Conclusie
1.Overzicht
term sheetondertekend dat haar verplichtte tot investering in (kennelijk) een motortanker (MT). Op 5 november 2010 heeft zij met [A] BV ( [A] ) , toen nog in oprichting, een
participation agreementgesloten waarin de voorwaarden van de
term sheetworden uitgewerkt. Op 29 november 2010 heeft de belanghebbende met 179 aandelen en een derde ( [B] ) met 1 aandeel deelgenomen in [A] BV, die op haar beurt participeerde in de besloten CV [C] (de CV). Op 16 december 2010 heeft de CV voor circa € 20.396.000 geïnvesteerd in het schip.
term sheeten
participation agreementwas [B] verplicht op 1 april 2011 een onherroepelijk en onvoorwaardelijk bod te doen op belanghebbendes aandelen [A] tegen een prijs te bepalen volgens een formule (hierna te noemen: de
putoptie). Zou de belanghebbende eind 2012 nog aandeelhouder van [A] zijn, dan zou zij verplicht zijn om via [A] kapitaal in te brengen in de CV.
tax sharing agreement. Dat bedrag vertegenwoordigt 53,75% van het belastingvoordeel door de willekeurige afschrijving.
putoptie gebruikt door haar aandelen [A] voor € 1 over te dragen aan een met [B] gelieerde entiteit. Op 30 juni 2014 heeft zij de Inspecteur verzocht te verklaren dat de fiscale eenheid tussen haar en [A] per 14 december 2012 was verbroken. De Inspecteur heeft aldus verklaard.
putoptie zijns inziens meebracht dat de waardeontwikkeling van de aandelen [A] haar niet aanging en dat daarom nooit is voldaan aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid, zodat geen fiscale eenheid tot stand is gekomen. Hij heeft daarom bij navorderingsaanslag Vpb 2010 de willekeurige afschrijving bij de belanghebbende teruggenomen en het voor 2010 bij beschikking vastgestelde verlies herzien.
Rechtbank Zeeland-West-Brabantheeft van de belanghebbende het bewijs verlangd dat zij niet alleen juridisch, maar ook economische eigenaar was van de aandelen in [A] . Dat heeft zij volgens de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt omdat het bij de aanvraag van de beschikking al zo goed als zeker was dat zij de aandelen [A] voor € 1 zou verkopen en omdat haar deelname in de CV slechts gericht was op het belastingvoordeel van willekeurige afschrijving. Nu zij geen economisch eigenaar van de aandelen [A] is geweest, heeft tussen haar en [A] nooit een fiscale eenheid bestaan, aldus de Rechtbank. Dat de Inspecteur ten onrechte een andersluidende beschikking heeft afgegeven, maakt dat volgens de Rechtbank niet anders; als niet aan de materiële voorwaarden is voldaan, bestaat geen eenheid. De niet bij de aanvraag overgelegde
term sheeten
participation agreementzijn volgens de Rechtbank nieuwe feiten in de zin van art. 16(1) AWR en art. 20b(3) Wet Vpb, zodat de Inspecteur geen ambtelijk verzuim kan worden verweten. De Inspecteur mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte verstrekt en tot verder onderzoek is hij niet gehouden als hij aan de juistheid van enig gegeven in redelijkheid niet hoefde te twijfelen. Voor dergelijke twijfel bestond volgens de Rechtbank ten tijde van de aanslagoplegging geen aanleiding.
Hof Den Boschmaakt uit de wetsgeschiedenis op dat de verzoekprocedure voor een fiscale eenheid bedoeld is voor de rechtszekerheid. Onjuiste beschikkingen ter zake waarvan de wet niet in intrekking of herziening voorziet, zoals de beschikking fiscale eenheid, kunnen dan omwille van die rechtszekerheid niet ten nadele van de aanvrager worden herzien, tenzij de aanvrager de Inspecteur opzettelijk of grof schuldig met onjuiste of onvolledige informatie op het verkeerde been heeft gezet, aldus het Hof, zich daarbij mede baserende op een ambtelijke Instructie Intrekking of Herziening van Beschikkingen. Opzet acht het Hof niet aan de orde. Of de belanghebbende grof schuldig onvolledige informatie heeft verstrekt, moet volgens hem beoordeeld worden naar het tijdstip van aanvragen. De belanghebbende bedoelde volgens het Hof de Inspecteur niet op het verkeerde been te zetten en haar kan niet een zodanig ernstig verwijt van onjuistheid of onvolledigheid worden gemaakt dat zij grove schuld had. Het Hof meent op basis van de feitelijke gang van zaken dat de Inspecteur een zekere onderzoeksplicht had. De eenheidsbeschikking kan dan niet met terugwerkende kracht worden ingetrokken of herzien. De Inspecteur is er aan gebonden tot het moment waarop hij de belanghebbende meedeelde dat zijns inziens niet was voldaan aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid. Omdat zo’n mededeling in 2010 niet is gedaan, waren de belanghebbende en [A] in dat jaar fiscaal gevoegd, zodat de belanghebbende (fiscale eenheid) in dat jaar willekeurig kon afschrijven op de investering in het schip.
