Conclusie
family life’ en ‘
private life’ als bedoeld in art. 8 EVRM Pro?
1.Feiten en procesverloop
- er kan niet van worden uitgegaan dat [de man] de verwekker van [de minderjarige] is;
- voor zover er al een seksuele relatie tussen [de man] en de moeder is geweest, hetgeen de moeder betwist, was er geen intentie om samen een gezinsleven te starten;
- niet is aannemelijk geworden dat er op enig moment tijdens de door [de man] gestelde contacten met de moeder een intentie tot een familieleven aanwezig is geweest. [De man] was op dat moment gehuwd met zijn echtgenote en de moeder woonde samen met haar latere echtgenoot (…);
- [de man] is niet betrokken bij de zwangerschap en is door derden op de hoogte gesteld van de geboorte van [de minderjarige];
- [de minderjarige] is geboren binnen het huwelijk van de moeder en de juridische vader […];
- [de man] heeft [de minderjarige] nog nooit gezien;
- [de man] heeft nooit deelgenomen aan het gezinsleven van [de minderjarige].
- Daarmee is niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor een omgangsregeling.”
2.Inleidende beschouwingen
mutatis mutandisook zou moeten worden toegepast indien de moeder ná de indiening van het verzoek door de beweerde verwekker maar vóór de geboorte van het kind met een andere man in het huwelijk treedt. Het vaderschap van die andere man zou dan moeten worden geacht te zijn ‘opgeschort’. Hoe een dergelijke opschorting vorm zou moeten krijgen – bij gebreke van een wettelijke regeling daaromtrent – liet de annotator in het midden.
nietvoor om wijziging te brengen in de hoofdregel dat het ouderschap van rechtswege toekomt aan de man met wie de moeder gehuwd is ten tijde van de geboorte van het kind. Ik citeer uit blz. 401 – 402 van het rapport:
family lifein art. 8 EVRM Pro. Biologisch ouderschap is niet steeds vereist om te kunnen spreken van een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ als bedoeld in art. 1:377a BW. [21] Anderzijds is biologische verwantschap tussen vader en kind op zichzelf niet voldoende om te kunnen spreken van
family lifemet het kind (dit is een feitelijke toestand, te verstaan als: het leven in gezinsverband of een daarmee gelijk te stellen relatie tot het kind). Een biologische vader die omgang met een kind verlangt en daarbij een beroep doet op zijn recht op
family lifemet het kind moet naast zijn biologisch vaderschap bijkomende feiten en omstandigheden stellen. [22] Zoals hierna zal blijken, is het begrip
family lifein de jurisprudentie van het EHRM steeds meer verruimd. Dit heeft het mogelijk gemaakt dat (naast het traditionele samenwonen met het kind in gezinsverband onder één dak) ook andere eigentijdse verschijningsvormen van
family lifeonder art. 8 EVRM Pro worden beschermd. Voor de onderhavige zaak is met name van belang dat bij uitzondering ook een beoogd maar niet gerealiseerd gezinsleven – ‘
intended family life’- voor bescherming onder art. 8 EVRM Pro in aanmerking kan komen indien niet aan de man toe te rekenen is dat het beoogde
family lifeniet tot stand is gekomen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het in het kraambed overlijden van de moeder of aan gevallen waarin de moeder (of iemand anders met haar instemming) na de geboorte van het kind elk contact tussen de vader en het kind verhindert.
private life. Conceptueel is die uitbreiding begrijpelijk omdat het begrip ‘
private life’(’privéleven’) verschillende aspecten kent. Of er nu wel of niet sprake is (geweest) van leven in gezinsverband met het kind, onder art. 8 EVRM Pro is
sowiesode bescherming van het privéleven in de betekenis van de persoonlijke levenssfeer (de
privacy) van de beweerde vader in het geding wanneer het gaat om persoonsgegevens zoals die over het biologisch vaderschap en zijn relatie tot zijn bloedverwanten. Het EHRM koppelt het begrip
private lifemede aan de persoonlijke identiteit. [23] Dit stelt dit de rechter voor lastige vragen, omdat – naast het bepaalde in Titel 11 van Boek 1 BW – in Nederland geen wettelijke regeling bestaat voor het vastleggen van biologisch vaderschap zonder dat daaraan wettelijk (afstammingsrechtelijke) gevolgen zijn verbonden. Men zou op het eerste gezicht kunnen denken aan de mogelijkheid van een verklaring voor recht omtrent het biologisch vaderschap [24] , maar dat biedt onvoldoende soelaas: een verklaring voor recht geldt niet ‘
erga omnes’(d.w.z. geldt niet ten opzichte van anderen dan de veroordeelde gedaagde). In zijn bespreking van de voorstellen van voornoemde Staatscommissie heeft Blauwhof zich afgevraagd of in de wet niet een afzonderlijke procedure zou moeten worden opengesteld indien kennis van biologisch/genetisch ouderschap verzocht wordt, zonder dat dit noodzakelijkerwijs gevolgen heeft voor het juridisch ouderschap. [25] Daarnaast blijft de vraag of uit het recht op bescherming van ‘
private life’ in art. 8 EVRM Pro óók het recht op omgang met het biologische kind van de verzoeker kan worden afgeleid, buiten de gevallen waarin reeds een omgangsrecht bestaat op grond van ‘
family life’in art. 8 EVRM Pro. Daarvoor moeten wij kijken naar de rechtspraak van het EHRM over art. 8 EVRM Pro.
