Conclusie
(hierna: de echtgenoot)
(hierna: de moeder)
advocaat: mr. K. Aantjes
(hierna: de man)
advocaat: mr. M.E. Bruning.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop voor zover in cassatie van belang
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Voorop staat dat elk kind het recht heeft om te weten van wie het biologisch afstamt. Dit grondrecht vloeit voor het kind onder andere voort uit artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 7 IVRK Pro. Dit recht is echter niet absoluut en dient te wijken voor de rechten en vrijheden van anderen als die rechten zwaarder wegen.
De man verzoekt een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [het kind] op grond van artikel 1:377a lid 1 BW. Daarin is bepaald dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM Pro en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK Pro en artikel 24 lid 3 Handvest Pro van de grondrechten van de EU.
Het begrip ‘nauwe persoonlijke betrekking’ komt volgens vaste jurisprudentie overeen met het begrip ‘family life’ als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. Biologische verwantschap is één van de feiten en omstandigheden op grond waarvan een nauwe persoonlijke betrekking kan worden aangenomen. Daarnaast dienen echter bijkomende omstandigheden te worden gesteld waaruit volgt dat er tussen de man en [het kind] een nauwe persoonlijke betrekking c.q. family life bestaat, zodanig dat voor een onderzoek naar de eventuele gerechtvaardigdheid van een omgangsregeling plaats is.
Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat het DNA-onderzoek in deze zaak in het belang van [het kind] noodzakelijk is. Daarbij is van belang dat de man slechts een omgangsregeling tussen hem en [het kind] verzoekt als blijkt dat hij de verwekker is. De man is ervan overtuigd dat hij de verwekker is van [het kind] , maar dit wordt door de moeder betwist. Biologische verwantschap is een onderdeel van een nauwe persoonlijke betrekking. Ook gelet op de bijkomende omstandigheden is het hof van oordeel dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [het kind] . Het hof baseert zich daarbij op de verklaring van de man ter zitting in hoger beroep, alsmede de foto’s en de berichten die hij in de procedure heeft overgelegd. Hieruit volgt dat de man en de moeder een affectieve relatie hadden, hetgeen overigens ook niet door de moeder wordt betwist. Ook staat vast dat zij onbeschermd seksueel contact hebben gehad. De man heeft verder onbetwist gesteld dat hij de babyuitzet heeft betaald en dat hij tijdens Vaderdag een cadeautje ontving van de moeder.
De man heeft veel contact gehad met de moeder en [het kind] . Ook heeft hij gedurende zes maanden intensief contact gehad met de ouders van de moeder toen zij in Nederland verbleven. Het hof maakt uit de manier waarop de man, de moeder, [het kind] en haar familie onderling contact hadden op dat de man structureel betrokken was bij de familie. Aan de relatie tussen de man en de moeder is pas een eind gekomen op het moment dat de moeder aan haar echtgenoot heeft verteld dat zij een relatie had met de man. Hoewel de moeder heeft aangevoerd dat zij een dubbelleven leidde en daarom tegenover zowel de man als tegenover haar echtgenoot heeft volgehouden dat diegene de vader was, acht het hof het, gelet op het voorgaande, aannemelijk dat de man de biologische vader zou kunnen zijn.
Het hof weegt ook mee dat een DNA-onderzoek niet op een later moment, bijvoorbeeld over een aantal jaren als [het kind] ouder is, alsnog kan plaatsvinden, omdat het risico bestaat dat de moeder en haar echtgenoot uit het zicht verdwijnen, nu zij recent naar het buitenland zijn verhuisd en het voor de man onduidelijk is waar zij thans wonen.
De uitspraken van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2021 en de rechtbank Gelderland van 29 januari 2020 maken dit oordeel niet anders. Beide uitspraken zien op dezelfde casus. In die zaak was sprake van geheel andere feiten en omstandigheden, omdat niet duidelijk was of sprake was van een affectieve relatie en de rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking. Bovendien heeft de A-G inmiddels in de conclusie van 24 september 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:919) in deze betreffende zaak aangegeven dat de margin of appreciation ten aanzien van het omgangsrecht minder ruim is dan ten aanzien van het vaststellen van het juridisch ouderschap (en het daarvoor eventueel benodigde DNA-onderzoek).