in cassatiedat het Hof art. 15 Wet Pro Vpb, art. 16 AWR Pro en art. 20b Wet Vpb juncto art. 8:77 Awb Pro heeft geschonden doordat hij ten onrechte heeft geoordeeld dat (i) onjuiste fiscale eenheidsbeschikkingen in beginsel niet ten nadele van de belastingplichtige kunnen worden herzien of ingetrokken, hoewel uit HR
BNB2015/131 blijkt dat ondanks zo’n beschikking geen fiscale eenheid tot stand komt als niet aan de voorwaarden wordt voldaan, (ii) de rechtszekerheid alleen wijkt als de beschikking is afgegeven op basis van door opzet of grove schuld van de aanvrager onjuiste of onvolledige informatie bij de aanvraag, (iii) de Instructie Herziening beleid weergeeft waarop belastingplichtigen ook bij fiscale-eenheidsbeschikkingen kunnen vertrouwen en de Inspecteur in casu een onderzoeksplicht had.
putoptie wél minstens 95% ook van de economische eigendom hield. Evenmin is hij ingegaan op de vraag of zich een navordering en verliesherziening rechtvaardigend nieuw feit voordeed, kennelijk op grond van een rechtsregel dat beschikkingen op aanvraag waarvoor de wet geen herziening of intrekking regelt, niet ingetrokken of herzien kunnen worden, behalve bij kwade trouw van de aanvrager. Hij heeft zich daarbij mede gebaseerd op de ambtelijke Instructie Herziening of Intrekking.
BNB2015/131: in die zaak kwam geen fiscale eenheid tot stand omdat het economische belang in de te voegen dochter vanaf oprichting bij een ander dan de belanghebbende berustte; dat ten onrechte een andersluidende fiscale eenheidsbeschikking was afgegeven, was niet relevant. In HR
BNB2022/64 overwoog u vervolgens dan ook - voor de fiscale eenheid in de omzetbelasting - dat een bevestigende beschikking niet de betekenis heeft dat zij een fiscale eenheid doet ontstaan als niet aan de materiële voorwaarden daarvoor is voldaan. Dat geldt dan mijns inziens ook voor de beschikking fiscale eenheid vennootschapsbelasting. Aan herziening of intrekking komt men dus niet toe, want de beschikking fiscale eenheid heeft niet de betekenis dat een fiscale eenheid ook
contra legemtot stand komt, maar slechts dat (i) als wél aan de voorwaarden wordt voldaan, de ingangsdatum van de eenheid vast ligt (rechtszekerheid) en (ii) zij onder omstandigheden gerechtvaardigd vertrouwen
contra legemkan wekken.
BNB2015/131, is vertrouwensberoep op de beschikking in casu niet al bij voorbaat uitgesloten. Het komt dus aan op de maatstaf voor de beoordeling van het vertrouwensberoep. Het Hof heeft niet de vertrouwensleer toegepast en evenmin de navorderingsleer, maar een regel dat beschikkingen op aanvraag wier herziening of intrekking niet wettelijk geregeld is, niet herzien of ingetrokken kunnen worden, behalve bij kwade trouw. Dat is bij fiscale-eenheidsbeschikkingen dus niet de juiste maatstaf, maar het Hof kon ook niet op de hoogte zijn van HR
BNB2022/64, waaruit volgt - volgens mij ook voor de vennootschapsbelasting - dat een beschikking fiscale eenheid gelijkgesteld moet worden met een bewuste standpuntbepaling door de Inspecteur die rechtens te respecteren vertrouwen wekken dat een eenheid bestaat, nl. indien (i) de belanghebbende er in redelijkheid van mocht uitgaan dat de Inspecteur kennis had genomen of had kunnen nemen van de voor de beoordeling van haar eenheidsverzoek relevante informatie, (ii) de belanghebbende op die basis aan de beschikking het vertrouwen mocht ontlenen dat de Inspecteur het standpunt innam dat aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid was voldaan, en (iii) dat standpunt niet zo duidelijk in strijd was met een juiste wetstoepassing dat zij redelijkerwijs de onjuistheid ervan had moeten beseffen en op nakoming niet mocht rekenen. Haar beroep op de beschikking moet worden afgewezen als zij bij haar aanvraag onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt of hem de juiste en volledige inlichtingen heeft onthouden terwijl zij redelijkerwijs had moeten weten dat de inspecteur daardoor niet goed in staat was de aanvraag te beoordelen.