family lifetussen de gehuwde ouders en het kind, ook als zij niet (langer) samenwonen. [26] Voor een bestendige buitenhuwelijkse samenlevingsrelatie tussen de ouders geldt in beginsel hetzelfde. [27] Tussen een alleenstaande moeder en haar kind − vanaf de geboorte – bestaat
family life. [28] In dit geding is nimmer ter discussie gesteld dat tussen de moeder, haar echtgenoot en de minderjarige
family lifebestaat. Verweerders kunnen zich op hun
family lifeberoepen.
family lifezijn dus feiten en omstandigheden nodig, waaruit kan blijken van een nauwe persoonlijke betrekking. [29] Tot de relevante omstandigheden behoort onder meer de aard van de relatie die de verwekker vóór de geboorte van het kind met de moeder heeft gehad. Een eenmalig, vluchtig seksueel contact tussen de verwekker en de moeder wordt doorgaans niet toereikend geacht om van
family lifete spreken, maar als de relatie tussen de partners bestendig was kan de rechter het bestaan van
(intended) family lifetussen de vader, de moeder en het (geboren of nog ongeboren) kind aannemen. [30] Het bestaan van
family lifekan ook blijken uit een nauwe persoonlijke betrekking met het kind die de verwekker eerst ná de geboorte heeft opgebouwd, bijvoorbeeld door met het kind samen te leven en het (mede) op te voeden en te verzorgen [31] of uit een combinatie van feiten en omstandigheden die dateren van vóór en na de geboorte. [32]
Nylund/Finlanden
Kautzor/Duitsland) maken deel uit van een omvangrijke jurisprudentie waarin het EHRM het toepassingsbereik van art. 8 lid 1 EVRM Pro stapsgewijs heeft uitgewerkt, ten aanzien van mannen die een kind willen erkennen en/of omgang met dat kind willen hebben. Hieronder volgt een – niet uitputtend − overzicht in chronologische volgorde. [33] De lezer die al vertrouwd is met deze jurisprudentie kan dit overzicht overslaan en doorscrollen naar de bespreking van het cassatiemiddel in paragraaf 3.
family lifeook
private lifebeschermt
:de vaststelling van de familierechtelijke betrekking tussen een ouder en het kind maakt deel uit van het
private life. Wat betreft de toelaatbaarheid van het verschil in de wettelijke termijnen voor een ontkenning van het vaderschap, wees het EHRM op de beoordelingsvrijheid (
margin of appreciation) van de verdragsstaten (rov. 40). Na bespreking van doel en achtergrond van de termijnen in de Deense wet achtte het EHRM art. 14 in Pro verbinding met art. 6 en Pro art. 8 EVRM Pro niet geschonden.
family lifeheeft bestaan (zie rov. 44 en 45). Het belang van de uitspraak is hierin gelegen dat het EHRM erop wijst dat art. 8 EVRM Pro (naast negatieve) ook positieve verplichtingen voor de verdragsstaten inhoudt, waarbij ”
a fair balance” moet worden gevonden “
between the competing interests of the individual and of the community as a whole”. Daarbij hebben de verdragsstaten een
margin of appreciation(rov. 49). Het EHRM wees op art. 7 IVRK Pro en overwoog in rov. 50 dat “
the mutual enjoyment by parent and child of each other's company constitutes a fundamental element of family life even when the relationship between the parents has broken down (…)”.Het EHRM ging ervan uit dat de nationale autoriteiten het belang van het kind beoogden te dienen (rov. 53). Bij de toetsing of de inmenging in het recht van Keegan op
family lifemet zijn dochter noodzakelijk is in een democratische samenleving, kwam het EHRM echter tot de slotsom dat in dit geval de tamelijk abrupte breuk met het bestaande
family lifetussen vader en dochter niet gerechtvaardigd was onder art. 8 EVRM Pro (rov. 55).
de moedergeen mogelijkheid om het vaderschap van haar echtgenoot te ontkennen (en daarmee de weg vrij te maken voor een erkenning van het kind door de verwekker). De moeder, de verwekker en het kind klaagden hierover bij het EHRM. Het EHRM achtte een schending van art. 8 EVRM Pro aanwezig en overwoog onder meer:
niettevens om een ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot en een vaststelling van zijn eigen vaderschap. Zijn verzoek werd in twee instanties afgewezen. Het EHRM vat de beslissing van de Finse appelrechter als volgt samen:
family lifetussen hem en de toen zwangere vrouw.
family lifetussen Nylund en het kind; in zoverre was er verschil met de zaken Keegan en Kroon. Daarbij komt dat de moeder het beweerde biologisch vaderschap van Nylund betwistte. Na de geboorte had Nylund het kind nooit gezien, noch heeft hij persoonlijke betrekkingen met het kind kunnen ontwikkelen. Wel achtte het EHRM een beroep van Nylund op de bescherming van zijn
private lifeonder art. 8 EVRM Pro mogelijk. Het EHRM vervolgde:
private life (vgl. art. 8 lid Pro 1), maar deze inmenging werd gerechtvaardigd door het belang van het kind (vgl. art. 8 lid Pro 2). Het EHRM paste naast een materiële ook een procedurele toets toe: volgens het EHRM had de nationale rechter naar behoren de belangen van alle betrokkenen onderzocht en tegen elkaar afgewogen.
