Conclusie
Bewijsmiddelen
Het middel en de bespreking daarvan
Art. 9, tweede lid:
Art. 178, eerste lid:
NJ2019/454, m.nt. Vellinga overwogen dat voor een bewezenverklaring van het in art. 9, tweede lid, WVW 1994 bedoelde misdrijf ten eerste vereist is dat uit de bewijsvoering moet blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig verklaard is, en dat het desbetreffende besluit bekend is gemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (r.o. 2.4.2). [2] Als voorbeeld van gegevens waaruit kan blijken dat aan dit vereiste is voldaan, noemt de Hoge Raad een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt “dat, wanneer en op welke wijze” verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. Ten tweede moet uit de bewijsvoering volgen dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte (r.o. 2.4.3). Ten derde moet uit de bewijsvoering afgeleid kunnen worden dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde “wist dan wel redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Met name waar het gevallen betreft waarin daaromtrent niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, noch uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren, verdient de vraag of aan dit vereiste is voldaan bijzondere aandacht (r.o. 2.4.4). [3] In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief aan de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (r.o. 2.4.4). [4] Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
NJ2019/454, m.nt. Vellinga uiteenzet, heeft de wijze van de bekendmaking van de bestuursrechtelijke ongeldigverklaring van het rijbewijs consequenties voor het subjectieve bestanddeel van art. 9, tweede lid, WVW 1994, dat wil zeggen het weten of redelijkerwijze moeten weten dat het rijbewijs ongeldig is verklaard. Ook de omgekeerde situatie kan zich voordoen. Dus dat de verdachte
denktte weten (in de veronderstelling verkeert) dat zijn rijbewijs ongeldig is, terwijl in werkelijkheid de (bestuursrechtelijke) procedure, in het bijzonder de vereiste bekendmaking van het besluit tot ongeldigverklaring, niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet, waardoor de ongeldigverklaring om die reden krachteloos is. Ook dan zal vrijspraak moeten volgen, zo begrijp ik de Hoge Raad in het voormelde arrest van 9 juli 2019, nu hij daarin de bewijsbaarheid van de ongeldigverklaring, de bekendmaking daarvan en het in kracht zijn van het desbetreffende besluit als een afzonderlijk vereiste onderscheidt náást (onder meer) de bij de verdachte bestaande wetenschap van de ongeldigverklaring. Uit de enkele omstandigheid dat een verdachte verklaart dat hij weet dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, kan dan nog niet zonder meer volgen dat het rijbewijs
daadwerkelijkongeldig is verklaard.