Art. 8 WVW 1994Art. 12 lid 3 BADGArt. 13 lid 1 sub d BADGArt. 16 lid 1 BADGArt. 17 BADG
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Cassatie over bewijsuitsluiting bij rijden onder invloed van cannabis en termijnen BADG
De zaak betreft een verdachte die op 24 januari 2019 te Utrecht werd veroordeeld wegens rijden onder invloed van cannabis met een THC-gehalte van 9,1 microgram per liter bloed, boven de wettelijke grenswaarde. Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter en legde een geldboete op. De verdediging stelde cassatieberoep in met het middel dat het hof onjuist had geoordeeld over de toepassing van termijnen in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (BADG).
De kern van het geschil betrof of de overschrijding van vier termijnen in het BADG – betreffende bloedafname binnen 90 minuten, verzending van bloed naar het laboratorium, uitvoering van het bloedonderzoek binnen twee weken en schriftelijke kennisgeving aan de verdachte binnen een week – onderdeel uitmaken van het stelsel van strikte waarborgen. De verdediging stelde dat schending van deze termijnen bewijsuitsluiting tot gevolg moest hebben.
De Hoge Raad bevestigde dat alleen die voorschriften die de juistheid van het laboratoriumresultaat waarborgen tot het stelsel van strikte waarborgen behoren. De termijnen van verzending en onderzoek (art. 13 enPro 16 BADG) behoren daar niet toe, aangezien schending daarvan niet de betrouwbaarheid van het resultaat aantast. Wel behoort de kennisgevingstermijn van art. 17 BADGPro tot de strikte waarborgen, omdat deze het recht op tegenonderzoek beschermt. In deze zaak was de kennisgeving weliswaar te laat, maar de verdachte had nog voldoende gelegenheid tot tegenonderzoek, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde was.
Het cassatieberoep faalt derhalve en wordt verworpen. De Hoge Raad bevestigt hiermee de geldigheid van het bewijs ondanks de termijnoverschrijdingen en handhaaft de veroordeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens rijden onder invloed van cannabis blijft in stand.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03479
Zitting20 december 2022
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 10 augustus 2021 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, bevestigd. Dat betekent dat de verdachte wegens "overtreding van art. 8, vijfde lid, WVW 1994" is veroordeeld tot een geldboete van € 950,-, waarvan € 600,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 12 oktober 2018 voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 200,-.
Namens de verdachte heeft A.E.M.C. Koudijs, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld.
II. Het middel
3. Het middel klaagt dat het hof met de bewezenverklaring blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel dat het oordeel van het hof daarover onbegrijpelijk is, nu sprake is van schending van de volgende vier voorschriften in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: BADG) die tot het stelsel van ‘strikte waarborgen’ behoren:
(i) de bloedafname vindt plaats binnen 90 minuten na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte (art. 12, derde lid, BADG);
(ii) de opsporingsambtenaar verzendt het afgenomen bloed zo spoedig mogelijk naar het laboratorium (art. 13, eerste lid, onder d, BADG);
(iii) de onderzoeker verricht binnen twee weken na ontvangst het bloedonderzoek (art. 16, eerste lid, BADG);
(iv) de opsporingsambtenaar stelt de verdachte binnen een week na ontvangst van het verslag van het laboratorium schriftelijk in kennis van het resultaat van het bloedonderzoek en het recht op tegenonderzoek (art. 17 BADGPro).
4. De steller van het middel meent dat door een of meerdere van deze termijnoverschrijdingen geen sprake is geweest van een rechtmatig onderzoek in de zin van art. 8, vijfde lid, WVW 1994, met als gevolg dat de laboratoriumuitslag van het bloedonderzoek had moeten worden uitgesloten van het bewijs en de verdachte dientengevolge had moeten worden vrijgesproken.
III. Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging
5. Het hof heeft – door het vonnis van de rechtbank te bevestigen – ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
“op 24 januari 2019 te Utrecht, een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2 vanPro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 vanPro de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 9,1 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 vanPro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.”
6. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een ambtsedig proces-verbaal nr. PL0900-2019024329-1 d.d. ‘Rijden onder invloed' van 12 maart 2019 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden werkzaam bij politie Eenheid Midden.
2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 Wetboek van Strafvordering, te weten een ‘aanvraag ten behoeve van Toxicologisch onderzoek van bloed’, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] van 24 januari 2019.
3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 Wetboek van Strafvordering, te weten een ‘Rapport drugs in het verkeer’, opgemaakt door drs. P.G.M. Zweipfenning van het Labor Mönchengladbach, van 26 februari 2019.
4. Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor verdachte nr. PL0900-2019024311-7 d.d. 24 januari 2019 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , beiden werkzaam bij politie Eenheid Midden, inhoudende:
V: Kan je mij vertellen wat en hoeveel verdovende middelen je de afgelopen 24 uur heeft gebruikt?
A: Gistermiddag na het eten heb ik een jointje gerookt. Verder heb ik niet meer geblowd. Dus er is wel een tijd overheen gegaan.
V: Beken jij dat je als bestuurder bent opgetreden van het voertuig?
A: Ja.”
7. Voorts heeft de politierechter in de aantekening bij het door het hof bevestigde vonnis het volgende overwogen:
“De rechtbank constateert dat een bloedonderzoek heeft plaatsgevonden in de zin van artikel 12 vanPro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna te noemen: het Besluit). Op basis van artikel 13 lid 1 sub d vanPro het Besluit moet het bloed na afname van de verdachte zo spoedig mogelijkworden bezorgd bij het laboratorium. Op basis van artikel 16 lid 1 vanPro het Besluit moet de onderzoeker (van het laboratorium) het bloedonderzoek verrichten binnen twee wekenna ontvangst van de buisjes met bloed. Nadat de politie het onderzoeksrapport heeft ontvangen, moet de verdachte op grond van artikel 17 vanPro het Besluit binnen een weekschriftelijk in kennis worden gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en het recht op tegenonderzoek.
In deze zaak kan niet worden vastgesteld dat het bloed ‘zo spoedig mogelijk’ is verzonden aan het laboratorium. Het bloed is immers op 24 januari 2019 van verdachte afgenomen en pas op 30 januari 2019 door het laboratorium ontvangen. Verder kan niet worden vastgesteld dat de onderzoeker het bloedonderzoek heeft verricht binnen de termijn van twee weken na ontvangst van het bloed. Uit het rapport blijkt dat het bloed op 30 januari 2019 is ontvangen en dat het onderzoeksrapport pas op 26 februari 2019 is opgemaakt. Tot slot kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de politie binnen een week de onderzoeksresultaten schriftelijk aan de verdachte heeft medegedeeld. De brief is pas op 12 maart 2019 aan verdachte verstuurd, terwijl het rapport al op 26 februari 2019 is opgemaakt.
De vraag doet zich voor of deze (geschonden) voorschriften onderdeel uitmaken van het stelsel van ‘strikte waarborgen’ waarmee het bloedonderzoek is omringd, bij niet naleving waarvan het resultaat van het laboratoriumonderzoek niet voor het bewijs kan worden gebezigd. De Hoge Raad heeft op 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:2502 – kort gezegd – aangegeven dat tot dat stelsel van strikte waarborgen die bepalingen behoren die ertoe strekken de juistheid te waarborgen van het resultaat van de analyse.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de wetsgeschiedenis van het Besluit (Staatsblad 2016, 529, met nota van toelichting), kan niet worden afgeleid dat de voorschriften van artikel 13 lid 1 subPro d, 16 lid 1 en/of 17 van het Besluit zijn bedoeld om de juistheid van het onderzoek te waarborgen.
