ECLI:NL:PHR:2022:942

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 oktober 2022
Publicatiedatum
13 oktober 2022
Zaaknummer
20/04336
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420ter SrArt. 420bis SrArt. 225 SrArt. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring gewoontewitwassen en medeplegen valsheid in geschrift

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens gewoontewitwassen en medeplegen van valsheid in geschrift. Het hof stelde vast dat zij tussen 2005 en 2012 herhaaldelijk geldbedragen van in totaal €107.050,- contant had gestort en een woning gebruikte waarvan zij wist dat deze uit misdrijf afkomstig was.

De verdediging voerde in cassatie aan dat het hof onterecht van gewoontewitwassen sprak, omdat de gedragingen te weinig frequent en te verschillend waren om een gewoonte aan te nemen. Daarnaast werd betoogd dat het gebruik van de woning geen witwashandeling was, omdat het geen profijttrekking inhield. Ook werd geklaagd over onvoldoende motivering van het medeplegen van valsheid in geschrift.

De procureur-generaal stelde dat het hof terecht aansluiting zocht bij de wetsgeschiedenis en jurisprudentie over het begrip gewoonte, waarbij niet vereist is dat de verdachte telkens de neiging had het misdrijf te plegen, maar dat een pluraliteit van feiten onderling verband moet vertonen. Het hof had voldoende feiten vastgesteld om gewoontewitwassen aan te nemen. Het gebruik van een luxueuze woning, mede door derden, werd als profijttrekking aangemerkt. Ten aanzien van valsheid in geschrift was de medepleging voldoende gemotiveerd door de nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten.

De Hoge Raad vond geen reden tot vernietiging en verwierp het cassatieberoep. Daarmee bleef het hofarrest in stand, met de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, taakstraf en proeftijd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hofarrest met de veroordeling voor gewoontewitwassen en medeplegen van valsheid in geschrift blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/04336
Zitting18 oktober 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 10 december 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. "van het plegen van witwassen een gewoonte maken en medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken” en 2. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/04312, 20/04238, 20/04094, 20/04123, 20/04124, 20/04104, 20/04269, 20/04084, 20/04314 en 20/04267. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en G.G.J.A. Knoops, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

4.Het eerste middel

4.1
Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat sprake is van “gewoontewitwassen” als bedoeld in art. 420ter, eerste lid, Sr blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.
4.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 3 april 2012 in Nederland telkens
alleen: voor zover het betreft de gedragingen onder a
en
tezamen en in vereniging met een ander of anderen: voor zover het betreft de gedragingen
onder c,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt door van voorwerpen de herkomst te verhullen en door voorwerpen te verwerven, voorhanden te hebben en/of over te dragen en/of om te zetten en/of van dat/die voorwerpen gebruik te maken, immers heeft zij, verdachte,
a. in de periode van 1 januari 2005 tot en met 3 april 2012 hierna te noemen geldbedragen, tot een totaal bedrag van € 107.050,00 in ontvangst genomen en in giraal geld omgezet door contante stortingen op bankrekeningen ten name van [verdachte] , te weten de navolgende geldbedragen:
- € 105.950,00 in totaal gestort op een rekening aangehouden bij RABOBANK;
- € 1.100,00 in totaal gestort op een rekening aangehouden bij ING BANK;
c. in de periode van 8 november 2007 tot en met 3 april 2012, in de gemeente [plaats] het gebruik genoten van hierna te noemen woning, te weten
- een woonhuis staande en gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] ,
zulks terwijl zij, verdachte wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig
waren uit enig misdrijf”
4.3
Het bestreden arrest houdt voorts, voor zover van belang, het volgende in:
“3.6 Gewoontewitwassen?
Het in artikel 420ter lid 1 Sr opgenomen delict ‘gewoontewitwassen’ is de specialis van het generalis witwas-artikel 420bis Sr. Blijkens de wetsgeschiedenis is sprake van een gewoonte bij een pluraliteit van feiten die niet slechts toevallig op elkaar volgen, maar onderling in zeker verband staan, zowel voor wat betreft de objectieve aard van de feiten als voor wat betreft de subjectieve gerichtheid van de dader, zijnde de neiging van de dader om het feit steeds weer te begaan.
Het hof acht bewezen dat verdachte, ten aanzien waarvan zich gedurende een langere periode meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Gelet op de duur en de frequentie van de witwashandelingen, is naar het oordeel van het hof sprake van gewoontewitwassen in de hiervoor bedoelde zin.”