family lifevan Yousef (vgl. art. 8 lid Pro 1), maar heeft de nationale rechter tot het oordeel kunnen komen dat de inmenging werd gerechtvaardigd door het belang van het kind bij een ongestoord verblijf in het gezin van de door de moeder aangewezen voogd (vgl. art. 8 lid Pro 2). Het EHRM vond geen aanwijzing dat de nationale rechter bij zijn belangenafweging onvoldoende rekening had gehouden met de belangen van de verzoeker (rov. 74).
family life(vgl. art. 8 lid Pro 1), maar mocht, gelet op de omstandigheden (“
particularly the real and serious conflicts between the applicant and the child’s mother”), de nationale rechter oordelen dat de inmenging werd gerechtvaardigd door het belang van het kind bij een ongestoord verblijf in het gezin van de moeder (vgl. art. 8 lid Pro 2).
family lifeen
private lifeomdat hij niet in staat is gesteld zijn kind te erkennen.
family lifein de zin van art. 8 EVRM Pro (rov. 63). Het EHRM benadrukt in rov. 67 het verschil met de zaak Kroon c.s./Nederland waarin niet de verwekker, maar de moeder, haar levenspartner en het kind de klagers waren. Het EHRM besliste op verschillende gronden, samengevat in rov. 79, dat het recht van Różański op
family lifeonder art 8 EVRM Pro was geschonden:
Mizzi v. Malta, no. 26111/02 par. 114,
mutatis mutandis).”
hunrechten voldoende gewaarborgd. In de vakliteratuur wordt deze beslissing wel aangemerkt als moeilijk te verklaren, althans als een atypisch geval. Met name Forder is in haar EHRC-annotatie kritisch wanneer zij de uitspraak inzake Chavdarov vergelijkt met de eerdere uitspraken inzake
Nylund/Finland,
Kroon/Nederlanden
Różański/Polen.
family lifeheeft bestaan tussen Anayo en de tweeling (rov. 59). Bij uitzondering kan echter ook een beoogd (
intended)
family lifein aanmerking komen voor bescherming onder art. 8 EVRM Pro, "
notably in cases in which the fact that family life has not yet fully been established was not attributable to the applicant” (rov. 60). [43] Voor zover niet reeds op die grond sprake is van
family life, rekende het EHRM het recht op omgang in elk geval tot het
private lifevan Anayo, omdat de betrekking tussen een persoon en zijn kind een belangrijk onderdeel uitmaakt van de identiteit van die persoon (zie rov. 58 en 60).
family lifemet de tweeling heeft kunnen ontwikkelen; volgens de Duitse wet had hij geen recht op omgang en evenmin de mogelijkheid om het wettelijk vaderschap van de echtgenoot te ontkennen en zelf de kinderen te erkennen (rov. 60). Het EHRM vervolgde:
The domestic courts’ decision to refuse him contact with his children thus interfered with his right to respect, at least, for his private life.” (onderstreping toegevoegd, A-G).
nietvaststond dat hij de biologische vader was). Veronderstellenderwijs uitgaande van het biologisch vaderschap, heeft geen
family lifevan Schneider met het kind bestaan; hij heeft het kind zelfs nooit gezien (rov. 83). Als Schneider een poging zou hebben ondernomen om het vaderschap van de juridische vader te ontkennen en zelf het kind te erkennen, zou die poging – gelet op de nationale wetgeving – kansloos zijn geweest (rov. 85 – 86). Het EHRM herhaalde dat ook
intended family lifeonder art. 8 EVRM Pro kan worden beschermd, zoals in het geval dat de juridische ouders het contact tussen de verwekker en het kind hebben belet (rov. 84 - 89). Ten slotte herhaalde het EHRM dat een (beweerde) verwekker als Schneider zich onder art. 8 EVRM Pro kan beroepen op zijn recht op bescherming van zijn
private life(rov. 90):
In reasoning their decisions, the domestic courts assumed the applicant’s paternity for the purposes of the proceedings(…). [46] They rejected the applicant’s request for contact with (and information about) F. (…) because the applicant was not F.’s legal father and there had never been a social and family relationship between him and F. In both cases, the reasons why the biological father had not previously established a ‘social and family relationship’ with the children/child concerned had been irrelevant for the domestic courts’ findings. The courts thus did not give any weight to the fact that the respective applicants, for legal and practical reasons, were unable to alter the relationship with the children/child concerned (see Anayo (…), §§ 67, 69 (…).
The question of establishment, in access proceedings, of biological – as opposed to legal – paternity will only arise if, in the special circumstances of the case, contacts between the alleged biological father – presuming that he is in fact the child’s biological parent – and the child are considered to be in the child's best interest.
Ahrensstond vast dat Ahrens de biologische vader was. Het gestelde biologische vaderschap van
Kautzorwerd betwist door de moeder. In beide zaken klaagden de beweerde verwekkers bij het EHRM over de weigering van de Duitse rechter om hen toe te staan het wettelijk vaderschap van de nieuwe partner van de moeder aan te vechten en hen als vader aan te merken.