Gezien de samenhang met artikel 18, 19 en artikel 20 vanPro het Besluit (regels omtrent aanvullend- of tegenonderzoek en de verplichting tot vernietiging van het bloed een half jaar na dagtekening van het rapport), is met de voornoemde voorschriften kennelijk beoogd het onderzoek niet onnodig lang te laten duren en de verdachte snel op de hoogte te brengen van de resultaten, met het oog op eventuele effectuering van het recht op tegenonderzoek en de verplichting tot vernietiging van het bloed na zes maanden.
Ten aanzien van de voorschriften van artikel 13 enPro 16 geldt dat de rechtbank ambtshalve een toelichting van het NFI bekend is, waarin staat dat bloedbuizen bij een temperatuur van -20 graden Celsius worden opgeslagen, bewaard en getransporteerd en dat eventueel aanwezige alcohol, drugs en medicijnen minimaal zes maanden stabiel blijven bij opslag in de vriezer. In het rapport van het laboratorium te Mönchengladbach staat dat het bloed van verdachte daadwerkelijk (zowel voor als na de analyse) bij een temperatuur van -20 graden Celsius is bewaard. Hieruit maakt de rechtbank op dat de schending van de in artikel 13 enPro 16 van het Besluit genoemde voorschriften (ook feitelijk) geen invloed heeft gehad op de juistheid van het resultaat van de analyse.
Tot slot valt niet in te zien waarom de verzendingstermijn van één week als bedoeld in artikel 17 vanPro het Besluit ertoe zou strekken om de juistheid van de analyse te waarborgen. De verzenddatum doet immers niet af aan de inhoud van de onderzoeksresultaten.
Gelet op de genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 13, 16 en 17 van het besluit opgenomen voorschriften niet ertoe strekken de juistheid te waarborgen van het resultaat van de analyse. Deze voorschriften behoren dus niet tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 is omringd. De onderzoeksresultaten worden voor het bewijs gebezigd.
De rechtbank is zich bewust van de uitspraken van het Hof Den Haag van 23 juni 2020 (niet gepubliceerd) en het Hof Amsterdam van 8 juli 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:1911). Kort gezegd zou uit deze uitspraken volgen dat de termijnen als genoemd in artikel 13 enPro 16 van het Besluit wél tot het stelsel van strikte waarborgen behoren. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank deze uitspraken niet, mede ook aangezien het Hof Amsterdam verwijst naar rechtspraak van de Hoge Raad van vóór 2015 en het hof Den Haag niet heeft gemotiveerd waarom sprake zou zijn van een strikte waarborg.
Al het voorgaande neemt niet weg dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Van enig nadeel dat de verdachte heeft geleden is echter niet gebleken. De rechtbank laat het dus bij een constatering van het vormverzuim.
[…]”
IV. Verweer van de verdediging
8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 augustus 2021 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het volgende naar voren gebracht:
“Er is sprake van een principieel debat. De advocaat-generaal houdt een lijn voor welke nog niet bevestigd is door de Hoge Raad. Ik vraag me af waarom de wetgeving is opgesteld indien deze als niet bestaand kan worden beschouwd wanneer er geen belang wordt geschaad. De wetgeving is niet voor niets opgesteld, het is bedoeld om de belangen van verdachten te beschermen. Anders was er wel een andere termijn opgenomen. Ik vind het een luie discussie worden door te zeggen
dat verdachte niet in zijn belangen is geschaad en daarom kan worden volstaan met een constatering. Ik vind dat hier een consequentie dient te volgen, te weten bewijsuitsluiting. Door de bewijsuitsluiting van het bloedonderzoek is er vervolgens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs en dus dient vrijspraak te volgen en dienen de twee vorderingen tenuitvoerlegging te worden afgewezen. […]”
9. Overigens heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep, toen hij onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid werd gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven, meegedeeld, zoals zakelijk weergegeven in het proces-verbaal van die zitting, te persisteren bij zijn pleidooi bij de rechtbank omtrent de bewijsuitsluiting van de bloedproeven. Uit dit proces-verbaal maak ik niet op dat in hoger beroep ter terechtzitting tevens een verzoek is gedaan dit pleidooi als herhaald en ingelast te beschouwen, laat staan dat de voorzitter daarmee heeft ingestemd. Voor de volledigheid en met het oog op de eerste deelklacht in mijn bespreking van het middel (randnummers 14 en 15), vermeld ik hier dat de raadsman bij de rechtbank, aldus het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 16 september 2020, in dit verband als volgt het woord tot verdediging heeft gevoerd:
“Ik stel mij op het standpunt dat er sprake is van het overschrijden van de termijnen zoals bedoeld in de artikelen 13, 16 en 17 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer en dat dit wel een onherstelbaar vormverzuim oplevert. Nu deze termijnen zijn overschreden kunnen de resultaten van het bloedonderzoek niet voor het bewijs gebruikt worden en dient vrijspraak te volgen.”