4.4
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat in het licht van de bewezenverklaarde gedragingen, te weten het doen van een tweetal contante stortingen en het gebruiksgenot van een woning, niet begrijpelijk is hoe het hof daarop tevens een bewezenverklaring van gewoontewitwassen kan doen steunen. Daarbij wordt opgemerkt dat het hof weliswaar het in deze toepasselijke toetsingskader aanhaalt, maar volstaat met één volzin dat sprake zou zijn van gewoontewitwassen. Volgens de steller van het middel kan uit de bewijsconstructie niet het benodigde objectieve en/of subjectieve verband worden afgeleid. Voor het bestaan van een verband tussen de stortingen enerzijds en het gebruik van de woning anderzijds zouden zelfs contra-indicaties bestaan, nu het gebruik van een woning en het doen van contante stortingen wat betreft de aard van de gedragingen volstrekt verschillende handelingen betreffen, maar het bovendien in de rede ligt dat het doen van stortingen en het gebruik maken van een woning ook in subjectief oogpunt uit geheel verschillende behoeften c.q. neigingen voorkomen: het bewonen van een woning duidt immers op de behoefte om zich onderdak te verschaffen, terwijl het doen van stortingen ziet op de neiging om vermogen te verplaatsen. Het moet er volgens de steller van het middel dan ook voor worden gehouden dat het hof de bewezenverklaring van gewoontewitwassen enkel heeft doen steunen op de contante stortingen en niet tevens op het gebruik van het woonhuis. In dit verband wordt betoogd dat van de stortingen zou kunnen worden gezegd dat deze qua soort handeling een gelijkenis vertonen, maar dat dat nog niet betekent dat deze stortingen ook als gewoontewitwassen kunnen worden gekwalificeerd, nu het hof geen toepassing heeft gegeven aan de toepasselijke criteria. Ook wordt betoogd dat niet is voldaan aan het vereiste van pluraliteit, nu daarvan slechts sprake kan zijn bij een hoeveelheid groter dan twee, terwijl uit de twee stortingen ook geen neiging om het feit “steeds” weer te begaan kan worden afgeleid. Het uit genoemde gedragingen construeren van een gewoonte zou gelet op de lage frequentie in een periode die zich uitstrekt over ruim 7 jaren eveneens getuigen van een onjuiste uitleg van het begrip “gewoontewitwassen” als bedoeld in art. 420ter Sr.
4.5
Blijkens het bestreden arrest heeft het hof voor de vraag of in het onderhavige geval sprake is van gewoontewitwassen als bedoeld in art. 420ter lid 1 Sr aansluiting gezocht bij de beoordelingsmaatstaf die in de wetsgeschiedenis van art. 420ter Sr wordt genoemd.
4.6
Art. 420ter Sr is ingevoerd bij Wet van 6 december 2001 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven (Stb. 2001/606) en in werking getreden op 14 december 2001. Over de betekenis van het “gewoonte maken van witwassen” houden de Handelingen, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Vervolgens maak ik een opmerking over de term ’’gewoonte maken van witwassen’’. Dat lijkt mij geen juridische term. Ik zou dan ook liever spreken over ’’het stelselmatig gebruikmaken van witwassen’’, tenzij de minister iets anders bedoelt dan dit impliceert. Ik hoor graag of de minister aan deze term een breder juridisch gevolg geeft, dan uit de letterlijke betekenis blijkt.
(…)
Wat betekent ’’gewoonte maken van witwassen’’? Dit is een vaste terminologie in het Wetboek van Strafrecht. Het betekent een herhaling van feiten, waaruit de subjectieve neiging van de dader blijkt om dit feit steeds weer te begaan. Denk bijvoorbeeld aan de houder van een wisselkantoor, die regelmatig witwast.” [1]
4.7
De nota naar aanleiding van het verslag [2] , houdt voorts, voor zover van belang, de volgende reactie van de Minister in:
“Deze leden vragen tot slot wanneer er volgens de regering sprake is van een gewoonte met betrekking tot het plegen van witwassen. Hoeveel keer is een gewoonte? Onder «gewoonte» pleegt de rechtspraak te verstaan: een pluraliteit van feiten die niet slechts toevallig op elkaar volgen, maar onderling in zeker verband staan, zowel wat betreft de (objectieve) aard van de feiten als wat betreft de (subjectieve) gerichtheid van de dader: de neiging van de dader om het feit steeds weer te begaan (vgl. de standaard-interpretatie van het begrip «gewoonte», gegeven in aantekening 11 op artikel 250 van Pro het Wetboek van Strafrecht, in T. J. Noyon, G. E. Langemeijer en J. Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, supplement 91, p. 773). Hoe vaak een feit moet worden begaan om van een gewoonte te kunnen spreken valt niet precies te zeggen, zij het dat dit meer dan eenmaal moet zijn. Doorslaggevend is echter dat uit de opeenvolging van feiten het genoemde verband kan worden afgeleid.”
4.8
Dat het hof in het bestreden arrest aansluiting zoekt bij de wetsgeschiedenis van art. 420ter Sr verbaast niet, omdat ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest in de jurisprudentie van de Hoge Raad nog geen toetsingsmaatstaf voor dit specifieke delict was ontwikkeld.
4.9
In zijn arrest van 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1702 heeft de Hoge Raad algemene beschouwingen gewijd aan het begrip “gewoonte” als bedoeld in art. 420ter lid 1 Sr. Genoemd arrest houdt daaromtrent het volgende in:
“3.3.2 De tenlastelegging (…) is toegesneden op artikel 420ter lid 1 Sr in verbinding met artikel 420bis lid 1 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woord “gewoonte” is gebruikt in de betekenis die dat woord heeft in artikel 420ter lid 1 Sr.
3.4.1
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. Het maken van een “gewoonte” fungeert soms als wettelijke strafverzwaringsgrond, in de vorm van een extra bestanddeel of als bijzondere strafbepaling. Of een meervoud aan gedragingen kan worden gekwalificeerd als het maken van een “gewoonte”, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarbinnen deze zich hebben afgespeeld. Daarbij geldt niet de eis dat wordt vastgesteld dat de verdachte ‘de neiging’ had om telkens weer zich schuldig te maken aan het misdrijf (vgl. HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:734), of dat die gedragingen zich met een bepaalde minimumfrequentie hebben voorgedaan.
