Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Companies Houseis belanghebbende als bestuurder betrokken bij alle drie de Ltds. In het onderhavige jaar heeft hij, als enig werknemer, alle opdrachten voor de diverse opdrachtgevers van [B] Ltd. uitgevoerd. De omzet van [B] Ltd. was in 2009 € 152.242. Belanghebbende is in loondienst bij [C] Ltd., waarvoor een managementvergoeding in rekening wordt gebracht aan [B] Ltd. In 2009 ontving belanghebbende een salaris van € 21.774.
- Cypriotische Holding: ontwijkt de bronbelasting van 25 percent, een cruciale schakel om via een laag belastende staat binnen de Europese Unie de stap van Nederland naar een onbelaste offshore jurisdictie te maken. Houdt aandelen in:
- Nederlandse Holding: ontwijkt de belasting op de winst uit de verkoop van aandelen in de onderliggende dochter. Houdt aandelen in:
- Nederlandse Werkmaatschappij: hierin wordt de nieuwe onderneming opgebouwd of de bestaande onderneming ondergebracht. Deze werkmaatschappij betaalt 25,5 percent vennootschapsbelasting. De vennootschapsbelasting is de enige belasting die in deze structuur nog verschuldigd is over de winst en het vermogen dat hiermee wordt opgebouwd.
regulations of the private foundation named [F]bestaan. Belanghebbende heeft deze niet verstrekt, maar deze zijn wel bekend geworden bij de Inspecteur vanuit een ander dossier waarin de Foundation een rol speelt. Uit de
regulationsblijkt dat er individuele
Nexuszijn, waarvan de rechten en de plichten zijn vastgelegd in een
annex. De
annexis niet door belanghebbende verstrekt.
3.Het geding in cassatie
4.Beoordeling van de middelen
5.Ambtshalve aanwezig gevonden grond voor cassatie
BNB2022/68 heeft de Hoge Raad zich in een ambtshalve bijgebrachte cassatiegrond uitgelaten over de in het betreffende geval opgelegde vergrijpboete: [12]
BNB2022/68, heeft het Hof zich bij zijn uitspraak laten leiden door de vóór het wijzen van dat arrest geldende jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt. Dat neemt niet weg dat het oordeel naar thans geldende recht blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Nu het Hof in onderhavige zaak ‘slechts’ heeft onderzocht of – en heeft geoordeeld dat – de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende met opzet heeft gehandeld en zodoende niet de zware bewijslast van het ‘doen blijken’ heeft gehanteerd, kan dit oordeel van het Hof over de vergrijpboete niet in stand blijven.
BNB2022/68 is – onder verwijzing naar artikel 6, lid 2, EVRM – een verzwaarde bewijslast geformuleerd die alleen geldt voor de vergrijpboete. In dit geval moet opzet of voorwaardelijk opzet overtuigend worden bewezen. [19] Dat voor het opleggen van een navorderingsaanslag de fiscale bewijsleer (aannemelijk maken) conform de wettelijke regeling van artikel 16 AWR Pro overeind blijft, is evident. Immers, daar geldt artikel 6, lid 2, EVRM niet. De zwaarte van de bewijslast voor navorderingsaanslagen en vergrijpboeten loopt dus uiteen.