Kautzoroordeelde de Duitse rechter dat, omdat het kind al een juridische vader had, Kautzor niet het recht had om zijn eigen vaderschap te laten vaststellen door middel van een DNA-test. De appelrechter stelde vast dat Kautzor “
did not have the right to have his biological paternity established without establishing legal paternity”.
to have his alleged paternity certified and legally established” (rov. 63). Het EHRM herhaalde zijn rechtspraak over de bescherming van
private life, waarmee de zaak binnen het toepassingsgebied van art. 8 EVRM Pro valt (rov. 66). Vervolgens ging het EHRM nader in op de
margin of appreciation.Het EHRM ziet een ruimere
margin of appreciationvoor de verdragsstaten wanneer het gaat om de afstammingsrechtelijke relatie dan wanneer het gaat om een recht op omgang met het kind:
margin of appreciationwerd gerechtvaardigd door de bescherming van het kind en het gezin waarin het opgroeit:
volledigworden uitgesloten van de mogelijkheid om zijn biologisch vaderschap door de bevoegde autoriteiten te doen vaststellen, tenzij er gewichtige redenen zijn, verband houdend met het belang van het kind, om ook deze mogelijkheid uit te sluiten.
margin of appreciation) van de wetgever in de verdragsstaten.
bepalingvan zijn biologisch vaderschap. Daaraan ligt het uitgangspunt ten grondslag dat aan de belangen van het kind en de familie waarin het opgroeit groter gewicht mag worden toegekend dan aan het belang van de mogelijke verwekker tot bepaling van zijn biologische vaderschap (artikel 8 EVRM Pro). Uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Nylund/Finland (EHRM 29 juni 1999, appl. no. 27110/95) moet meer concreet worden opgemaakt dat er om die reden geen op zichzelf staand recht bestaat op vaststelling van het biologische vaderschap (artikel 6 EVRM Pro). In overeenstemming daarmee volgt uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Kautzor/Duitsland (EHRM 22 maart 2012, appl.no. 23338/09) dat het feit dat Nederland geen procedure kent om het biologisch vaderschap te laten vaststellen, geen inbreuk vormt op de rechten die het EVRM garandeert; het valt binnen de beoordelingsvrijheid van de staten zelf om een dergelijke procedure al dan niet in het leven te roepen. Dat is echter in Nederland niet aan de orde. In overeenstemming met het al genoemde artikel 8 EVRM Pro kent Nederland de algemene regel dat de gehuwde man vermoed wordt de vader van het kind te zijn ter wille van de rechtszekerheid over het bestaan van familiebanden.
Custody Board). Die weigerde dit, op de grond dat het kind deel uitmaakte van het gezin van de moeder en dat het niet in het belang van het kind was om in een gerechtelijke procedure het vaderschap ter discussie te stellen. Tóth wendde zich tot de rechter. Deze overwoog dat het kind opgroeit in “
a loving family atmosphere” en dat het niet in het belang van het kind was “
to be removed from that environment for the sole purpose of establishing the biological paternity by medical tests”. Indien het vaderschap met succes zou worden aangevochten, bestond het risico dat het kind helemaal geen juridische vader meer zou hebben, omdat Tóth het kind niet kon erkennen zonder de toestemming van de moeder. De hoogste Hongaarse rechter nam dit oordeel over en merkte daarbij op dat het kind zelf een procedure kon beginnen met het oog op het vaststellen van biologisch vaderschap zodra het de leeftijd van veertien jaar zou hebben bereikt.
private lifevan Marinis (rov. 58) en onderzocht of de inmenging noodzakelijk was in een democratische samenleving (art. 8 lid Pro 2). In dit geval achtte het EHRM het gerechtvaardigd dat de nationale rechter meer gewicht had toegekend aan de belangen van het kind en van het gezin waarin het kind leeft dan aan die van een verzoeker die een biologisch feit wil laten vaststellen (rov. 70).
nietvan toepassing was, omdat de moeder en haar latere partner (de juridische vader) in het conceptietijdvak (nog) niet met elkaar samenleefden; bovendien stond vast dat de beweerde verwekker had samengeleefd met de moeder en dat zij een intieme relatie onderhielden. De rechtbank oordeelde dat het kind niet doorlopend ‘bezit van staat’ heeft gehad als kind van de moeder en de vader. De rechtbank overwoog dat het voornaamste belang van het kind lag in het kennen van de waarheid over zijn afkomst. De rechtbank gelastte een DNA-onderzoek van alle vier betrokkenen. Slechts de beweerde biologische vader heeft aan dat onderzoek meegewerkt. Daarop heeft de rechtbank de erkenning van het vaderschap en de daaropvolgende legitimatie van het kind door het huwelijk met de moeder vernietigd, bepaald dat het kind de achternaam van de moeder zou hebben en bepaald dat de beweerde biologische vader voor de wet moet worden beschouwd als de vader. In hoger beroep werd het oordeel van de rechtbank bekrachtigd.
margin of appreciationdie aan de verdragsstaten toekomt (rov. 52).
Mandetoproept betrekking heeft op de wijze waarop het EHRM de belangen van het kind beoordeelt in een situatie waarin (ook) het kind – dat aan het begin van de procedure voor de Franse rechters 9 jaar oud was en aan het eind daarvan 15 jaar – bezwaar maakt tegen toewijzing van het verzoek van de beweerde biologische vader. Florescu gaat in haar annotatie (punten 12 - 15) in op de betekenis van art. 3 en Pro art. 8 lid 1 IVRK Pro in relatie tot de jurisprudentie van het EHRM, die telkens uitgaat van een concrete afweging van de belangen van de betrokkenen.