3.4.2
Het maken van een gewoonte van het misdrijf moet worden tenlastegelegd en bewezenverklaard, wil daaraan het wettelijke strafverzwarende gevolg zijn verbonden. In de tenlastelegging komt aan de term “gewoonte” voldoende feitelijke betekenis toe (vgl. HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1770). Als wordt bewezenverklaard dat de verdachte van het plegen van het misdrijf een gewoonte heeft gemaakt, moet ook dit onderdeel van de bewezenverklaring uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid.” [3]
4.1
Anders dan de steller van het middel - die ten tijde van het indienen van de schriftuur [4] ook niet bekend kon zijn met deze rechtspraak - betoogt, behoeft dus niet te worden vastgesteld dat de verdachte ‘de neiging’ had om telkens weer zich schuldig te maken aan het misdrijf. [5] Bij een “gewoonte” moet het gaan om een meervoud van gedragingen, waarbij onder meer betekenis kan toekomen aan de aard van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarbinnen deze zijn verricht.
4.11
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van 1 januari 2005 tot en met 3 april 2012 (telkens) geldbedragen tot een totaalbedrag van € 107.050,00 in ontvangst heeft genomen en giraal heeft omgezet door contante stortingen op twee van haar eigen rekeningen. Ook heeft het hof bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van 8 november 2007 tot en met 3 april 2012 het gebruik heeft genoten van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] .
4.12
In het onderhavige geval heeft het hof derhalve, naast het genieten van het gebruik van het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] , vastgesteld dat sprake is geweest van stortingen van in totaal een aanzienlijk bedrag. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het om een pluraliteit van stortingen gaat. [6] Dat de verdachte in dit geval een “gewoonte” heeft gemaakt van het plegen van witwassen geeft mijns inziens niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. [7]
4.13
Het middel faalt.

5.Het tweede middel

5.1
Het middel klaagt over de verwerping door het hof van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat enkel sprake was van het bewonen van een woning door de verdachte, hetgeen niet als witwashandeling in de zin van art. 420bis, tweede lid, Sr kan worden aangemerkt.
5.2
Blijkens de door de raadsman ter terechtzitting van 11 juni 2020 aan het hof overgelegde pleitnota is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd:
“123. De verdediging zou ook nog graag kort stil staan bij het door de rechtbank bewezen geachte 'gebruik’ van de bij vermeende witwassen betrokken panden. Naast hetgeen hierboven primair en subsidiair is aangevoerd, kan dit oordeel van de rechtbank ook geen stand houden omdat het wonen in een woning niet kan worden gekwalificeerd als 'gebruik maken van' zoals bedoeld in de witwasbepalingen.
124. Immers, de memorie van toelichting stelt het volgende:
"Bij «gebruik maken» gaat het om het op een of andere wijze aanwenden van het betrokken voorwerp ten behoeve van de witwasser zelf of ten behoeve van derden. Het heeft een element van profijttrekking in zich. Een voor de hand liggend voorbeeld is het op reguliere wijze - zij het met crimineel geld - bij een normaal, bonafide bedrijf kopen van dure auto's. Men kan echter ook denken aan het gebruik van met crimineel geld gefinancierd onroerend goed voor een (schijn)onderneming, teneinde dat onroerend goed de schijn van legaliteit te geven.”
125. Kortom, voor de bewezenverklaring van 'gebruik maken’ is het vereist dat er een element van profijttrekking aanwezig is. In zijn noot bij de uitspraak van de Hoge Raad van 26 oktober 2010, stelt Keijzer dan ook het volgende met betrekking tot 'gebruik maken' in de zin van het bewonen van een huis:
“Ook al is in casu de oplichting kennelijk gepleegd met het oog op het bewonen van een huis, inherent aan de oplichting is het bewonen niet. Levert dat bewonen 'gebruik maken' op als bedoeld in art. 420bis eerste lid onder b Sr? (...)
Door het betrekken van de woning heeft I. echter geen extravagantie begaan, noch heeft hij geïnvesteerd in nieuwe misdaad. (...)
Een eenvoudig dak boven het hoofd behoort m.i. tot de hier te lande wezenlijke levensbehoeften. Op deze gronden zou ik willen verdedigen dat art. 420bis eerste lid onder b Sr niet op zodanig gebruik maken ziet als zich in dit geval heeft voorgedaan, zodat ook het ten laste gelegde gebruik maken niet bewezen althans niet strafbaar was.”
126. Geconcludeerd dient te worden dat nu ten aanzien van [verdachte] en het 'gebruik maken’ van de panden, niet kan worden gesteld dat een dergelijk element van profijttrekking aanwezig is, in die zin dat het 'gebruik maken van' een witwasgedraging oplevert. Het oordeel van de rechtbank berust dan ook op een onjuist interpretatie van het recht.”