contra legemgaat dan de maatstaf van de vertrouwensleer die u in HR
BNB2022/64 heeft geformuleerd. Ik meen daarom dat de zaak terug moet naar de feitenrechter om de correcte maatstaf van de vertrouwensleer toe te passen. Met name moet beoordeeld worden of de belanghebbende redelijkerwijs had moeten beseffen dat de inspecteur niet goed in staat was om te beoordelen of aan de voorwaarden voor een eenheid was voldaan zonder de beschikking te hebben over informatie, met name over de
putoptie, in de
term sheeten de bijlagen bij de
participation agreement.
putoptie toch de economische eigendom van de aandelen in [A] bezat, zoals zij ook in hoger beroep stelde.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
term sheetondertekend waarmee zij zich verplichtte tot investering in een zeeschip, [G] . In het
term sheetzijn de belangrijkste voorwaarden van de investering overeengekomen. Behalve door de belanghebbende is het
sheetondertekend door [D] Gmbh ( [D] ) en [E] LLP.
participation agreementmet bijlagen gesloten, waarin de in de
term sheetovereengekomen voorwaarden zijn uitgewerkt.
tax sharing agreement€ 824.000 als agio in [A] gestort,
i.e.53,75% van het Vpb-voordeel door de willekeurige afschrijving. [A] moest dat bedrag als kapitaal inbrengen in de CV.
term sheeten
participation agreementverplicht om de belanghebbende op 1 april 2011 een onherroepelijk en onvoorwaardelijk bod te doen waartegen de belanghebbende haar aandelen in [A] tegen een op basis van een formule te bepalen prijs kon verkopen (hierna te noemen: de
putoptie). Zou de belanghebbende op 31 december 2012 nog aandeelhouder zijn van [A] , dan was zij verplicht om via [A] een bedrag ad € 786.298,56 als kapitaal in de CV in te brengen. Op 30 januari 2012 heeft de belanghebbende de
putoptie gebruikt door haar aandelen [A] over te dragen aan een met [B] gelieerde entiteit voor € 1.
term sheeten
participation agreementmet bijlagen van 5 november 2010. In oktober 2019 heeft de Inspecteur de belanghebbende meegedeeld dat zijns inziens de waardeontwikkeling van de aandelen [A] de belanghebbende niet aangingen en dat daarom niet werd voldaan aan de voorwaarde van minstens 95% economische eigendom voor een fiscale eenheid met [A] . Een fiscale eenheid heeft daarom volgens de Inspecteur nooit bestaan. Op 19 november 2016 heeft hij een navorderingsaanslag Vpb 2010 opgelegd naar een belastbaar bedrag ad € 1.103.391,
i.e.na eliminatie van het negatieve resultaat van [A] uit belanghebbendes resultaat. Hij heeft daarnaast belastingrente in rekening gebracht. Ook heeft hij de verliesvaststellingsbeschikking 2010 herzien.
geschilis of de navorderingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is vastgelegd, meer specifiek of (i) in 2010 een fiscale eenheid tussen de belanghebbende en [A] bestond, en (ii) er grond is voor navordering en voor herziening van de verliesvaststellingsbeschikking.
BNB2015/131, (zie 4.6 hieronder) die tot een ander oordeel dan in die zaak nopen. Bij gebrek aan economische eigendom heeft nooit een fiscale eenheid bestaan en daar doet niet aan af dat de Inspecteur ten onrechte een beschikking fiscale eenheid had afgegeven.
term sheeten de
participation agreementvolgt dat de belanghebbende een onherroepelijk en onvoorwaardelijk bod zou krijgen om de aandelen in [A] tegen een op basis van een formule te bepalen prijs te verkopen. Dat betekent dat zij niet aan de economische eigendomseis voldeed. Vast staat dat de Inspecteur ten tijde van de aanslagregeling niet beschikte over die
term sheeten
participation agreement. Daarmee gaat het volgens de Rechtbank om nieuwe feiten in de zin van art. 16(1) AWR en art. 20b(3) Wet Vpb. Van een ambtelijk verzuim van de Inspecteur is geen sprake, omdat hij mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte verstrekt en tot nader onderzoek slechts gehouden is als hij aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel bestond ten tijde van het opleggen van de aanslag echter geen aanleiding.