V. Bespreking van het middel
10. De tenlastelegging is toegesneden op art. 8, vijfde lid, WVW 1994. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging (en bewezenverklaring) voorkomende begrip ‘onderzoek’ is gebruikt in de betekenis die dat bestanddeel in die bepaling heeft.
11. Art. 8, vijfde lid, WVW 1994 bepaalt:
“Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.”
12. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van een ‘onderzoek’ als bedoeld in art. 8, vijfde lid, WVW 1994 slechts sprake is indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten heeft omringd (de zogenoemde strikte waarborgen). [1] Voorts kan daaruit worden afgeleid dat wanneer de rechter tot het oordeel komt dat zo een waarborg (die direct van invloed is op de betrouwbaarheid van het onderzoek) niet is nageleefd, dit ertoe leidt dat het resultaat van het verrichte onderzoek niet voor het bewijs mag worden gebezigd. [2]
13. Het middel klaagt dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van een rechtmatig onderzoek in de zin van art. 8, vijfde lid, WVW 1994, nu verschillende in het BADG neergelegde termijnen zijn overschreden die, aldus de steller van het middel, tot het stelsel van strikte waarborgen behoren. Ik zal deze voorschriften achtereenvolgens kort bespreken.
Art. 12, derde lid, BADG
14. Allereerst wordt gesteld dat het voorschrift van art. 12, derde lid, BADG is geschonden en dat dit voorschrift een ‘strikte waarborg’ betreft. Dat voorschrift bepaalt dat de bloedafname binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte moet plaatsvinden.
15. De rechtbank heeft zich in haar – door het hof bevestigde – oordeel echter niet uitgelaten over schending van art. 12, derde lid, BADG. Evenmin heeft de verdediging in eerste aanleg of in hoger beroep enig verweer daaromtrent gevoerd. Over schending van dit voorschrift kan niet eerst in cassatie worden geklaagd. Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.
Art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG
16. Daarnaast meent de steller van het middel dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG geen strikte waarborg betreft. Dit voorschrift houdt in dat het buisje of de buisjes met bloed na de afname zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in art. 14, tweede lid, Besluit wordt of worden gezonden.
16. Ten tijde van het tenlastegelegde feit luidde art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG:
“1. Bij de bloedafname, bedoeld in artikel 12, eerste lid, is een opsporingsambtenaar aanwezig, die:
d. ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid.”
18. De nota van toelichting bij het BADG houdt onder meer het volgende in: [3]
“ Artikel 13
Net als in artikel 14 vanPro het oude Besluit alcoholonderzoeken was bepaald, moet volgens artikel 13, eerste lid, van dit besluit een opsporingsambtenaar bij de bloedafname aanwezig zijn. Hij dient op grond van onderdeel a van dat artikellid de gang van zaken van de bloedafname in een proces-verbaal van bevindingen vast te leggen. Voordat het bloed naar het laboratorium wordt verzonden waar het bloedonderzoek zal plaatsvinden, moet hij er voorts voor zorgen dat het afgenomen bloed administratief wordt gekoppeld aan de persoon van wie bloed is afgenomen en aan het proces-verbaal waarin de bloedafname wordt beschreven.