5.3
Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“3.7 Gebruik panden (witwassen, tenlastegelegd bij alle verdachten)
(…)
Voor zover de betreffende verdachte in de woning heeft verbleven, is aangevoerd dat het gebruik van een woning geen witwassen kan opleveren, nu er geen sprake is van profijttrekking maar van een eerste levensbehoefte. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Wil sprake zijn van ‘gebruik maken’ als bedoeld in artikel 420bis eerste lid onder b Sr, dan zal dat ‘gebruik maken’ een element van profijttrekking in zich moeten hebben. Een voor de hand liggend voorbeeld is het met crimineel geld kopen van dure auto’s en onroerend goed voor een (schijn)onderneming, teneinde dat onroerende goed de schijn van legaliteit te geven (Kamerstukken II 1999/2000, 27159, 3, p. 15). In beginsel kan worden gesteld dat door het betrekken van een woning geen extravagantie is begaan noch hebben de verdachten daarmee geïnvesteerd in een nieuwe misdaad. Een eenvoudig dak boven het hoofd bieden kan in dat geval behoren tot de hier te lande wezenlijke levensbehoeften (vgl. de noot van N. Keijzer punt 5 ‘Gebruik maken’ bij Hoge Raad 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655). Echter, het hof heeft uit openbare bronnen vernomen dat de tenlastegelegde panden vrijwel allemaal luxueuze woningen betreffen. Van een dergelijk ‘eenvoudig dak boven het hoofd bieden’ is in casu voor wat betreft alle tenlastegelegde panden daarom geen sprake. Het hof verwerpt dit verweer.
Het hof is van oordeel dat voornoemd gebruik van de betreffende panden ‘gebruik’ in de zin van artikel 420bis Sr oplevert.”
5.4
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat ’s hofs motivering onbegrijpelijk is, nu het hof veronderstelt dat het een feit van algemene bekendheid is dat de onderhavige woning een luxueuze woning betreft, terwijl dit niet ter terechtzitting aan de orde is geweest. Volgens de steller van het middel vervult deze waarneming van het hof een sleutelrol in de bewezenverklaring van het witwassen van de woning. De onmogelijkheid van de verdediging om zich hierover uit te laten zou strijdig zijn met art. 6 EVRM Pro. Ook wordt betoogd dat de conclusie die het hof aan zijn waarneming verbindt op geen enkele wijze kan volgen uit de genoemde openbare bronnen. Uit het uiterlijk van het pand zou de luxe daarvan niet kunnen worden afgeleid. De mate van luxe van een woning zou afhangen van een veelheid aan factoren en niet enkel de grootte of schoonheid van (het bovenaanzicht van) de woning. Het hof noemt deze factoren niet. Bovendien zou het hof hebben vastgesteld dat er vele personen in de woningen woonachtig waren hetgeen de gestelde luxe van het woongenot in ernstige mate zou relativeren, terwijl het hof niet vaststelt onder welke precieze woonomstandigheden de verdachte binnen de betreffende woning verbleef. Het hof zou volgens de steller van het middel dan ook van de onjuiste premisse zijn uitgegaan dat de verdachte het woongenot heeft van een luxueuze woning. Tot slot wordt opgemerkt dat niets bekend is over de innerlijke staat van de panden en niet bekend is op welke “openbare bronnen” het hof het oog heeft gehad. De verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt zou daarom ontoereikend zijn.
5.5
Anders dan de steller van het middel, meen ik dat in de overwegingen van het hof niet de premisse besloten ligt dat de verdachte het uitsluitende woongenot heeft gehad van een luxueuze woning. Ik begrijp de overwegingen van het hof zo dat het hof duidelijk heeft willen maken dat, nu het - op basis van raadpleging van openbare bronnen - om een luxueuze woning gaat, het element van profijttrekking mede daarin gelegen is dat ook derden de woning konden gebruiken. In de door het hof aangehaalde wetsgeschiedenis wordt het gebruik ten behoeve van derden ook onder “gebruik maken” geschaard. [8] In dat verband merk ik op dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte het gebruik had van het pand, maar dat ook is vastgesteld dat op 29 november 2011 medeverdachte [medeverdachte 1] en 9 andere familieleden op de [a-straat 1] stonden ingeschreven. Dat met betrekking tot dit pand niet ook is vastgesteld dat deze derden de verdachte voor het gebruik betaalden, doet daar mijns inziens niet aan af. [9] Voorts merk ik op dat het hof, nu het pand als luxueus wordt omschreven, wat betreft de openbare bronnen vermoedelijk het oog heeft gehad op “Google streetview”. Raadpleging van die bron laat een grote vrijstaande woning, bij de entree voorzien van (quasi) Griekse zuilen, zien. De daaraan verbonden conclusie dat het gaat om een luxueuze woning acht ik voorts niet onbegrijpelijk.
5.6
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

6.Het derde middel

6.1
Het middel klaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde "medeplegen" ontoereikend is gemotiveerd.