BNB2015/131 heeft geoordeeld dat ondanks een bevestigende beschikking geen fiscale eenheid tot stand was gekomen omdat een
put-optie het economische belang bij de aandelen in de gevoegde dochter vanaf haar oprichting bij een derde legde. Het Hof verstaat dat oordeel echter in het licht van de omstandigheden van dat geval, waarin de belastingplichtige de Inspecteur onjuist en onvolledig had geïnformeerd bij het fiscale eenheidsverzoek. Volgens het Hof heeft de wetgever bij de aanpassing van het fiscale-eenheidsregie in 2016 uit dit arrest afgeleid dat ondanks een beschikking geen fiscale eenheid tot stand komt als cumulatief aan twee voorwaarden wordt voldaan: (i) aan de voorwaarden van art. 15 Wet Pro Vpb wordt niet voldaan en (ii) de inspecteur is onjuist of onvolledig geïnformeerd over de feiten die relevant zijn voor de beoordeling of aan die voorwaarden is voldaan. Een fiscale eenheidsbeschikking is volgens het Hof een beschikking op aanvraag in de zin van de Instructie Herzien of intrekken van beschikkingen van de belastingdienst van 10 november 2014, [5] die als beleid moet worden beschouwd waarop belastingplichtigen kunnen vertrouwen. De rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel moeten echter wijken als een beschikking is afgegeven op grond van opzettelijk of grof schuldig onjuist of onvolledig door de aanvrager verstrekte informatie die de inspecteur op het verkeerde been heeft gezet. Van opzet is volgens het Hof geen sprake. De Inspecteur heeft dan ook ingetrokken zijn eerder ingenomen standpunt dat de belanghebbende te kwader trouw was. Grove schuld is ‘een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid,’ [6] die volgens het Hof beoordeeld moet worden naar het tijdstip van het eenheidsverzoek. De belanghebbende had niet de bedoeling om de Inspecteur op het verkeerde been te zetten, aldus het Hof. Evenmin kan haar een zodanig ernstig verwijt worden gemaakt dat de onvolledige kennis bij de Inspecteur haar grove schuld is.
3.Het geding in cassatie
junctoart. 8:77 Awb Pro, doordat het Hof ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat (i) onjuiste fiscale eenheidsbeschikkingen in beginsel niet ten nadele van de belastingplichtigen kunnen worden herzien of ingetrokken: uit HR
BNB2015/131 volgt immers dat ondanks zo’n beschikking geen fiscale eenheid tot stand komt als niet aan de wettelijke voorwaarden voor een fiscale eenheid is voldaan; (ii) de rechtszekerheid pas wijkt als de beschikking is afgegeven op basis van bij de aanvraag opzettelijk of grof schuldig onjuist of onvolledig verstrekte informatie, (iii) de Instructie Herzien of Intrekken beleid is waarop een belastingplichtige mag vertrouwen en (iv) de Inspecteur een onderzoeksplicht had.
BNB2015/131 zag u geen beletsel voor het negeren van een onjuiste fiscale-eenheidsbeschikking in het feit dat de wet niet voorziet in herziening of intrekking van die beschikking; evenmin stelde u het al dan niet opzettelijk of grof schuldig of bewust of onbewust onjuist of onvolledig informeren van de Inspecteur als voorwaarde voor het negeren van een onjuiste beschikking. Volgens de Staatssecretaris getuigt ’s Hofs oordeel dan ook van een onjuiste rechtsopvatting over de betekenis van fiscale eenheidsbeschikkingen. Voor het bestaan van een eenheid gelden de wettelijke eisen doorlopend en op grond van art. 15(6) Wet Vpb houdt een fiscale eenheid van rechtswege op als niet meer aan de voorwaarden van art. 15 Wet Pro Vpb wordt voldaan. Art. 15(5) Wet Vpb beoogt volgens de Staatssecretaris slechts te verzekeren dat de ingangsdatum van de keuze voor een fiscale eenheid wordt vastgelegd. Gezien HR
BNB2015/131 (zie 4.6 hieronder) en de commentaren van de Vries in
BNB2020/76 (zie 4.12 hieronder) en Cornelisse in
FED2015/61 (zie 4.9 hieronder), meent hij dat ondanks de bevestigende beschikking geen fiscale eenheid tussen de belanghebbende en [A] tot stand is gekomen, nu nooit aan de voorwaarden is voldaan. Opzet of grove schuld is geen vereiste voor het kunnen veronachtzamen van een onjuiste beschikking; het gaat er slechts om of de Inspecteur onjuist of onvolledig is geïnformeerd. Volgens hem is het Hof ten onrechte voorbijgegaan aan de vraag of de Inspecteur over die voorwaarden, al dan niet bewust, onjuist of onvolledig is geïnformeerd.
BNB2013/181), waaruit volgt dat de Inspecteur geen onderzoeksplicht heeft als de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte verstrekte gegevens juist zijn.
verweerziet de belanghebbende niet in waarom er in cassatie van uit zou moeten worden gegaan dat niet aan de voorwaarden van art. 15(1) Wet Vpb zou zijn voldaan. De eisen van rechtszekerheid beperken de bevoegdheid van het bestuursorgaan om terug te komen op een beschikking en de fiscale-eenheidsbeschikking is juist voor de rechtszekerheid in het leven geroepen. Volgens haar heeft u zich in HR
BNB2015/131 niet uitgelaten over de vraag naar de betekenis van de beschikking omdat de belanghebbende zich er niet op had beroepen en de feiten geen andere conclusie toelieten dan dat de belanghebbende in die zaak zich ervan bewust moest zijn geweest dat de materiële voorwaarden voor een fiscale eenheid niet waren vervuld.
