade heeft kunnen betrekken.
Hierop strandt het subonderdeel.
Ik memoreer dat Fitland Trading de desbetreffende keukens heeft aangeschaft (omdat ROC geen kapitaal had), dat Fitland Trading de keukens vervolgens voor een periode van tien jaar aan Fitland heeft verhuurd tegen een huurprijs van € 200.000,-- per jaar, dat Fitland de keukens op haar beurt voor dezelfde huurprijs heeft verhuurd aan de CV, en dat tussen ROC en Fitland was overeengekomen dat ROC de huurprijs zou dragen (zie onder 2.14 hiervoor). Het oordeel van het hof ter zake van de leskeukenschade is tegen deze feitelijke achtergrond en onder verwijzing door het hof naar relevante vindplaatsen in de gedingstukken, goed te volgen. Het hof heeft in rov. 3.30 klaarblijkelijk het oog op het volgende verweer van ROC ter zake van de leskeukenschade: [51]
4.67 (…) Om proceseconomische redenen is ROC bereid om indien uw Hof het primaire verweer zou verwerpen in het kader van haar subsidiaire verweer uit te gaan van een totale schade van Fitland van € 600k, hetgeen betekent dat rekening houdend met het betaalde voorschot van € 1,2 mio per saldo een vordering van ROC op Fitland op dit punt resteert van
€ 600.000.”
[vetgedrukt in origineel, A-G]
Hierop strandt het subonderdeel.
Het subonderdeel mist feitelijke grondslag, omdat het hof geen toepassing heeft gegeven aan het leerstuk van voordeelstoerekening (art. 6:100 BW Pro). Het hof heeft de schade ter zake van de leskeukens bepaald op € 600.000,--, omdat ROC de schade tot dat bedrag om proceseconomische redenen heeft erkend en de vordering, voor zover deze op dit punt een hoger bedrag beloopt, onvoldoende is toegelicht.