6.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“zij op tijdstippen in de periode van 10 januari 2011 tot en met 3 april 2012 in Nederland en/of in Zweden tezamen en in vereniging met anderen telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) in strijd met de waarheid navolgende geschriften opgemaakt en/of doen opmaken:
- een geschrift in de Zweedse taal, gedateerd 12-11-2003, inhoudende dat [verdachte] , de Roma gemeenschap en [A] partijen zijn die zijn overeengekomen:
• dat [A] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden zijn overeengekomen dat de opbrengst van de verkoop van [b-straat 1] te [plaats] ter waarde van € 413.280,00 een renteloze lening moet zijn aan [verdachte] ;
• dat de lening betreft de aankoop van pand aan de [a-straat 1] te [plaats] ;
• dat het pand zal worden beheerd en onderhouden door [A] ;
• dat [verdachte] verplicht is Roma die behoefte aan een woning hebben, toe te laten in het pand te wonen;
• dat [verdachte] verplicht is bij verkoop van het pand zonder andere aankoop de opbrengst over te laten aan [A] ;
Ondertekening te [plaats] op 12 november 2003 door [betrokkene 1] en [verdachte] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 7-8-2007, inhoudende dat [B ] , [verdachte] en de Roma gemeenschap zijn overeengekomen:
• dat [A] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden zijn overeengekomen geld in te zamelen en een renteloze lening toe te kennen van € 65.000,00 aan [verdachte] ;
• de lening betreft de aanbouw van het pand [a-straat 1] te [plaats] ;
• [verdachte] verplicht is om de huidige overeenkomst met eerdere overeenkomsten inzake leningen samen te brengen en zich te houden aan alle verplichtingen en afspraken uit de overeenkomst van 12 november 2003.
Ondertekening te [plaats] op 7 augustus 2007 door [betrokkene 1] en [verdachte] ;
zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door
anderen te doen gebruiken”
6.3
Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“3.5.4.3 Met betrekking tot feit 2: valsheid in geschrift d.d. 12 november 2003 (de aankoop van de [a-straat 1] ) (tenlastegelegd bij [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [verdachte] )
Het hof stelt vast dat in de overeenkomst van 12 november 2003, die tussen [verdachte] , de Romagemeenschap en de vereniging [A] zou zijn gesloten, is opgenomen dat de opbrengst van de verkoop van het pand [b-straat 1] ad € 413.280,00 in de vorm van een renteloze lening aan [verdachte] ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van de aankoop van het pand [a-straat 1] . In de aanhef is bij de naam van de vereniging het organisatie- [nummer] vermeld. De overeenkomst is ondertekend met de namen [betrokkene 1] en [verdachte] . [verdachte] heeft ook verklaard dat zij de overeenkomst heeft getekend. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [betrokkene 1] op papier zet hetgeen de familie vraagt, als bewijs voor de [naam] .
Uit onderzoek aan de (werk)computer van [betrokkene 1] , voorzitter van de vereniging, is evenwel gebleken dat deze overeenkomst pas op 10 januari 2011, derhalve ruim zeven jaar later, is opgemaakt. [betrokkene 1] heeft verklaard dat de vereniging niets van doen heeft met de leningen, dat de vereniging slechts de verklaringen heeft opgesteld en dat hij de overeenkomst van 12 november 2003 op verzoek van [verdachte] heeft opgesteld. Verder is uit onderzoek naar de vereniging gebleken dat voornoemd registratienummer eerst op 28 mei 2004 is verstrekt. Het hof is op grond van al het voorgaande van oordeel dat sprake is van een valselijk opgemaakte overeenkomst.
3.5.4.4 Verweren valsheid in geschrift
Door de verdediging is aangevoerd dat het enkel antedateren van de stukken nog geen valsheid oplevert in de zin van artikel 225 Sr Pro. Dit verweer moet worden verworpen, reeds omdat met het antedateren een onjuiste voorstelling van zaken wordt gepresenteerd, zeker indien dat antedateren ziet op een datum van ruim zeven jaar eerder. Dat dit antedateren zou zijn geschied op verzoek van de Belastingdienst, in die zin dat de verdachten de Belastingdienst verkeerd hebben begrepen, acht het hof ongeloofwaardig: het verzoek dan wel advies zoveel mogelijk alsnog schriftelijk vast te leggen van hetgeen in het verleden zou hebben plaatsgevonden, noodzaakt immers geenszins tot antedateren.
Voor [verdachte] moet zonder meer duidelijk zijn geweest dat het stuk, gelet op de datering ervan, in strijd met de waarheid was. In dit verband wijst het hof ook op voornoemde verklaring van [betrokkene 1] , dat hij het stuk op verzoek van [verdachte] heeft opgesteld. Gelet op de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij de totstandkoming van dit stuk is sprake van medeplegen. Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij ieders rol van voldoende gewicht was.
3.5.4.5 Rol [medeverdachte 3]
Het hof verwijst allereerst naar hetgeen hierboven ten aanzien van de rol van [medeverdachte 3] is overwogen. Het hof overweegt ter aanvulling daarop nog als volgt. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij van de Hollandse Roma het meest contact heeft met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en dat zij hem soms kwamen opzoeken in [plaats] , Zweden. Voor het opmaken van deze overeenkomst was [verdachte] samen met [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] bij hem op bezoek in Zweden. In het begin was [medeverdachte 2] de initiatiefnemer en daarna kwam [medeverdachte 3] met het verzoek verklaringen van leningen te krijgen, opgesteld door [betrokkene 1] en [B ] . De verklaringen van leningen werden ter plekke ondertekend, op zijn kantoor. Het gaat om zeker acht tot tien verklaringen van leningen. Zoals hiervoor reeds is overwogen blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] dat [medeverdachte 3] als de boekhouder van de familie wordt aangemerkt die weet hoe alles gaat binnen de familie en één van de personen is die de beslissingen neemt binnen de familie. Op grond van die verklaringen en de verklaring van [betrokkene 1] is het hof van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het valselijk opmaken van de overeenkomst van 12 november 2003. Het hof vindt voor dit oordeel bevestiging in het feit dat de opdracht tot vertaling van - onder meer - deze overeenkomst van het Zweeds haar het Nederlands door [medeverdachte 3] is verstrekt en ook aan hem is gefactureerd. Deze vertaling is cruciaal voor het beoogd gebruik in de richting van de (Nederlandse) Belastingdienst. Het hof acht daarom bewezen dat [medeverdachte 3] dit onderdeel mede heeft gepleegd.