putoptie zou uitoefenen, maar die optie bracht niet mee dat het economische belang bij de aandelen [A] bij een ander dan de belanghebbende lag; dat bleef volgens haar bij haar omdat voor de economische eigendom niet vereist is dat die een zekere omvang heeft. Zij verzoekt u om in geval van gegrondverklaring van het cassatiemiddel u uit te laten over de vraag of zij de economische eigendom van de aandelen in [A] had en in elk geval over de vraag of voor een fiscale eenheid vereist is dat het economische belang een bepaalde omvang heeft.
repliekstelt de Staatssecretaris dat de belanghebbende bij haar verzoek niet de juiste en volledige informatie heeft verstrekt, terwijl zij wist dat de
putoptie voor de beoordeling van haar verzoek van belang was. Het Hof heeft zijns inziens te hoge eisen gesteld met zijn oordeel dat de rechtszekerheid alleen wijkt bij opzettelijke of grof schuldige onjuiste of onvolledige informatieverstrekking. Hij herhaalt dat de Instructie Herziening of Intrekking zijns inziens geen ‘beleid’ is voor beschikkingen op aanvraag zoals die voor een fiscale eenheid en dat uit die Instructie niet eenduidig volgt hoe de inspecteur in een concreet geval zijn onderzoeksbevoegdheden moet uitoefenen. Hij vindt ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur in zijn onderzoeksplicht tekort zou zijn geschoten niet begrijpelijk. Nu de belanghebbende onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, zou ook volgens de Instructie de beschikking ‘herzien’ of ‘ingetrokken’ kunnen worden. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens de Staatssecretaris niet slagen als de belanghebbende de inspecteur niet juist en volledig over zijn fiscale positie heeft geïnformeerd. Nu het Hof niet is ingegaan op de vraag of de belanghebbende voldeed aan het bezitsvereiste van art. 15(1) Wet Vpb, moet de zaak volgens de Staatssecretaris na vernietiging verwezen worden. Met de belanghebbende meent hij dat het door het Hof onbeantwoord gelaten vraag of zich een nieuw feit voordeed, een onderzoek naar feiten vergt.
dupliekstelt de belanghebbende dat de beschikking een vaststelling van een rechtspositie impliceert en daarmee vertrouwen wekt. Juist omwille van die rechtszekerheid heeft de wetgever gekozen voor een verzoek en een voor bezwaar vatbare beschikking. Of het criterium ‘opzet of grove schuld’ generiek geldt, kan volgens de belanghebbende betwijfeld worden, maar voor de fiscale eenheidsbeschikking acht zij dat wel de passende maatstaf. De opvatting dat aan de beschikking kan worden voorbijgegaan als niet aan alle voorwaarden wordt voldaan, is onverenigbaar met de door de wetgever gewenste rechtszekerheid. De Belastingdienst heeft zelf in de hand welke gegevens hij vraagt bij de aanvraag. De belastingplichtige die de gevraagde gegevens heeft verstrekt en er redelijkerwijs niet aan hoefde te twijfelen dat aan de voorwaarden wordt voldaan, moet op de beschikking kunnen vertrouwen. De belanghebbende bestrijdt de argumenten van de Staatssecretaris dat de Instructie niet als beleid kan worden aangemerkt. Volgens haar is voor wat betreft de economische-eigendomsvraag alleen nog de juridische duiding van de feiten in geschil, en uit de feiten volgt dat geen deel van het economische belang bij de aandelen bij een ander dan de belanghebbende terecht was gekomen. De belanghebbende bestrijdt het standpunt van de Staatssecretaris dat een nieuw feit voorhanden was dat navordering rechtvaardigt.
4.De (onjuiste) beschikking fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting
BNB2015/131 [11] betrof een belanghebbende bij wie in 2005 een herinvesteringsreserve (HIR) was vrijgevallen. Zij richtte in december 2006 een dochter [BB] BV op met wie zij per oprichtingsdatum een fiscale eenheid vormde. De Inspecteur had daartoe een bevestigende beschikking afgegeven. De belanghebbende had op de aandelen [BB] ook een
putoptie gekocht van [I] Coöperatief UA voor een premie van € 1 die haar het recht gaf om uiterlijk op 30 januari 2007 haar aandelen [BB] te verkopen voor € 18.000. Die optie had zij in januari 2007 uitgeoefend. [BB], toen nog in oprichting, was in december 2006 als commandiet toegetreden tot [G] CV, waarin zij zes van [I] verkregen
promissory notesad € 1 miljoen als storting had ingebracht. Op 4 december 2006 had [G] CV drie
put en calloptiecontracten gesloten die alleen op de afloopdatum 15 december 2006 uitgeoefend konden worden. Deze optieovereenkomsten leidden per saldo tot een verlies ad € 2.588.000 voor [G] CV. [BB] had als commandiet dat verlies in haar jaarstukken opgenomen. De belanghebbende wilde dat verlies als moeder van de fiscale eenheid in aftrek nemen op de eenheidswinst. Volgens de conclusie [12] in die zaak was het verlies onzakelijk en daarom niet-aftrekbaar. Maar ook als de onzakelijke-kostenjurisprudentie niet van toepassing zou zijn, was het verlies volgens die conclusie niet aftrekbaar omdat aftrek
fraus legiszou zijn:
upen
downvan de optiecontracten bij gelieerde personen zijn terechtgekomen, doet volgens uw onzakelijke-kostenjurisprudentie niet ter zake; dat is het bewijsprobleem van de onzakelijke kostenmaker.
