Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte is bekendgemaakt.
ik begrijp donderdag 11 februari 2016, EH] 2016, omstreeks 16:30 uur, hoorde ik dat een collega achter een Mercedes voorzien van het kenteken [kenteken 2] over de A1 richting Almelo reed. Ik hoorde dat het een leaseauto betrof met 2 Marokkanen welke vermoedelijk drugsrunners zou betreffen. Ik nam als politiemotorrijder en als zodanig gekleed en herkenbaar positie in ter hoogte van splitsing A1/A35. Ik zag dat het voertuig mij passeerde met inderdaad 2 Marokkaans uitziende mannen erin en dat het voertuig richting Almelo reed. Ik volgde het voertuig en besloot deze middels het transparant “stop politie” een stopteken te geven bij de afslag Almelo. Ik wilde de bestuurder controleren in het kader van de Wegenverkeerswet en zijn rijbewijs controleren. Ik zag dat de bestuurder hier in beginsel geen gevolg aan gaf en de Henriette Roland Holstlaan opdraaide. Ik knipperde diverse keren met groot licht en zag de Mercedes abrupt de berm insturen en stoppen. Ik liep naar de bestuurder toe en vroeg hem naar zijn rijbewijs. Ik hoorde dat hij die niet had en dat hij zich niet kon legitimeren.
Het hof overweegt in het bijzonder nog het volgende.
De raadsman heeft gesteld dat de verklaring van verdachte, afgelegd op 11 februari 2016 ten overstaan van verbalisant [verbalisant 2], van het bewijs worden uitgesloten, omdat verdachte toen nog niet in de gelegenheid was gesteld een raadsman te consulteren. De raadsman heeft verzocht zijn cliënt vrij te spreken van het tenlastegelegde feit.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uitganspunt is dat een aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste politieverhoor het recht heeft om een advocaat te raadplegen.
NJ2019/454, m.nt. Vellinga heeft de Hoge Raad een overzicht gegeven van een drietal eisen waarvan uit de bewijsvoering moet blijken om tot een bewezenverklaring van een op art. 9, tweede lid, eerste volzin, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen. [1] De Hoge Raad overwoog in zoverre:
denktte weten dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, terwijl in werkelijkheid de bestuursrechtelijke procedure, in het bijzonder de vereiste bekendmaking van het besluit tot ongeldigverklaring, niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet, waardoor de ongeldigverklaring krachteloos is. Dan zal om
diereden vrijspraak moeten volgen, zo begrijp ik althans de Hoge Raad in het voormelde arrest van 9 juli 2019, nu hij daarin de bewijsbaarheid van de ongeldigverklaring, de bekendmaking daarvan en het in kracht zijn van het desbetreffende besluit als een afzonderlijk vereiste onderscheidt náást (onder meer) de bij de verdachte bestaande wetenschap van de ongeldigverklaring. Uit de enkele omstandigheid dat een verdachte verklaart dat hij weet dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, kan dan niet zonder meer worden afgeleid dat het rijbewijs
daadwerkelijkongeldig is verklaard en het besluit daartoe op de juiste wijze is bekendgemaakt en van kracht was na ommekomst van de zevendagen-termijn.