3.5.4.6 Conclusie valsheid in geschrift d.d. 12 november 2003
Het hof acht dit onderdeel van de tenlastelegging derhalve ten aanzien van [verdachte] en [medeverdachte 3] bewezen. De overige verdachten dienen, bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs van hun betrokkenheid ter zake, van dit onderdeel te worden vrijgesproken.
3.5.4.7 Met betrekking tot feit 2: valsheid in geschrift d.d. 7 augustus 2007 (de aanbouw van
de [a-straat 1] ) (tenlastegelegd bij [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en [verdachte] )
Het hof overweegt omtrent de aanbouw aan het pand aan de [a-straat ] te ’ [plaats] als volgt.
Door de verdediging wordt gesteld dat de verbouwing van dit pand is gefinancierd door middel van een lening van [betrokkene 2] d.d. 1 augustus 2007 ad € 24.091,00 en een door [B ] aan [verdachte] ter beschikking gestelde schadevergoeding d.d. 20 februari 2006 ad € 40.909,00 van [C] .
Het hof stelt vast dat aan [verdachte] op 17 januari 2007 een bouwvergunning is verleend voor het vergroten van de woning aan de [a-straat 1] . Op de aanvraag is een bedrag van € 122.000,00 opgenomen aan geschatte bouwkosten. Uit onderzoek is gebleken dat met de aanschaf van de daarvoor benodigde bouwmaterialen minimaal een bedrag van afgerond € 29.418,00 is gemoeid. Van [verdachte] was geen inkomen bekend.
In de aangetroffen overeenkomst d.d. 7 augustus 2007 is vermeld dat de verbouwing van dit pand is gefinancierd door middel van een renteloze lening van de Zweedse Romavereniging [B ] ( [B ] ) d.d. 7 augustus 2007 ad € 65.000,00.
[betrokkene 1] heeft met betrekking tot voornoemde overeenkomsten van 7 augustus 2007 en 20 februari 2006 verklaard dat de vereniging niets van doen heeft met de leningen en dat hij de overeenkomsten op verzoek van [verdachte] heeft opgesteld. Ook de verklaring van [betrokkene 2] heeft hij opgemaakt; hij weet verder niet hoe [betrokkene 2] het geld heeft ingezameld. [betrokkene 2] verklaart dat zij een keer in opdracht van de familie [verdachte] geld in ontvangst te hebben genomen van verschillende, haar onbekende Roma uit Zweden en uit andere landen in Europa, welk geld was ingezameld voor de aanbouw van een pand in Nederland dat in eigendom toebehoorde aan [verdachte] . Hoe dit geld is ingezameld weet ze niet, evenmin als de namen van de mensen die het geld aan haar overhandigden. Voor zover zij zich kan herinneren is de inzameling in euro’s geschied, maar het zou ook om kleinere bedragen in Zweedse valuta kunnen gaan. In haar verhoor bij de rechter-commissaris verklaart zij later dat het om zowel euro’s als Zweedse Kronen ging.
Ze werd in Zweden bezocht door twee mannen van de familie [verdachte] die het geld kwamen ophalen; een van hen heette [betrokkene 3] , de naam van de andere man herinnert ze zich niet. Zij zou de verklaring zelf hebben opgesteld en hebben ondertekend in het bijzijn van die twee mannen van de familie [verdachte] die op 1 augustus 2007 het geld in haar woning ophaalden.
Het hof is van oordeel dat de verklaring van [betrokkene 2] op dit punt als ongeloofwaardig terzijde dient te worden geschoven. Afgezien van het feit dat haar verklaring als weinig concreet kan worden aangemerkt- zo is onbekend c.q. onduidelijk hoe het bedrag is ingezameld, door wie precies en in welke valuta - blijkt uit onderzoek dat haar verklaring niet op 1 augustus 2007 kan zijn opgemaakt en ondertekend: uit digitaal onderzoek aan de Werkcomputer van [betrokkene 1] is immers gebleken dat het document eerst is opgemaakt op 2 februari 2012. Ook de overeenkomsten van 7 augustus 2007 en 20 februari 2006 zijn van een latere datum, te weten 10 januari 2011 respectievelijk 25 januari 2012.
Uit het voorgaande volgt dat de verklaringen omtrent de gestelde herkomst geen enkele bevestiging vinden in door het Openbaar Ministerie nader verrichte onderzoek. Dit gegeven, in samenhang bezien met de hiervoor met betrekking tot het vermoeden vermelde feiten en omstandigheden, brengt het hof tot het oordeel dat de gestelde herkomst als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven en dat mitsdien met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden heeft te gelden.