fraus legis. Weliswaar heeft de Inspecteur
fraus legisniet gesteld voor het Hof, maar de vastgestelde feiten laten geen enkele andere conclusie toe dan dat de belanghebbende met het samenstel van fiscale voeging/ontvoeging, putoptie, commanditaire vennootschap en optiecontracten volstrekt overwegend antifiscale bedoelingen had. Daarmee is aan het feitelijke, subjectieve vereiste voor toepassing van
fraus legisvoldaan.”
BNB2015/131 afgegeven fiscale-eenheidsbeschikking ten onrechte was afgegeven, gaf De Vries in zijn annotatie in
BNBaanleiding tot de volgende beschouwing voor attente lezers en latinisten:
BNB2015/131 geen impliciet oordeel dat ten nadele van belastingplichtigen afgeweken kan worden van een fiscale eenheids-beschikking. U hoefde daarover zijns inziens geen oordeel hoefde te geven omdat in dat geval hoe dan ook geen fiscale eenheid tot stand kon komen, ongeacht de formeelrechtelijke status van de beschikking van de inspecteur:
NTFRB2015/43) meent dat als ten onrechte een beschikking is afgegeven als gevolg van (voorwaardelijk) opzettelijke onjuiste gegevensverstrekking door de belastingplichtige, de beschikking met terugwerkende kracht zou moeten kunnen worden ingetrokken:
BNB2015/131 dat de inspecteur niet gebonden is aan een fiscale-eenheidsbeschikking als niet aan de voorwaarden voor het fiscale eenheidsregime is voldaan en de inspecteur daarover onjuist of onvolledig is geïnformeerd:
BNB2020/76 [35] merkt De Vries op dat herziening van sommige beschikkingen wettelijk is geregeld en dat in de literatuur verschillend wordt gedacht over de vraag of een onjuiste beschikking ook (terugwerkend) herzien kan worden als de wet daarin niet voorziet (ik laat voetnoten weg):
BNB2022/64 [36] betrof de eventuele formele rechtskracht van een beschikking fiscale eenheid voor de omzetbelasting c.q. het vertrouwen dat kan worden ontleend aan zo’n beschikking:
BNB2022/64, wordt beroep op het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel
contra legemin gevallen die door Unierecht worden beheerst beperkter mogelijk geacht dan beroep op het Nederlandse vertrouwensbeginsel
contra legemin gevallen die niet beheerst worden door Unierecht. In verband met de vereiste uniformiteit en effectiviteit van het EU-recht in de hele EU, wordt het Unierecht geacht legistischer te zijn dan het Nederlandse bestuursrecht waar het gaat om het honoreren van beroep op algemene rechtsbeginselen
contra legem. Dat zo zijnde, meen ik dat de geciteerde r.o. 4.6.2-4.6.4 van HR
BNB2022/64 minstens evenzeer ook gelden voor vertrouwensberoep
contra legemop een beschikking fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, die immers – anders dan de omzetbelasting – niet beheerst wordt door
contra-legemberoep beperkend EU-recht.
BNB2022/64 in casu vereist dat (i) de inspecteur kennis heeft genomen van alle benodigde feiten en omstandigheden van haar geval, of de belanghebbende er in redelijkheid van mocht uitgaan dat hij daarvan kennis had genomen of kon nemen, (ii) de belanghebbende aan de beschikking het vertrouwen mocht ontlenen dat de Inspecteur in haar geval aan de voor haar geval geldende algemene regels de toepassing gaf dat aan de wettelijke voorwaarden voor een fiscale eenheid was voldaan, en (iii) de beschikking niet zo duidelijk in strijd was met een juiste wetstoepassing dat zij redelijkerwijs de onjuistheid daarvan had kunnen en moeten beseffen en daarom op nakoming in redelijkheid niet mocht rekenen. De inspecteur is niet gebonden aan de beschikking en de belanghebbende kan er dus niet op vertrouwen als zij ‘bij het verzoek om die beschikking of naar aanleiding van vragen van de inspecteur om nadere inlichtingen naar aanleiding van dat verzoek, onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt dan wel de inspecteur de juiste en volledige inlichtingen daarover heeft onthouden, terwijl [zij] redelijkerwijs had moeten weten dat de inspecteur daardoor niet in staat was het verzoek goed en volledig op zijn fiscale merites te beoordelen’.