Mandet/Frankrijkvolgt, volgens Chébti, dat het belang van het kind bij de bescherming van de waarheid omtrent zijn biologische afstamming ten dele samenvalt met het belang van de biologische vader, in die zin dat beiden belang hebben bij het gedurende de minderjarigheid van het kind al kunnen opbouwen van een (familie)band. Volgens haar kan uit de lijn in de rechtspraak van het EHRM worden afgeleid dat tegenover elkaar dienen te worden afgewogen: het belang van het kind om te weten van wie het afstamt en deze te leren kennen en, anderzijds, het belang van het kind bij het behoud van de vreedzame en bestaande familieverhouding met zijn juridische ouders. Dit recht van het kind wordt volgens haar onvoldoende gereflecteerd in “de huidige wettelijke benadering van
de conflicterende belangen van de verschillende oudersin het afstammingsrecht en de resulterende beperking van de toegang tot de rechter van de biologische vader (en in het verlengde daarvan van het kind) in Nederland”.
private lifeonder art. 8 EVRM Pro (rov. 55 – 56). Het Hof herhaalde dat de verdragsstaten een ruimere beoordelingsmarge hebben wanneer het gaat om het bepalen van de juridische status (afstamming) dan wanneer het gaat om de omgang tussen een kind en zijn ouders (zie rov. 59, onder verwijzing naar
Ahrens/Duitsland,
Kautzor/Duitslanden
Tóth/Hongarije). Het EHRM concludeerde dat ook Bulgarije over een ruime beoordelingsmarge beschikte (rov. 60). Niettemin achtte het EHRM in deze zaak art. 8 EVRM Pro geschonden (rov. 62). Omdat het Bulgaarse recht aan klagers geen enkele mogelijkheid bood om hun vaderschap te doen vaststellen indien een andere man het kind al heeft erkend (absolute verhindering) en omdat in de Bulgaarse procedure geen enkele afweging had plaatsgevonden van de omstandigheden van het geval en van de belangen van alle betrokkenen, achtte het EHRM het recht van de twee klagers op respect voor hun
private lifegeschonden.
verondersteldeinmenging in een aan art. 8 lid 1 EVRM Pro door verzoeker te ontlenen recht op omgang. In rov. 43 onderzocht het EHRM de kwaliteit van de besluitvorming en de motivering. Daaruit is het volgende van belang:
private life(rov. 57) gerechtvaardigd (zie rov. 61 – 67). De kernoverwegingen luidden:
private lifeen daarmee art. 8 EVRM Pro was geschonden.
family lifevan de beweerde biologische vader, dan in elk geval zijn recht op bescherming van zijn
private life(in de zin van art. 8 EVRM Pro) (zie rov. 44, onder verwijzing naar o.m.
Ahrens/Duitsland,
Marinis/Griekenlanden
L.D. en P.K./Bulgarije).
Różański/Polenen
L.D. en P.K./Bulgarije). Wanneer de onmogelijkheid berust op het feit dat het kind al een ander als vader heeft, hebben de verdragsstaten een ruime
margin of appreciation, nu een gemeenschappelijke rechtsopvatting daaromtrent in de verdragsstaten ontbreekt (zie rov. 56, onder verwijzing naar
L.D. en P.K./Bulgarije).
margin of appreciationneemt niet weg dat het EHRM ook in die gevallen, in het licht van alle omstandigheden van het specifieke geval, de gronden moet onderzoeken die de nationale autoriteiten in aanmerking hebben genomen om tot hun besluit te komen en vervolgens moet bepalen of de nationale autoriteiten een billijk evenwicht (‘
fair balance’) hebben gevonden tussen de verschillende bij het geschil betrokken belangen. Daarbij geldt het essentiële beginsel dat de belangen van het kind van het grootste belang (‘
une importance primordiale’) zijn, zie rov. 56, onder verwijzing naar onder meer
Tóth/Hongarije(waarin het aan art. 3 IVRK Pro ontleende woord ‘
paramount’is gebruikt) en
Mandet c.s./Frankrijk). Dit neemt niet weg dat ook de belangen van de andere betrokkenen meetellen in de te maken belangenafweging (rov. 56, vervolg).