[...]”
19. Het hof heeft – door bevestiging van het vonnis van de rechtbank – geoordeeld dat in deze zaak niet kan worden vastgesteld dat het bloed ‘zo spoedig mogelijk’ is verzonden aan het laboratorium. Het bloed is namelijk op 24 januari 2019 van de verdachte afgenomen en eerst op 30 januari 2019 door het laboratorium ontvangen. Aan deze schending zijn verder geen gevolgen verbonden, op grond van de overweging dat i) art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG geen strikte waarborg is en ii) uit een bij de rechtbank ambtshalve bekende toelichting van het NFI onder meer blijkt dat bloedbuizen bij een temperatuur van -20 graden Celsius worden opgeslagen, bewaard en getransporteerd.
20. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684 volgt immers dat het voorschrift van art. 13, eerste lid aanhef en onder d, BADG wél tot het stelsel van strikte waarborgen behoort. De Hoge Raad heeft dit recentelijk bevestigd in zijn arrest van 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567, NJ2022/239, m.nt. Vellinga. Tevens heeft het hof miskend dat in het geval het ondanks een overschrijding van deze termijn toch tot het oordeel komt dat de verzending van het bloed in licht van de gevolgde werkwijze alsnog in overeenstemming met art. 13, eerste lid, aanhef en onder b, BADG heeft plaatsgevonden, een dergelijk oordeel zijn grondslag dient te vinden in concretevaststellingen over de wijze waarop het bloed is bewaard na de afname daarvan en tijdens het transport naar het laboratorium, en dat niet kan worden volstaan met een verwijzing naar een algemene werkwijze. [4]
21. Tot cassatie hoeft dat mijns inziens echter niet te leiden. Hoewel geen eenduidig antwoord bestaat op de vraag tot wanneer een bloedblok zo spoedig mogelijk is verzonden, kan uit de rechtspraak van de Hoge Raad worden afgeleid dat een verloop van zes dagen, waarin in het onderliggende geval ook nog een weekend [5] viel, binnen de grenzen ‘zo spoedig mogelijk’ als bedoeld in art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG valt, in welk geval ook geen concrete vaststellingen over de wijze van bewaring en transport zijn vereist. [6] De verdachte heeft om die reden naar ik meen in zoverre dan ook geen belang bij cassatie.
Art. 16, eerste lid, BADG
22. Zoals gezegd is het bloedblok van de verdachte op 30 januari 2019 door het laboratorium ontvangen. Vervolgens is het rapport van het onderzoek naar het bloed van de verdachte pas op 26 februari 2019 door het laboratorium opgesteld. Het hof heeft – door het vonnis van de rechtbank te bevestigen – geoordeeld dat daarmee art. 16, eerste lid, BADG is geschonden, maar dat dit verzuim niet tot bewijsuitsluiting hoeft te leiden, nu dit voorschrift niet tot het stelsel van strikte waarborgen behoort.
23. Ten tijde van het tenlastegelegde feit luidde art. 16, eerste lid, BADG:
“De onderzoeker, bedoeld in artikel 14, eerste lid, verricht het bloedonderzoek binnen twee weken na ontvangst van de buisjes of het buisje met bloed. De methode die hij voor het bloedonderzoek hanteert, voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.”
24. De steller van het middel meent dat dit voorschrift wél een strikte waarborg omvat en dat niet-naleving daarvan in bewijsuitsluiting dient te resulteren. In zijn arrest van 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567, NJ2022/239, m.nt. Vellinga heeft de Hoge Raad de vraag of art. 16, eerste lid, BADG tot het stelsel van strikte waarborgen behoort in ontkennende zin beantwoord. Ik citeer uit dit arrest:
“ Betreffen artikel 15, aanhef en onder a, en artikel 16 lid 1 BesluitPro strikte waarborgen?