5.De ambtelijke Instructie Herzien of intrekken van beschikkingen
6.Vertrouwen op ambtelijke toezeggingen contra legem
contra legem; u zie uw recente arrest HR
BNB2022/10. [47]
BNB2013/76 betrof een belanghebbende X BV die voor licenties betaalde aan een bedrijf in Liechtenstein. Na een boekenonderzoek meende de inspecteur dat de onderliggende licentieovereenkomsten geen werkelijke betekenis hadden en slechts dienden om aftrekbaar bedragen naar Liechtenstein over te maken. De inspecteur betrok de voor betaalde bedragen alsnog door navordering in de heffing. Het Hof liet navordering echter niet toe omdat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat de belanghebbende te kwader trouw was geweest en omdat de belanghebbende op grond van eerder door de fiscus uitgevoerde controles erop mocht vertrouwen dat de inspecteur de aftrek van de licentiebetalingen op haar merites had beoordeeld en geaccepteerd. U oordeelde anders: [48]
BNB2022/64 (zie 4.12) volgt dat succesvol beroep op vertrouwen op een toezegging mogelijk is als (i) de inspecteur kennis heeft genomen van alle benodigde feiten en omstandigheden van het geval, of de belanghebbende in redelijkheid ervan mag uitgaan dat hij daarvan kennis heeft genomen, (ii) de belanghebbende aan de toezegging het vertrouwen mag ontlenen dat de Inspecteur in haar geval aan de voor haar geldende algemene regels een bepaalde toepassing zal geven, en (iii) de toezegging niet zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belanghebbende redelijkerwijs de onjuistheid daarvan kon en moest beseffen en daarom op nakoming in redelijkheid niet mag rekenen. Vertrouwensberoep faalt als de belanghebbende bij het verzoek om een beschikking of naar aanleiding van vragen van de inspecteur naar aanleiding van dat verzoek onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt of de inspecteur de juiste en volledige inlichtingen heeft onthouden, terwijl zij redelijkerwijs had moeten weten dat de inspecteur daardoor niet in staat was het verzoek goed en volledig op zijn fiscale merites te beoordelen.
BNB1990/119 [49] ) en verwijs voor uitputtender en rechtsvergelijkende beschouwingen over de werking van het vertrouwensbeginsel (
contra legem) in het belastingrecht, het EU-recht, het burgerlijk recht en het omgevingsrecht naar de twee bijlagen bij de conclusie [50] voor de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zaak uit 2019 over het Amsterdamse dakterras (
AB2019/302). [51]
BNB2004/59 [52] volgt dat als de inspecteur bij een belastingplichtige in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt, dat vertrouwen gehonoreerd moet worden tot het moment waarop de inspecteur de belastingplichtige kenbaar maakt dat hij zijn standpunt heeft gewijzigd. U overwoog onder meer:
7.Beoordeling van het middel
putoptie wél minstens 95% ook van de economische eigendom hield, lijkt niet sterk, gegeven (i) de voorbeelden die de MvT bij de herziening van het fiscale eenheidsregime in 2003 geeft (zie onderdeel 4.2), (ii) uw oordeel in HR
BNB2015/131 (zie onderdeel 4.6) en (iii) de feitenvaststelling in en de motivering van de andersluidende uitspraak van de Rechtbank (samengevat in onderdeel 2.14). Het Hof is op die primaire litigieuze vraag niet ingegaan omdat hij kennelijk uitgaat van een rechtsregel dat een beschikking op aanvraag niet herzien kan worden als de wet dat niet expliciet zegt, behalve bij kwade trouw van de aanvrager. Die maatstaf (kwade trouw) geldt ook bij navordering als er geen nieuw feit is, dus in geval van een ambtelijk verzuim. Aan de ook in hoger beroep in geschil zijnde vraag of zich een navordering en verliesherziening rechtvaardigend nieuw feit voordeed, die logischerwijs voorafgaat aan de vraag naar eventuele kwade trouw, is het Hof echter evenzeer voorbijgegaan (zie r.o. 4.17 Hof), kennelijk omdat hij uitgaat van een rechtsregel dat een beschikking op aanvraag niet herzien kan worden als de wet dat niet expliciet zegt, behalve bij kwade trouw van de aanvrager.
BNB2015/131 (zie onderdeel 4.6): in die zaak kwam geen fiscale eenheid tot stand omdat het economische belang in de te voegen dochter vanaf oprichting bij een ander dan de belanghebbende berustte; dat ten onrechte een andersluidende fiscale eenheidsbeschikking was afgegeven, deed niet ter zake. In HR
BNB2022/64 (zie 4.13 hierboven) overwoog u vervolgens dan ook - voor de fiscale eenheid in de omzetbelasting - dat een bevestigende beschikking niet de betekenis heeft dat zij een fiscale eenheid doet ontstaan als niet aan de materiële voorwaarden daarvoor is voldaan. Dat geldt dan mijns inziens ook voor de beschikking fiscale eenheid vennootschapsbelasting, want het verschil tussen die twee (een eenheidsbeschikking Vpb wordt alleen op verzoek genomen, terwijl een eenheidsbeschikking OB ‘al dan niet op verzoek’, dus ook van ambtswege kan worden genomen (art. 7 Wet Pro OB)) niet relevant is voor de vraag of de onjuiste beschikking
contra legemeen eenheid kan doen ontstaan.