margin of appreciationdie op dit punt aan de verdragsstaten is toegekend, dat het een biologische vader niet volledig mag worden belet om zijn vaderschap te laten vaststellen en dat hij niet mag worden buitengesloten van het leven van het kind, tenzij er dwingende redenen zijn om dit te doen, verband houdend met het belang van het kind. In gevallen waarin het voor een (veronderstelde) biologische vader absoluut onmogelijk is om zijn vaderschap te doen vaststellen, op de enkele grond dat een ander het kind al heeft erkend en zonder daarbij onderzoek te doen naar de bijzondere omstandigheden van het geval en de daarbij betrokken belangen, heeft het EHRM een schending van art. 8 aangenomen Pro (zie rov. 57, onder verwijzing naar
Różański/Polenen
L.D. en P.K./Bulgarije). In andere gevallen kwam het EHRM tot de slotsom dat er geen sprake was van schending van art. 8 EVRM Pro, omdat de weigering van de nationale autoriteiten om het verzoek tot vaststelling van het vaderschap te behandelen niet slechts was gebaseerd op het feit dat het kind al een juridische vader had, maar ook op andere relevante omstandigheden zoals het belang van een stabiel gezinsleven tussen het kind en zijn juridische ouders (vervolg rov. 57, onder verwijzing naar
Ahrens/Duitsland, Kautzor/Duitslanden
Marinis/Griekenland) of het oordeel van de rechter dat in het specifieke geval de verzochte toestemming voor een vaderschapsonderzoek niet in het belang van het kind zou zijn (onder verwijzing naar
Nylund/Finland, Tóth/Hongarijeen, met betrekking tot een verzoek van de biologische vader om contact te hebben met het kind,
Fröhlich/Duitsland).
Ahrens/Duitsland, Tóth/Hongarijeen de ontvankelijkheidsbeslissing in
Gueye/Italië [60] ).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Vooraf
nietheeft verzocht het wettelijk vaderschap van de echtgenoot van de moeder te beëindigen en zelf het kind te mogen erkennen. In eerste aanleg heeft de man zelf gesteld dat hij geen mogelijkheid heeft om het wettelijk vaderschap van de echtgenoot van de moeder te betwisten. Wél zou de te benoemen bijzondere curator namens de minderjarige een verzoek kunnen indienen tot ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot van de moeder, waarna vervolgens het vaderschap van de man zou kunnen worden vastgesteld. De man stelde dat zijn wens is dat de juridische status in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. [61] Deze wens kan op verschillende manieren worden uitgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de advocaat van de man verklaard dat het doel niet is, het vaderschap van de echtgenoot van de moeder te betwisten: in deze procedure gaat het de man erom, dat hij regelmatig contact met de minderjarige verkrijgt. [62]
biologischvaderschap teneinde omgang met de minderjarige te kunnen krijgen. [63] Aan het slot van zijn toelichting op grief 1 heeft de man uiteengezet:
nietvan plan is om, indien uit het DNA-onderzoek zou blijken dat de man de biologische vader van de minderjarige is, een afstammingsprocedure te starten, nu de minderjarige opgroeit in het gezin van verweerders en de bijzondere curator de rust binnen dat gezin niet in gevaar wil brengen (rov. 4.2 Rb). Dat standpunt van de bijzondere curator is in hoger beroep ongewijzigd gebleven. Het hof heeft het in hoger beroep herhaalde verzoek van de man om een bijzondere curator te benoemen afgewezen (rov. 5.10). Die beslissing als zodanig is in cassatie niet bestreden.
Nylund/Finlanden
Kautzor/Duitslanddat dit binnen de
margin of appreciationvan de verdragsstaten valt, óók als het gaat om de vaststelling van biologisch vaderschap. Het verzochte DNA-onderzoek, ook al zou dit positief uitvallen, kan om die reden niet ertoe leiden dat de rechter het (biologisch) vaderschap van de man vaststelt. Daarom moet het verzoek betreffende het DNA-onderzoek worden afgewezen.
onderdeel Iontbreekt in de bestreden beschikking de door het EHRM vereiste belangenafweging. In zoverre is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het bestreden oordeel ontoereikend gemotiveerd. Ondanks de vooropstelling in rov. 5.6 blijkt volgens de klacht niet dat het hof in rov 5.7 de vereiste belangenafweging heeft gemaakt. Onjuist is de redenering dat in dit geval geen sprake behoeft te zijn van een belangenafweging omdat de echtgenoot van de moeder voor de wet wordt beschouwd als de vader. De man betoogt dat het hof is voorbijgegaan aan zijn hierna volgende stellingen:
Nylund/Finland,hier niet gaat om een afzonderlijke vaststelling van het biologisch ouderschap: de man heeft het verzoek om medewerking van verweerders aan een DNA-onderzoek gekoppeld aan zijn verzoek om een omgangsregeling. Verder heeft hij betoogd dat uit de aangehaalde uitspraken van het EHRM inzake
Anayo/Duitslanden
Kautzor/Duitslandvolgt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de bevoegdheid om omgang met het kind te hebben en, anderzijds, de bevoegdheid om het (juridisch) vaderschap van de echtgenoot van de moeder aan te tasten. Indien sprake is van
(intended) family lifeof van inmenging in zijn
private life, waarop middelonderdeel II betrekking heeft, kan de man aanspraak maken op zijn rechten voortvloeiend uit art. 8 lid 1 EVRM Pro. Weliswaar kan dan nog steeds een afweging van de over en weer betrokken belangen plaatsvinden (vgl. art. 8 lid 2 EVRM Pro), maar dan moeten wel
allebetrokken belangen tegen elkaar worden afgewogen, ook die van de (beweerde) biologische vader. Dat heeft het hof niet gedaan.
