Conclusie
1.Aanduiding procespartijen en korte inhoud cassatieberoep
Verweerders in cassatie onder 1, 2 en 3 gezamenlijk worden: de piloten genoemd en verweersters in cassatie onder 4, 5 en 6: de partners. Afzonderlijk worden zij respectievelijk aangeduid als: [verweerder 1] (verweerder in cassatie onder 1); [verweerder 2] (verweerder in cassatie onder 2); [verweerder 3] (verweerder in cassatie onder 3); [verweerster 4] (verweerster in cassatie onder 4); [verweerster 5] (verweerster in cassatie onder 5) en [verweerster 6] (verweerster in cassatie onder 6).
2.Feiten en procesverloop
(i) voor recht verklaard dat SACP en Aeroplus tekortgekomen zijn in de nakoming van hun verbintenissen op grond van de reisovereenkomsten;
(ii) voor recht verklaard dat de tussen partijen gesloten reisovereenkomsten rechtsgeldig zijn ontbonden;
(iii) SACP en Aeroplus veroordeeld tot terugbetaling van de door de piloten aan hen voldane reissommen ter hoogte van € 11.268,75 voor [verweerder 1] , € 11.268,75 voor [verweerder 2] en € 13.079,– voor [verweerder 3] ;
(iv) voor recht verklaard dat SACP en Aeroplus hoofdelijk aansprakelijk zijn voor door de piloten gederfd reisgenot;
(v) de hoogte van het gederfd reisgenot van de piloten bepaald op respectievelijk € 5.704,63 voor [verweerder 1] , € 5.704,63 voor [verweerder 2] en € 6.624,50 voor [verweerder 3] ;
(vi) voor recht verklaard dat [eiser 3] jegens de piloten schadeplichtig is op grond van bestuurdersaansprakelijkheid;
(vii) Aeroplus c.s. hoofdelijk veroordeeld om de bedragen onder (iii) en (v) aan de piloten te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen tot aan de dag van volledige betaling; zijnde de veroordeling van [eiser 3] hoofdelijk in die zin dat indien Aeroplus of SACP aan de veroordeling voldoet, [eiser 3] zal zijn bevrijd;
(viii) Aeroplus c.s. hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld;
(ix) het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard; en
(x) het meer of anders gevorderde afgewezen.
Het petitum luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
13.2 de incidentele vorderingen van de partners tot hoofdelijke veroordeling van Aeroplus, SCAP en/of [eiser 3] toe te wijzen tot betaling van respectievelijk € 5.704,63 aan [verweerster 4] , € 5.704,63 aan [verweerster 5] en € 6.624,50 aan [verweerster 6] aan gederfd reisgenot, te vermeerderen met wettelijke rente; en
13.3 Aeroplus c.s. te veroordelen in de kosten van het incident.
in hoger beroep:
- voor recht verklaard voor recht dat Aeroplus en SACP tekortgekomen zijn in de nakoming van hun verbintenissen op grond van de reisovereenkomsten;
- voor recht verklaard dat de tussen Aeroplus en SACP enerzijds en de piloten anderzijds gesloten reisovereenkomsten rechtsgeldig zijn ontbonden;
- voor recht verklaard dat [eiser 3] jegens de piloten schadeplichtig is op grond van bestuurdersaansprakelijkheid;
- voor recht verklaard dat Aeroplus, SACP en [eiser 3] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor door de piloten gederfd reisgenot;
- Aeroplus, SACP en [eiser 3] hoofdelijk veroordeeld tot terugbetaling van de door de piloten aan hen voldane reissommen ter hoogte van € 11.268,75 voor [verweerder 1] € 11.268,25 voor [verweerder 2] en € 13.079,– voor [verweerder 3] , vermeerderd met de wettelijke rente over die bedragen vanaf 24 april 2019 tot aan de dag van volledige betaling;
- Aeroplus, SACP en [eiser 3] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan gederfd reisgenot van € 2.852,– aan [verweerder 1] , van € 2.852,– aan [verweerder 2] en van € 3.312,– aan [verweerder 3] , vermeerderd met de wettelijke rente over die bedragen vanaf 24 april 2019 tot aan de dag van volledige betaling;
- Aeroplus, SACP en [eiser 3] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan gederfd reisgenot van € 2.852, – aan [verweerster 4] , van € 2.852,– aan [verweerster 5] en van € 3.312,– aan [verweerster 6] , vermeerderd met de wettelijke rente over die bedragen vanaf 14 dagen na dagtekening van het arrest tot aan de dag van volledige betaling;
- Aeroplus, SACP en [eiser 3] hoofdelijk veroordeeld, tot betaling aan de piloten en de partners van € 6.523,58 aan beslag- en executiekosten, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 14 dagen na dagtekening van het arrest tot aan de dag van volledige betaling;
- Aeroplus, SACP en [eiser 3] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep;
- het arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard; en
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen de piloten en de partners is verstek verleend.
Aeroplus c.s. hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht.