contra legemtot stand komt die wettelijk niet bestaat, maar slechts de betekenis dat (i) als wél aan de voorwaarden wordt voldaan, de ingangsdatum van de eenheid vast ligt (rechtszekerheid) en (ii) zij onder omstandigheden gerechtvaardigd vertrouwen
contra legemkan wekken. Het eerste volgt uit de wetsgeschiedenis (zie 4.5 hierboven) en het laatste uit HR
BNB2022/64 (zie 4.13 hierboven): de fiscale-eenheidsbeschikking is een als toezegging op te vatten expliciete uitlating van de inspecteur die onder omstandigheden bij de betrokkenen het in rechte te beschermen vertrouwen kan wekken dat zij een fiscale eenheid zijn, ook al is dat wettelijk niet het geval.
BNB2015/131 (zie onderdeel 4.6) speelde (vertrouwen op) de ten onrechte afgegeven eenheidsbeschikking geen rol omdat evident was dat de belanghebbende zich niet op enig gerechtvaardigd vertrouwen kon beroepen, gegeven haar bewuste antifiscale verdichtsels c.q. informatie-onthouding. Zij stelde ook niet te hebben mogen vertrouwen op de arglistig uitgelokte onjuiste beschikking, althans het vertrouwensbeginsel kwam in cassatie niet (meer) aan de orde, zodat er voor u geen aanleiding bestond om u uit te laten over de vraag of die beschikking in andere gevallen wel betekenis
contra legemhad kunnen hebben.
Nemo auditur propriam suam turpitudinem allegans, vonden attente Romeins-rechtskundigen al.
BNB2015/131, is vertrouwensberoep op de beschikking dan niet al bij voorbaat uitgesloten. Het komt dus aan op de maatstaf voor de beoordeling van het vertrouwensberoep. Het Hof heeft, zoals boven bleek, niet de vertrouwensleer toegepast, maar een – mijns inziens niet-bestaande – rechtsregel dat beschikkingen op aanvraag wier herziening of intrekking niet wettelijk geregeld is, niet herzien of ingetrokken kunnen worden, behalve bij kwade trouw van de aanvrager. Dat is bij fiscale-eenheidsbeschikkingen dus niet de juiste maatstaf, maar het Hof kon ook niet op de hoogte zijn van uw toen nog niet gewezen arrest HR
BNB2022/64 over de uiterst beperkte materieelrechtelijke betekenis en het toezeggingskarakter van een beschikking fiscale eenheid omzetbelasting (zie 4.12 hierboven).
BNB2022/64 volgt volgens mij ook voor de vennootschapsbelasting (zie 4.15-4.17 hierboven) dat een beschikking fiscale eenheid niet herzien of ingetrokken hoeft te worden als aan de wettelijke eenheidsvoorwaarden niet (meer) wordt voldaan omdat de eenheid dan van rechtswege eindigt of überhaupt niet begint (zie 4.18-4.19 en 7.3 hierboven). Wel kan zij, doordat zij gelijkgesteld moet worden met een bewuste standpuntbepaling door de Inspecteur, rechtens te respecteren vertrouwen wekken (tot wederopzegging voor de toekomst) dat een eenheid bestaat, nl. indien (i) de belanghebbende er in redelijkheid van mocht uitgaan dat de Inspecteur kennis had genomen of had kunnen nemen van de voor de beoordeling van haar eenheidsverzoek relevante informatie, (ii) de belanghebbende op die basis aan de beschikking het vertrouwen mocht ontlenen dat de Inspecteur in haar geval het standpunt innam dat aan de wettelijke voorwaarden voor een fiscale eenheid was voldaan, en (iii) dat standpunt niet zo duidelijk in strijd was met een juiste wetstoepassing dat zij redelijkerwijs de onjuistheid ervan had moeten beseffen en daarom op nakoming niet mocht rekenen. Haar beroep op de beschikking moet worden afgewezen als zij bij haar aanvraag of op vragen van de inspecteur om nadere inlichtingen naar aanleiding van haar aanvraag onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt of hem de juiste en volledige inlichtingen heeft onthouden terwijl zij redelijkerwijs had moeten weten dat de inspecteur daardoor niet goed in staat was de aanvraag op haar fiscale merites te beoordelen.
contra legemgaat dan de maatstaf van de vertrouwensleer die u in HR
BNB2022/64 heeft geformuleerd en die in 7.7 hierboven is vertaald naar belanghebbendes geval.
putoptie, in de
term sheeten - de bijlagen bij - de
participation agreement.
putoptie toch de economische eigendom van de aandelen in [A] bezat, zoals zij ook in hoger beroep stelde.