verweerschrift in cassatieis hiertegen onder meer ingebracht dat het hof de volgens het middelonderdeel vereiste belangenafweging wel degelijk heeft gemaakt. Dit volgt niet slechts uit de vooropstelling in rov. 5.6, maar ook uit de overweging in rov. 5.7 waarbij het hof zich aansluit bij de afweging die de Nederlandse wetgever binnen de
margin of appreciationheeft gemaakt. Verder wijzen zij erop dat niet alleen de man, maar ook de moeder en haar echtgenoot recht hebben op bescherming van hun
family lifeen hun
private life. [65]
biologischvaderschap en een DNA-onderzoek om het
juridischvaderschap vast te stellen doet volgens verweerders niet ter zake: in beide gevallen kan het onderzoek belastend zijn voor de balans in het gezin waarin het kind opgroeit. Daarnaast hebben verweerders naar voren gebracht dat het kind te zijner tijd – eenmaal ingelicht over zijn ontstaansgeschiedenis − de mogelijkheid heeft om zélf te beslissen om wel of niet een verzoek in te dienen tot ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot van de moeder. Zij betogen: “De biologische vader mag het kind die beslissing niet ontnemen door een DNA-onderzoek af te dwingen en daarmee de stabiliteit binnen het gezin op het spel te zetten”. [66] Tot zover de standpunten van partijen in cassatie.
biologischouderschap door de rechter te laten vaststellen zonder (tevens) een beslissing te geven over het juridisch vaderschap. Het hof heeft gelijk, in zoverre dat de keuze van de nationale wetgever om wel of niet zo’n afzonderlijke procedure open te stellen, binnen de
margin of appreciationvan de verdragsstaten valt. [67] Een afzonderlijk
dictumwaarin het biologisch vaderschap van de man door de rechter wordt vastgesteld, kan – afhankelijk van de wijze waarop het is geformuleerd – verwarring wekken en om die reden in strijd komen met de (in titel 11 van Boek 1 BW door de wetgever beoogde) rechtszekerheid omtrent de persoonlijke staat. Hetzelde geldt voor het DNA-onderzoek in verband met een dergelijk verzoek van een beweerde biologische vader.
margin of appreciationvolgens het EHRM minder ruimte voor de nationale autoriteiten van de verdragsstaten laat, wanneer het alleen om het vaststellen van een omgangsregeling gaat. [68] In deze zaak heeft de man verzocht een omgangsregeling en een regeling voor het verstrekken van informatie vast te stellen. Weliswaar heeft de man in het
petitumafzonderlijk verzocht om aan verweerders te gelasten hun medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek, maar dat verzoek heeft veeleer het karakter van een procesincident: het DNA-onderzoek zou moeten dienen als middel om het door de man gestelde biologisch vaderschap te bewijzen. Wanneer uit het onderzoeksresultaat zijn biologisch vaderschap blijkt, kan de man zijn verzoek om een omgangsregeling nader onderbouwen, aangenomen dat het hof het bewijs niet reeds geleverd acht aan de hand van het bewijsmateriaal dat de man al heeft overgelegd.
biologischeverwantschap bestaat. [70] Voor het welslagen van zo’n onderzoek is veelal enige feitelijke medewerking van de onderzochte nodig, bijvoorbeeld bij het nemen van een monster. Reeds omdat verweerders het gezag over het minderjarige kind uitoefenen, is hun medewerking nodig bij het onderzoek. Fysieke dwang om medewerking te verlenen aan een dergelijk onderzoek is niet toegestaan zonder wettelijke basis; zie art. 11 Grondwet Pro. Daarom resteren slechts twee mogelijkheden: (i) de rechter kan bewijsrechtelijk consequenties verbinden aan een weigering van de ouders om aan het onderzoek mee te werken; (ii) de rechter kan een rechtsplicht aannemen van verweerders om hun medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek en hen daartoe veroordelen op straffe van verbeurte van een dwangsom. Weliswaar is dan nog geen reële executie mogelijk, maar een dwangsom kan wel een krachtige prikkel zijn tot het verlenen van de gevraagde medewerking.
margin of appreciationminder ruim dan ten aanzien van het vaststellen van het juridisch ouderschap (en het daarvoor eventueel benodigde DNA-onderzoek). Om die reden kan de bestreden beschikking mijns inziens niet in stand blijven. Indien de rechter na verwijzing alsnog een rechtsplicht van verweerders aanneemt om medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek, zal geheel opnieuw een afweging moeten plaatsvinden van de wederzijds betrokken belangen, waarbij – gelet op art. 3 IVRK Pro – in de eerste plaats wordt gelet op de belangen van de minderjarige.
veronderstellenderwijsis uitgegaan van het biologisch vaderschap van verzoeker en zijn recht op een omgangsregeling (art. 8 lid 1 EVRM Pro), waarna het hof een belangenafweging als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM Pro heeft gemaakt die in het nadeel van verzoeker is uitgevallen. Bij een dergelijke hypothetische grondslag zou het hof een (DNA-)onderzoek achterwege kunnen laten. Uit rov. 5.13 volgt evenwel dat de redengeving van het hof
nietop deze hypothetische grondslag is gebaseerd. Het hof overweegt met zoveel woorden dat
nietervan kan worden uitgegaan dat de man de verwekker van de minderjarige is.
Anayo/Duitslanden
Schneider/Duitsland,waaruit blijkt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen een recht van de (beweerde) biologische vader op omgang met het kind en, anderzijds, een recht van de biologische vader om het vaderschap op te eisen en het wettelijk vaderschap van de echtgenoot van de moeder te betwisten. Dat onderscheid kwam in alinea 3.8 al ter sprake bij de behandeling van middelonderdeel I.