Ten aanzien van [verdachte] is naar het oordeel van het hof sprake van opzet. [verdachte] laat zonder te beschikken over financiële middelen - van [verdachte] is immers geen inkomen bekend – een verbouwing uitvoeren waarmee een bedrag van ruim € 100.000,00 is gemoeid. Het onder die omstandigheden kennelijk zonder nadere plichtplegingen aanvaarden van geldbedragen levert opzet op de criminele herkomst op. [verdachte] moet gezien ook de door haar ondertekende, hierna als valselijk opgemaakt aan te merken overeenkomst d.d. 7 augustus 2007 betreffende de verbouwing van de [a-straat 1] , op de hoogte zijn geweest van de criminele herkomst van de gelden.
Ook ten aanzien van [medeverdachte 3] is het hof van oordeel dat sprake is van medeplegen, gelet op zijn intellectuele rol bij het plegen van de feiten. Het hof verwijst daarbij naar hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de rol van [medeverdachte 3] . In aanvulling daarop overweegt het hof het volgende. [medeverdachte 3] heeft de meeste opdrachten tot vertaling van de overeenkomsten aan Vertaalbureau [D] gegeven, waaronder de vertaling Zweeds - Nederlands van de hierna te noemen valselijk opgemaakte overeenkomst van 7 augustus 2007. Deze vertaling is cruciaal voor het beoogd gebruik in de richting van de (Nederlandse) Belastingdienst. Getuige [betrokkene 4] , directeur van het vertaalbureau, heeft verklaard dat hij hoofdzakelijk contact had met [medeverdachte 3] . [betrokkene 1] heeft – zoals hiervoor reeds is weergegeven - ook verklaard dat hij van de Hollandse Roma het meest contact heeft met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en dat zij hem soms kwamen opzoeken in [plaats] , Zweden. Voor het opmaken van deze overeenkomst was [verdachte] samen met [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] bij hem op bezoek in Zweden.
Gelet op de verklaringen van getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] en de verklaringen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] - zoals hiervoor reeds weergegeven - waaruit blijkt dat [medeverdachte 3] de boekhouder van de familie is die weet hoe alles gaat binnen de familie en dat hij één van de personen is die de beslissingen neemt binnen de familie, is het hof van oordeel dat ook [medeverdachte 3] een zodanig significante bijdrage heeft geleverd aan het verhullen van de herkomst van de financiering van het pand dat gesproken kan worden van een - daarop gerichte - nauwe en bewuste samenwerking.
Vanwege het feit dat [verdachte] op bovenvermelde wijze heeft samengewerkt met [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [medeverdachte 3] , is het hof van oordeel dat van een nauwe en bewuste samenwerking kan worden gesproken, waarbij ieders rol van voldoende gewicht was.
Omtrent de valsheid in geschrift overweegt het hof voorts het volgende.
Het hof stelt vast dat in de overeenkomst van 7 augustus 2007, die tussen [verdachte] , de Romagemeenschap en de [B ] zou zijn gesloten, is opgenomen dat [B ] en de Romagemeenschap zijn overeengekomen geld in te zamelen en een renteloze lening van € 65.000,00 toe te kennen aan [verdachte] ten behoeve van de aanbouw van het pand [a-straat 1] . De overeenkomst is ondertekend met de namen [betrokkene 1] en [verdachte] . [verdachte] heeft verklaard dat het haar handtekening is die onder de overeenkomst staat. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [betrokkene 1] op papier zet hetgeen de familie vraagt, als bewijs voor de [naam] . Voorts neemt het hof daarbij in aanmerking dat beide documenten van 12 november 2003 en 7 augustus 2007 zijn aangemaakt op de computer van [betrokkene 1] op 10 november 2011 respectievelijk om 11.10 uur en 14.08 uur.
Nu, zoals hiervoor is overwogen, de gestelde herkomst als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven, dient de op die herkomst voortbouwende overeenkomst reeds om die reden te worden aangemerkt als valselijk opgemaakt. Dit vindt ook bevestiging in de hiervoor al gerelateerde bevindingen naar aanleiding van het onderzoek naar de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen computerbestanden. Het hof verwijst ook naar de eerder aangehaalde verklaring van [betrokkene 1] inhoudende dat er door de [B ] niet daadwerkelijk geld werd uitgeleend en dat hij nooit geld heeft gezien.
3.5.4.8 Verweren valsheid in geschrift
Door de verdediging is aangevoerd dat het enkel antedateren van de stukken nog geen valsheid oplevert in de zin van artikel 225 Sr Pro. Dit verweer moet worden verworpen, reeds omdat met het antedateren een onjuiste voorstelling van zaken wordt gepresenteerd, zeker indien dit antedateren ziet op een datum van bijna drie en een half jaar eerder. Bovendien ligt aan het verweer de premisse ten grondslag dat de stukken waar het om gaat voor het overige wél op waarheid berusten. Hiervoor is reeds overwogen dat de stukken ook overigens in strijd zijn met de waarheid.
Het verweer dat [verdachte] niet zou hebben geweten dat het door haar ondertekende stuk op onwaarheid berustte wordt door het hof verworpen, reeds nu ook voor haar in ieder geval duidelijk moest zijn dat het stuk, gelet op de datering ervan, in strijd met de waarheid was.
Bovendien kan het niet anders zijn dan dat zij, gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot haar betrokkenheid bij het witwassen, ook heeft geweten dat met het door haar ondertekende stuk ook overigens een onjuiste voorstelling van zaken werd gegeven. Gelet op de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij de totstandkoming van dit stuk is sprake van medeplegen.
