Conclusie
Nummer21/00007 P
Het beoordelingskader
NJ2021/46 m.nt. Reijntjes, heeft de Hoge Raad ten aanzien van de vraag hoe de ontnemingsmaatregel zich verhoudt tot de onschuldpresumptie bij het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr het volgende overwogen:
buiten redelijke twijfelmoeten komen vast te staan dat dit andere strafbare feit door de betrokkene is begaan. Bovendien behoort de betrokkene de gelegenheid te hebben gekregen om aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan. De voldoende aanwijzingen (voor het begaan van andere strafbare feiten), hoeven echter niet te berusten op bewijsmiddelen. Noch de onschuldpresumptie, noch artikel 511f Sv verlangt dit. Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter de voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, heeft begaan. [1]
Toepassing van het voorgaande op de zaak
Slotsom