ECLI:NL:RVS:2021:999
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onduidelijkheid werkzaamheden vreemdelingen en overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een boete van €36.000 opgelegd aan appellante wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete is opgelegd omdat vreemdelingen van Macedonische nationaliteit werkzaamheden als constructiebankwerker zouden hebben verricht terwijl zij alleen een tewerkstellingsvergunning (twv) voor laswerkzaamheden hadden.
Appellante betwist dat de vreemdelingen buiten hun twv hebben gewerkt en voert aan dat de werkzaamheden binnen het takenpakket van een lasser vallen. De Raad van State overweegt dat er twijfel bestaat over de aard van de werkzaamheden, mede door tegenstrijdige verklaringen, het ontbreken van een proces-verbaal van een cruciale verklaring, en het gebruik van niet-beëdigde tolken. Daarnaast is onduidelijk of de vreemdelingen daadwerkelijk constructiewerkzaamheden hebben verricht of laswerkzaamheden, mede doordat de functies en werkzaamheden overlappen.
De Raad concludeert dat de staatssecretaris niet in zijn bewijslast is geslaagd en appellante het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Tevens is de redelijke termijn van zes jaar overschreden, waarbij de overschrijding grotendeels aan de staatssecretaris toe te rekenen is. Appellante krijgt een vergoeding van €1.500 voor immateriële schade en vergoeding van proceskosten. Het besluit van 16 november 2016 wordt herroepen en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het boetebesluit wegens onvoldoende bewijs en kent een vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.