3.5.4.9 Rol [medeverdachte 3]
Het hof verwijst allereerst naar hetgeen hierboven ten aanzien van de rol van [medeverdachte 3] is overwogen. Het hof overweegt ter aanvulling daarop nog als volgt. [betrokkene 1] heeft verklaard dat de overeenkomst van 7 augustus 2007 op dezelfde wijze tot stand is gekomen als de afspraak tussen [B ] en [verdachte] d.d. 12 november 2003. Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het valselijk opmaken van de overeenkomst van 7 augustus 2007. Het hof acht daarom bewezen dat [medeverdachte 3] dit onderdeel mede heeft gepleegd.
3.5.4.10 Conclusie valsheid in geschrift d.d. 7 augustus 2007
Het hof acht dit onderdeel van de tenlastelegging derhalve ten aanzien van [verdachte] en [medeverdachte 3] bewezen. De overige verdachten dienen, bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs van hun betrokkenheid ter zake, van dit onderdeel te worden vrijgesproken.”
6.4
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof enkel heeft vastgesteld dat aan de verdachte op 17 januari 2007 een bouwvergunning is verleend voor het vergroten van de woning aan de [a-straat 1] , dat de leenovereenkomst op verzoek van de verdachte zou zijn opgesteld en de verdachte voor het opmaken van deze leenovereenkomst samen met een medeverdachte bij [betrokkene 5] in Zweden op bezoek zou zijn geweest. Volgens de steller van het middel heeft het hof uit deze omstandigheden niet kunnen afleiden dat de verdachte als medepleger is aan te merken. In dat verband wordt opgemerkt dat het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte ermee bekend was dat de betreffende verbouwing aan de [a-straat 1] plaatsvond met financiën die geen legale herkomst zouden hebben, zodat het enkel lijfelijk aanwezig zijn bij het opmaken van de betreffende overeenkomst nog geen medeplegen kan opleveren. Er zou door het hof te weinig zijn vastgesteld om van een voldoende intellectuele of materiële bijdrage van de verdachte aan het feit te kunnen spreken.
6.5
Blijkens de toelichting op het middel heeft de klacht enkel betrekking op de overeenkomst van 7 augustus 2007 (de aanbouw van de [a-straat 1] ). Tegen het oordeel van het hof dat het om een valselijk opgemaakte overeenkomst gaat wordt in cassatie niet opgekomen. Het hof heeft in reactie op het verweer van de verdediging dat de verdachte niet zou hebben geweten dat het door haar ondertekende stuk op onwaarheid berustte overwogen dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte, gelet op haar betrokkenheid bij het witwassen, ook heeft geweten dat met het door haar ondertekende stuk een onjuiste voorstelling van zaken werd gegeven. In verband met het witwassen heeft het hof vastgesteld dat de verdachte, zonder te beschikken over financiële middelen (nu van haar geen inkomsten bekend zijn), een verbouwing heeft laten uitvoeren waarmee een bedrag van ruim € 100.000,- gemoeid is. Volgens het hof is met het onder die omstandigheden kennelijk zonder nadere plichtplegingen aanvaarden van geldbedragen het opzet op de criminele herkomst van de gelden gegeven. Het op de hoogte zijn van die criminele herkomst volgt volgens het hof eveneens uit de door haar ondertekende, als valselijk aangemerkte, overeenkomst van 7 augustus 2007.
6.6
In aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft samengewerkt met [betrokkene 1] door hem te verzoeken de overeenkomst(en) op te stellen, de verdachte daartoe samen met medeverdachten [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] bij [betrokkene 5] in Zweden op bezoek is geweest en de overeenkomst door de verdachte is ondertekend, meen ik dat - tegen de achtergrond van hetgeen onder 6.5 is overwogen en hetgeen het hof in verband met de betrokkenheid van de verdachte bij de samenhangende overeenkomst van 12 november 2003 heeft vastgesteld - het oordeel van het hof dat de rol van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om als medepleger te kunnen worden aangemerkt, toereikend is gemotiveerd.
6.7
Het middel faalt.
7. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Handelingen II, 2000/01, 27159, p. 59-4236.
2.Kamerstukken II, 2000/01, 27159, nr. 5, p. 20. De gestelde vraag hield het volgende in: “Artikel 420ter bepaalt dat hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar of geldboete van de vijfde categorie. De leden van de D66-fractie vragen wanneer er volgens de regering sprake is van een gewoonte met betrekking tot het plegen van witwassen? Hoeveel keer is in dezen een gewoonte?” (Kamerstukken II, 1999/00, 27159, nr. 4, p. 10).
3.Vgl. voor een soortgelijke uitleg van het begrip “gewoonte” HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1701 (art. 2:3a, eerste lid, Wet op het financieel toezicht) en HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1199 (art. 326a Sr).
4.Op 1 oktober 2021.
5.HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:734.
6.Zie aanvulling bewijsmiddelen met dossiernummer “08427” en “082428”.
7.Vgl. HR 23 november 2021, ECLI:NL:2021:1702.
8.Kamerstukken II 1999/2000, 27159, 3, p. 15.
9.Zie in dit verband de redenering van het hof ten aanzien van het pand aan de [c-straat 1] te [plaats] (p. 113 arrest) in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 5] (20/04104):