De A-G is van oordeel dat de bestreden beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2021 niet in stand kan blijven. De A-G overweegt dat indien de rechter na verwijzing alsnog een rechtsplicht van verweerders aanneemt- om medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek, geheel opnieuw een afweging zal moeten plaatsvinden van de wederzijds betrokken belangen, waarbij - gelet op artikel 3 IVRK Pro - in de eerste plaats wordt gelet op de belangen van de minderjarige.
Gelet op alle hiervoor genoemde bijkomende omstandigheden in deze zaak is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat het belang van [het kind] en de man om te weten of zij verwant zijn aan elkaar groter is dan de andere in het geding zijnde belangen, waaronder die van de moeder en haar echtgenoot. Evenals de rechtbank begrijpt het hof dat een DNA-onderzoek een grote inbreuk zal vormen op de persoonlijke levenssfeer van de moeder en haar echtgenoot. Zij hebben echter onvoldoende concreet onderbouwd dat de gevolgen voor de moeder, haar echtgenoot en [het kind] zo ernstig zullen zijn dat dat deze opwegen tegen het belang van [het kind] en de man om te weten of zij verwant zijn aan elkaar. De moeder heeft weliswaar gesteld dat zij is verstoten door haar ouders, maar dit is ter zitting in hoger beroep door de man weersproken en de moeder heeft geen nadere feitelijke onderbouwing van haar stelling voorgedragen. De man heeft ter zitting erkend dat de ouders van de echtgenoot rijk en vooraanstaand zijn in het dorp en dat er over de moeder zal worden geroddeld als bekend wordt dat zij een buitenechtelijke relatie heeft gehad, maar ook dit is niet voldoende voor een ander oordeel. De moeder en haar echtgenoot vrezen voorts dat hun huwelijk onder druk van de Tamil gemeenschap zal stranden en dat [het kind] als een bastaardkind zal worden behandeld, met alle ernstige gevolgen van dien. De man heeft ter zitting aangegeven dat vaststelling van zijn biologisch vaderschap veel minder verstrekkende gevolgen zal hebben dan door de moeder en haar echtgenoot geschetst. Het hof is van oordeel dat de moeder en haar echtgenoot tegenover de betwisting door de man niet concreet hebben gemaakt of en in hoeverre hun vrees in hun geval daadwerkelijk gerechtvaardigd is. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat zij vanaf 2015 als expats in Nederland hebben gewoond en gewerkt en thans niet bekend is waar zij wonen en of zich aldaar een Tamil gemeenschap bevindt waarvan zij deel uitmaken. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.”
randnummer 1wordt geklaagd dat het hof een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd door niet (eerst) te onderzoeken of het belang van het kind wel gediend is bij omgang met de man (of het verstrekken van informatie aan de man), aannemende dat de man de verwekker is. Pas als die vraag bevestigend is beantwoord, komt het verzoek tot medewerking aan een DNA-test aan de orde, hetgeen het hof volgens de moeder en de echtgenoot heeft miskend. Zij beroepen zich in dat kader op de beschikking van de Hoge Raad de dato 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1851,
NJ2022/75, m.nt. S.F.M. Wortmann.
randnummer 3wordt aangevoerd dat de vraag of het belang van het kind gediend is bij omgang met de man, een belangenafweging vereist aan de hand van de bijzonderheden van het concrete geval. In die belangenafweging had het hof het belang van het kind om een band op te bouwen met zijn biologische vader en het risico van verstoring van het gezinsleven van het kind met zijn juridische ouders moeten betrekken. Het hof heeft die belangenafweging ten onrechte niet gemaakt, althans er geen blijk van gegeven dat het risico van verstoring van het gezinsleven van het kind met zijn juridische ouders in zijn beoordeling is meegenomen.
