Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
De derde bijlage dateert van 13 oktober 2008 en vermeldt dat een bedrag van € 30.000 aan dividendinkomsten uitgekeerd zal worden aan eiser. De bijlagen zijn ondertekend door [naam persoon] . De heer [naam persoon] is werkzaam voor [V] en [V] is de [land] partner van het [W] (hierna: [W] ).
Op verzoek van eiser is bij schrijven van 10 mei 2010 uitstel verleend tot het doen van aangifte tot 1 september 2010. Bij schrijven van 6 oktober 2010 heeft verweerder eiser een herinnering aangifte 2009 gezonden met vermelding van een datum van 27 oktober 2010 waarvoor de aangifte alsnog moest worden gedaan. Omdat de aangifte niet was gedaan heeft verweerder bij schrijven van 3 december 2010 een aanmaning verzonden met als einddatum 24 december 2010. Verweerder heeft geen aangifte ontvangen en heeft de aanslag IB/PVV 2009 ambtshalve naar een geschat bedrag, mede omvattend het van [B] Ltd. ontvangen salaris van € 21.781, vastgesteld en gelijktijdig bij beschikking een verzuimboete van € 226 opgelegd. Hiertegen heeft eiser geen bezwaar gemaakt.
Bij het gesprek was eiser aanwezig, alsmede zijn toenmalige gemachtigde. Van het gesprek is een hoorverslag opgemaakt. Het hoorgesprek heeft plaatsgevonden in het kader van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2008. In het hoorverslag is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
registered agent. De agent en anderen met toegang tot privacy-gevoelige informatie hebben een wettelijke geheimhoudingsplicht, schending waarvan wordt bestraft. (...).
Onderbouwing navorderingsaanslag
10.26
117
129.678
In hoger beroep is een aantal stukken door de inspecteur bij zijn verweerschrift overgelegd (bijlagen 1 tot en met 42 bij het verweerschrift in hoger beroep).
handtekening belanghebbende]
3.Geschil in hoger beroep
belanghebbende doen blijken van de onjuistheid van de uitspraak op bezwaar tegen de
navorderingsaanslag?
4.Beoordeling van het geschil
De gemachtigde heeft, desgevraagd ter zitting van het Hof, bevestigd dat het hier een nieuwe stelling betreft.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze omkering in dit geval onevenredig is.”
Bij het bieden van compensatie voor de uit de overschrijding voortvloeiende schending van artikel 6 van Pro het EVRM hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten (zie gerechtshof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, r.o. 5.7.3.7). De boete wordt niet verminderd indien deze minder bedraagt dan € 200. In dat geval wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. In alle andere gevallen wordt de vermindering bepaald met behulp van de volgende tabel:
De rechtbank is bij de matiging van de boete in verband met de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn uitgegaan van een vermindering van de boete tot op € 15.703 (€ 26.172 – 20 % van € 52.345) in plaats van een vermindering van de boete (op basis van de tabel) tot op € 20.938 ( € 26.172 - 20 % van € 26.172). Aldus heeft de rechtbank de boete met 10% meer verminderd dan geboden was op basis van de tabel (zie overweging 60 van de rechtbankuitspraak). Nu evenwel een hoger beroep van (uitsluitend) de belanghebbende niet ertoe kan leiden dat een hogere straf wordt vastgesteld dan de straf die de rechtbank heeft opgelegd (verbod op reformatio in peius), zal het Hof de door de rechtbank opgelegde boete volgen.
5.Kosten
6.Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.