[…]
Ook het in artikel 16 lid 1 BesluitPro neergelegde voorschrift dat het bloedonderzoek binnen twee weken na ontvangst van de buisjes of het buisje met bloed wordt verricht, behoort niet tot de in 2.5.1 bedoelde strikte waarborgen. De onder 2.3.3 weergegeven toelichting bij het Besluit wijst er immers niet op dat dit voorschrift in verband staat met de betrouwbaarheid van de resultaten van het bloedonderzoek. Ook uit het stelsel van het Besluit volgt dat na deze termijn van twee weken nog bloedonderzoek kan worden verricht. Zo kunnen het aanvullend bloedonderzoek als bedoeld in artikel 18 BesluitPro en het tegenonderzoek als bedoeld in artikel 19 BesluitPro ook na het verstrijken van de in artikel 16 lid 1 BesluitPro genoemde termijn nog worden verricht.
2.7.3
Als de voorschriften van artikel 15, aanhef en onder a, Besluit en/of artikel 16 lid 1 BesluitPro niet worden nageleefd, heeft dat dus op zichzelf geen gevolgen voor het bewijs van het in artikel 8 lid 5 WVWPro 1994 voorkomende bestanddeel ‘onderzoek’. Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering vormt dan het toetsingskader voor de beantwoording van de vraag of aan het verzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg.”
25. Kortom, niet-naleving van het voorschrift van art. 16, eerste lid, BADG leidt in beginsel niet tot bewijsuitsluiting en staat derhalve niet in de weg aan bewezenverklaring van het bestanddeel ‘onderzoek’ in de zin van art. 8, vijfde lid, WVW 1994. [7] Het hof heeft aldus het juiste rechtskader toegepast. Zijn oordeel acht ik in dit verband evenmin onbegrijpelijk.
26. Tot slot klaagt het middel dat het hof ten onrechte het oordeel van de rechtbank dat art. 17 BADGPro geen strikte waarborg betreft en dat schending daarvan derhalve niet tot bewijsuitsluiting leidt, heeft bevestigd. Art. 17 BADGPro houdt in:
“De opsporingsambtenaar stelt de verdachte binnen een week na ontvangst van het verslag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, schriftelijk in kennis van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek en vermeldt daarbij het sporenidentificatienummer, bedoeld in artikel 16, vierde lid, onder b.”
27. Het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank luidt dat de in art. 17 BADGPro neergelegde termijn van een week is geschonden. Het laboratoriumverslag was immers op 26 februari 2019 opgemaakt en de brief met kennisgeving was pas op 12 maart 2019 aan de verdachte verstuurd. Deze schending kon volgens het hof echter zonder gevolgen blijven, omdat dit voorschrift geen strikte waarborg betreft: de verzendingstermijn zou er namelijk niet toe “strekken om de juistheid van de analyse te waarborgen”, nu de verzenddatum niet afdoet aan de inhoud van de onderzoeksresultaten.