randnummer 2wordt betoogd dat de beslissing onbegrijpelijk dan wel ongenoegzaam is gemotiveerd, indien – samengevat – het hof de belangenafweging ten aanzien van het belang van het kind bij omgang met de man kennelijk
welgemaakt heeft en de uitkomst daarvan besloten ligt in de overwegingen van het hof waarin het oordeelt dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en het kind en de omstandigheden opsomt die het hof tot dat oordeel brengen. Hieruit volgt, aldus de klacht, logischerwijs (nog) niet dat het belang van het kind gediend is bij omgang met de man (of het verstrekken van informatie aan de man). Ook zou het hof hebben miskend dat een nauwe persoonlijke relatie niet reeds bestaat op grond van de biologische verwantschap tussen het kind en de verwekker.
voorafgaandaan de bestreden beschikking in deze cassatieprocedure is gewezen.
teneinde het uiteindelijk belang van het kind vast te stellen, moet voorshands ervan worden uitgegaan dat de vermeende verwekker daadwerkelijk de verwekker is. In het geval dat een omgangs- of informatieregeling in het belang van het kind wordt bevonden, kan de rechter een DNA-verzoek gelasten, waarbij, als ik de beschikking van de Hoge Raad goed begrijp, opnieuw een afweging van belangen moet worden gemaakt; de Hoge Raad overweegt immers dat het hof het verzoek om medewerking aan een DNA-onderzoek ten onrechte zonder afweging van belangen heeft afgewezen.
Schneider/Duitsland (2011)en
Frölich/Duitsland (2018). Ook wordt verwezen naar
Kautzor/Duitsland (2012). Voor een uiteenzetting van deze zaken en een overzicht van relevante rechtspraak, verwijs ik naar de conclusie van A-G Langemeijer voor deze uitspraak. [15] Ik verwijs hieronder alleen naar de in het licht van de beschikking van de Hoge Raad mijns inziens meest relevante overwegingen uit deze uitspraken van het EHRM.
Schneider/Duitsland (2011)overweegt het EHRM als volgt:
Frölich/Duitsland (2018)overweegt het EHRM, met verwijzing naar
Schneider/Duitsland (2011), dat:
Kautzor/Duitsland (2012). Daarin is in dit kader met name het volgende van belang.
79. The Court further considers that similar considerations apply to the question whether an alleged biological father should be allowed to demand clarification of the child’s descent by genetic testing without changing the child’s legal status. It notes, in particular, that none of the twenty-six Member States examined by the Court provided a procedure to establish biological paternity without formally challenging the recognised father’s paternity and without changing the child’s legal status (see paragraph 38, above). Accordingly, the decision not to allow for such a separate examination also has to be considered as falling within the State’s margin of appreciation.” [18]
family life’) wordt gewaarborgd door artikel 8 EVRM Pro en artikel 1:377a lid 1 BW en voor kinderen daarnaast ook gewaarborgd wordt door artikel 9 lid 3 IVRK Pro en artikel 24 lid 3 Handvest Pro van de grondrechten van de EU.
rechttussen de man en het kind, volgt uit de motivering niet ook in hoeverre het belang van het kind in casu gediend is bij omgang met de man, ervan uitgaande dat hij de verwekker is. Dat het belang van het kind gediend is bij omgang met de man, kan mijns inziens niet gelezen worden in het oordeel dat het DNA-onderzoek noodzakelijk is in het belang van het kind en ook niet in het oordeel dat de man en het kind vanwege een nauwe persoonlijke betrekking recht hebben op omgang met elkaar. Het belang van het kind bij omgang met de (vermeende) verwekker, vergt in mijn optiek een andere, zelfstandige beoordeling, die volgens de beschikking van de Hoge Raad in de december 2021 zaak moet plaatsvinden voordat een DNA-onderzoek kan worden gelast.