3.Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van Aeroplus2.3 De piloten stellen dat Aeroplus niet-ontvankelijk is in haar vordering in de incidenten, omdat deze vennootschap op 3 juli 2019 ontbonden is. Dat de vennootschap is ontbonden betekent echter niet dat zij niet meer bestaat. De vennootschap blijft na ontbinding voortbestaan voor zover dat tot vereffening van haar vermogen nodig is (artikel 2:19 lid 5 BW Pro). Dat Aeroplus is opgehouden te bestaan is gesteld noch gebleken, zodat zij ontvankelijk is in de vorderingen in de incidenten.”
De ontvankelijkheid in cassatie dient evenwel ambtshalve te worden beoordeeld.
Genoemde brief, die door de griffier van het hof is ondertekend, luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
Tijdens die comparitie hebben partijen hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de zaak verwezen naar de rol voor memoriewisseling. Appellanten hebben tevens een incident (ex artikel 351 jo Pro. 235 en 843 a Rv) opgeworpen. In het incident is vervolgens nog (schriftelijk) pleidooi geweest, waarna de zaak voor arrest in het incident is komen te staan.
Er zal nu arrest worden gewezen in het incident en in de hoofdzaak op 24 november 2020.
(…)”
Wat daar verder van zij, de brief dient m.i. als een beslissing van het hof te worden aangemerkt, en wel – vanwege de aard van het verzoek [9] – als een tussenarrest waartegen op grond van art. 401a Rv lid 2 gelijktijdig met het eindarrest beroep in cassatie kan worden ingesteld. [10]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Geklaagd wordt dat deze twee gronden de afwijzing van het pleidooiverzoek niet kunnen dragen.
In de hierboven genoemde zaak is op 18 augustus arrest in de hoofdzaak en in het incident bepaald. Cliënten SACP c.s. herhalen hierbij hun bij brief van 4 augustus, alsmede op 19 augustus gedane verzoek tot pleidooi nu dit pleidooi voor cliënten dermate van belang is dat dit voor een zorgvuldige procesgang niet achterwege kan blijven.
Cliënten verzoeken uw Hof dan ook expliciet alsnog een datum voor pleidooi in de hoofdzaak te bepalen. Dit is ook niet strijdig maar juist in lijn met de eisen van een goede procesorde.
Aeroplus c.s. konden dus ook niet eerder ter rolle een pleidooiverzoek indienen.
alsnogbepalen van pleidooi tot onwenselijke vertraging van de zaak zal leiden, gekoppeld aan de datum van 19 augustus 2020 en de stand van de procedure toen. Deze overweging vormt m.i. dan ook geen zelfstandige grond voor afwijzing van het pleidooiverzoek wanneer dit tijdig zou zijn gedaan.
Dit brengt mee dat de als beslissing van het hof geldende brief van de griffier van 27 oktober 2020 en het bestreden arrest dienen te worden vernietigd en dat verwijzing moet volgen. Ten behoeve van de verwijzingsprocedure ga ik nog kort in op onderdeel 2.
In de toelichting op dit onderdeel [19] wordt – zakelijk en verkort weergegeven – geklaagd dat het hof het in art. 19 Rv Pro verankerde beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven, door de materiële vorderingen van de tussenkomende partijen aanstonds in de hoofdprocedure te beoordelen en toe te wijzen, zonder Aeroplus c.s. na de antwoordmemorie in het incident in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten dan wel daarover te pleiten of pleidooi te verzoeken. Volgens Aeroplus c.s. hebben zij gedaan waartoe het hof hen in de gelegenheid heeft gesteld: om in het incident tot tussenkomst een antwoordmemorie in te dienen en niet om zich over de materiële vorderingen van de tussenkomende partijen uit te laten. Dat laatste kan ook niet worden gelezen in de overweging in het arrest van 21 juli 2020 dat in de hoofdzaak arrest zal worden gewezen nadat Aeroplus c.s. een antwoordmemorie in het incident hebben genomen waarin zij tevens konden reageren op de eisvermeerdering (van de piloten in de hoofdzaak).
De handelwijze van het hof strookt, aldus het onderdeel niet met het systeem van de wet dan wel de civiele procedure waar eerst op een vordering tot tussenkomst dient te worden beslist, voordat aan een inhoudelijk debat over de ingestelde vordering wordt toegekomen.
Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 209 Rv Pro bepaalt dat op incidentele vorderingen eerst en vooraf wordt beslist,
indien de zaak dat meebrengt. Gelijktijdige behandeling is dus aan het beleid van de rechter overgelaten [24] en er bestaat geen aanspraak op voorafgaande behandeling en beoordeling van een incidentele vordering. [25] Ook Aeroplus c.s. laten, zo blijkt uit hun antwoordmemorie (par. 1.20) de mogelijkheid open dat het hof in het eindarrest op het incident beslist. Van een verrassingsbeslissing is dan ook geen sprake.
Voor de goede orde merk ik hierbij op dat als het verwijzingshof pleidooi in de hoofdzaak toestaat, de gelijktijdige behandeling van de vorderingen wegens gederfd reisgenot van de piloten en van de partners meebrengt dat bij het pleidooi ook de laatstgenoemde vorderingen aan bod (kunnen) komen.