Conclusie
Inleiding
Het eerste middel en de bespreking daarvan
Ik, [verbalisant 4] , (MW062195), heb mij ervan vergewist, dat het bloedmonster [...] verzonden is naar het Nederlands Forensisch lnstituut te Den Haag. ” Hetzelfde geldt voor de vraag wie het proces-verbaal heeft voorzien van een SIN: “
Het corresponderende Sporen Identificatie Nummer (SIN-sticker) is op dit proces-verbaal aangebracht’, lijkt uit de pen van [verbalisant 4] te zijn opgetekend.
Ik, verbalisant [verbalisant 5] , verloor de verdachte geen moment uit het oog, lezen we vaak bij betrappingen op heterdaad. De aangehouden verdachte is de inbreker. Geen twijfel mogelijk. Dit zou bij afname van bloed precies hetzelfde moeten zijn, als ik het Besluit erop nasla.
Ik, verbalisant [verbalisant 5] , was aanwezig bij de bloedafname door de arts, voorzag dit proces-verbaal alsmede de twee buisjes van opeenvolgende SIN-stickers van het stickervel cq. bloedblok en heb de buisjes op de daartoe bestemde wijze verpakt, verzegeld en verstuurd naar het NFI. Handtekening eronder, strik erom en klaar is Kees.
NJ2008/247, m.nt. Buruma, [6] waarin hij aan de hand van rechtspraak van de Hoge Raad uiteenzet dat bijzondere omstandigheden kunnen maken dat de niet-naleving van een voorschrift dat in het algemeen tot de strikte waarborgen moet worden gerekend “in het concrete geval aan de strekking van dat voorschrift geen afbreuk heeft gedaan en dat op grond daarvan het bestanddeel ‘onderzoek’ ondanks het vormverzuim kan worden bewezenverklaard”.
Artikel 13
NJ1984/261 meen ik dat de Hoge Raad daarover niet anders denkt. Toen werd geklaagd dat onder meer art. 5 van Pro het destijds geldende Bloedproefbesluit was geschonden vanwege het feit dat de opsporingsambtenaar die het bloed van de verdachte van een zegel had voorzien niet dezelfde opsporingsambtenaar was die bij de bloedafname aanwezig was geweest. Het hof had feitelijk vastgesteld dat het onderzoek door twee opsporingsambtenaren gezamenlijk was gedaan en voorts overwogen dat er in die zaak geen enkele aanleiding was te veronderstellen dat het verzonden bloedmonster niet dat van de verdachte zou zijn. De Hoge Raad hield het oordeel van het hof dat sprake was geweest van een onderzoek als bedoeld in art. 26 (oud) WVW in stand en overwoog:
enkele(mijn cursivering) twijfel bestaat dat het verdachtes bloed was dat door het NFI is onderzocht, is de onderhavige klacht ongegrond. Bezien in samenhang met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan naar het mij voorkomt hierin tevens het oordeel worden ingelezen dat niet aannemelijk is geworden dat de ambtenaren niet voldoende hebben samengewerkt in (kort gezegd) hun verrichtingen met betrekking tot de bloedafname, het bloedblok en het bloedonderzoek. Voor zover kan worden gezegd dat het ter terechtzitting gevoerde betoog van de raadsman een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, eerste lid, tweede volzin, Sv oplevert, heeft het hof daarop genoegzaam gerespondeerd. [12]
Het tweede middel en de bespreking daarvan
Slotsom