What’s App-berichtjes van de moeder en ander bewijsmateriaal onderbouwd) om in aanmerking te komen voor een recht op omgang met de minderjarige: zo al niet op grond van
family life, dan op grond van zijn recht op bescherming van zijn ‘
private life’. Voor zover verweerders zijn stellingen bestrijden, stelt de man bewijsstukken in het geding te hebben gebracht waaruit minst genomen volgt dat niet kan worden uitgesloten dat hij de biologische vader is. In hoger beroep heeft de man aangeboden zo nodig aanvullend bewijs te leveren. [74]
intended family life’en/of ‘
private life’.
verweerschriftin cassatie is hiertegen ingebracht dat de man geen belang heeft bij deze klacht omdat – zelfs indien uit het gevraagde DNA-onderzoek zou blijken dat hij de biologische vader is – hij daarnaast de voor
family lifebenodigde
bijkomende omstandighedenhad moeten stellen. [75] Volgens verweerders blijkt uit de door de man gestelde feiten niet van een band tussen de man en de minderjarige: noch in de periode vóór, noch in de periode ná de geboorte. Volgens verweerders was de man met een andere vrouw gehuwd ten tijde van de (door hem beweerde) verwekking en was hij blijkens zijn uitlatingen niet van plan met de moeder en het kind een gezin te stichten: haar zwangerschap was voor hem een verrassing. Van
(intended) family lifemet de minderjarige is daarom geen sprake.
intended family life. Daarvan uitgaande is echter rechtens onjuist dat, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom, het hof tot zijn beslissing kwam dat de stellingen van de man, in combinatie met het overgelegde bewijsmateriaal en eventueel versterkt met het aangeboden aanvullend bewijs of het door de man verzochte DNA-onderzoek, onvoldoende zijn om
(intended) family lifeals bedoeld in art. 8 lid 1 EVRM Pro aan te nemen. De door het hof genoemde omstandigheid dat de man de minderjarige nooit heeft gezien, noch feitelijk heeft deelgenomen aan een leven in gezinsverband met dit kind, kan volgens de jurisprudentie niet aan de man worden toegerekend indien − zoals hij had gesteld − de moeder en haar echtgenoot het contact tussen de man en de minderjarige hebben verhinderd. De rechtsklacht hetzij de motiveringsklacht onder (c) acht ik daarom gegrond.
(intended) family lifete kunnen spreken, maar van oordeel is dat die gestelde feiten niet zijn komen vaststaan, is onbegrijpelijk waarom het hof zonder nadere motivering de man niet heeft toegelaten tot levering van het door hem aangeboden bewijs. In het voetspoor van de klacht onder (c) slaagt daarom ook de klacht onder (a).
private lifewanneer hij een omgangsregeling verzoekt. In dit geding staat buiten kijf dat de man in appel een beroep heeft gedaan op eerbiediging van zijn
private lifeonder art. 8 EVRM Pro. [77] In de zaken
Anayo/Duitsland(rov. 62) en
Schneider/Duitsland(rov. 90) kon de beslissing van het EHRM worden verklaard doordat het biologisch vaderschap vaststond respectievelijk veronderstellenderwijs werd aangenomen. In dat geval kan volgens het EHRM betrekkelijk snel worden aangenomen dat “
a right to access to his children, even if they fell short of family life, concerned an important part of the applicant’s identity”. Indien het biologisch vaderschap van de man
nietvaststaat, zal iets méér moeten worden gesteld en aannemelijk moeten worden gemaakt om de rechter een verbinding te kunnen laten leggen tussen het
private lifevan de man en de verlangde omgangsregeling. Kan de verzoeker zich niet beroepen op bestaand
family lifeof op een door hem en de moeder beoogd, maar − door niet aan hem toe te rekenen omstandigheden − in de kiem gesmoord
(intended) family life, wat onderscheidt hem dan nog van een willekeurige passant?
private life. Om die reden ben ik van mening dat ook de klacht onder (b) slaagt.
intended) family lifeen zijn
private life. De man herhaalt hetgeen hij in onderdeel II heeft aangevoerd. Uit de bestreden overweging kan niet worden afgeleid dat het hof de (uit art. 8 lid 2 EVRM Pro voortvloeiende) afweging heeft gemaakt of deze inmenging in de uitoefening van deze rechten van de man noodzakelijk is in een democratische samenleving.
de niet met het gezag belaste ouderop de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter een regeling ter zake vaststellen. Het hof heeft vastgesteld dat de man voor de wet geen ‘ouder’ van de minderjarige is.
family lifeinhoudt, jegens de met het gezag belaste ouder(s) recht heeft op informatie over het kind. De Hoge Raad overwoog dat geen grond bestaat om verschil te maken tussen een verzoek van de natuurlijke vader tot vaststelling van een omgangsregeling en een verzoek tot het opleggen van een informatieplicht. Uit de hiervóór besproken uitspraken van het EHRM in
Anayo/Duitsland(rov. 62), S
chneider/Duitsland(rov. 90) en
Fröhlich/Duitsland(rov. 57) maak ik op dat ook het informatieverzoek van een (beweerde) biologische vader onder het toepassingsbereik van
private lifein art. 8 EVRM Pro kan vallen. [78]