28. Voor zover het hof meent dat art. 17 BADGPro geen onderdeel uitmaakt van het stelsel van strikte waarborgen, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. In zijn arrest van 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1793 heeft de Hoge Raad immers bepaald dat tot de strikte waarborgen onder meer het voorschrift van art. 17 BAGPro behoort. De Hoge Raad verwijst in dat verband naar eerdere rechtspraak met betrekking tot de mededeling van de uitslag van een ademonderzoek [8] en het recht op tegenonderzoek daarvan [9] . Daaruit maak ik op dat het belang van het voorschrift met name gelegen is in het daarmee samenhangende recht van de verdachte tot het verrichten van tegenonderzoek – hetgeen een strikte waarborg is. De verdachte kan dat recht enkel naar behoren uitoefenen indien hij op de hoogte wordt gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek. In zoverre strekt dit voorschrift dus wel degelijk tot het waarborgen van de betrouwbaarheid van het onderzoek. Indien de opsporingsambtenaar (volledig) verzuimt de verdachte overeenkomstig art. 17 BADGPro te informeren, kan dan ook geen sprake zijn van een ‘onderzoek’ als bedoeld in art. 8, vijfde lid, WVW 1994. [10]
29. De vraag is wat het gevolg is van de situatie dat de opsporingsambtenaar het resultaat van het bloedonderzoek weliswaar aan de verdachte bekendmaakt, maar niet binnen een week na ontvangst van het verslag. Het recht is, zo wordt door (wijlen) Meiltje Barels in Handboek Strafzaken gesignaleerd, op dit punt niet duidelijk. Zij onderscheidt twee benaderingen van elkaar. Volgens de eerstebenadering valt ook de bekendmakingstermijn van een week binnen het stelsel van strikte waarborgen. Reeds zodra deze termijn wordt geschonden, dient bewijsuitsluiting van het resultaat van het bloedonderzoek te volgen. De tweedebenadering houdt in dat de voorgeschreven termijn zelf (nog) niet tot de strikte waarborgen behoort. Zolang het recht op tegenonderzoek mogelijk blijft en de juistheid van het resultaat van het onderzoek toetsbaar is, is er geen sprake van een schending van een strikte waarborg en kan de rechter volstaan met de constatering dat sprake is van een vormverzuim, zonder daaraan rechtsgevolgen te verbinden. [11]
30. Mijn voorkeur gaat sterk uit naar de tweede benadering. Art. 17 BADGPro ontleent zijn belang aan het recht op tegenonderzoek. De verdachte behoudt dat recht tot een half jaar na de datum van dagtekening van het onderzoeksrapport. [12] In mijn optiek komt het uiteindelijk neer op de vraag in hoeverre de verdachte, nadat hij in kennis is gesteld van de uitslag van het onderzoek en zijn recht op tegenonderzoek, nog in staat is dit recht binnen dat half jaar te exerceren. Ik vermag niet in te zien hoe de enkele omstandigheid dat de verdachte later dan een week daarvan op de hoogte wordt gesteld, hem onmiddellijk de mogelijkheid ontneemt om zijn recht op tegenonderzoek te effectueren. Het is mijns inziens de verplichting tot kennisgeving die een strikte waarborg behelst, en niet de verplichting om dat binnen een week te doen. [13] In zoverre kan ik ’s hofs oordeel dat de termijn van een week in art. 17 BADGPro op zichzelf beschouwd geen waarborg voor de betrouwbaarheid vormt volgen.
31. In de voorliggende zaak is de kennisgeving als bedoeld in art. 17 BADGPro veertien dagen na dagtekening van het onderzoeksrapport van het laboratorium aan de verdachte verstuurd. De verdachte had derhalve nog ruimschoots gelegenheid zijn recht op tegenonderzoek binnen een half jaar te verwezenlijken. Hoewel het hof weliswaar ten onrechte art. 17 BADGPro niet als een strikte waarborg heeft aangemerkt, geeft zijn uiteindelijke oordeel naar ik meen geen blijk van een onjuiste uitleg en toepassing van art. 17 BADGPro en is het hof onder de streep dan ook tot een niet onbegrijpelijke slotsom gekomen. Het middel kan derhalve ook op dit punt niet tot cassatie leiden.
VI. Slotsom
32. Het middel faalt in alle onderdelen en kan behoudens de laatste deelklacht (aangaande art. 17 BADGPro) met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
33. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
34. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
6.HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853. Zie ook de uiteenzetting van ambtgenoot Spronken in haar conclusie van 18 oktober 2022, ECLI:NL:PHR:2022:938 (in het bijzonder randnummers 2.7 en 2.15 t/m 2.18).
10.Vgl. Hof Amsterdam 22 juli 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2173, waarin de verdachte niet in kennis was gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van zijn recht op tegenonderzoek.
11.M. Barels, in:
12.Het laboratorium dient het voor eventueel tegenonderzoek aangewezen bloedmonster een half jaar te bewaren, waarna het moet worden vernietigd (art. 20, eerste lid, BADG).