ECLI:NL:PHR:2022:965
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek tot horen van getuigen in zaak brandstichting en diefstal
De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens opzettelijke brandstichting en meerdere diefstallen, waaronder diefstal door braak en brandstichting. De verdediging verzocht om het horen van twee getuigen die verklaringen hadden afgelegd die mogelijk ontlastend konden zijn. Het hof wees deze verzoeken af omdat de verklaringen niet van belang waren voor de beantwoording van de bewijsvragen op grond van artikel 348 en Pro 350 Sv.
De verdediging stelde in cassatie dat het afwijzen van het horen van deze getuigen het recht op een eerlijk proces schond, verwijzend naar de post-Keskin rechtspraak van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De Hoge Raad overwoog dat de verklaringen van de betrokken getuigen niet belastend waren en ook niet ontlastend, en dat de verdediging onvoldoende belang had onderbouwd voor het horen van deze getuigen.
Daarnaast wees de Hoge Raad op het feit dat er voldoende gelegenheid was geweest om belastend getuigenbewijs te toetsen via verhoren ten overstaan van de rechter, wat wijst op een eerlijk proces. De Hoge Raad concludeerde dat de beslissing van het hof niet onbegrijpelijk was en dat het cassatieberoep faalde. Het beroep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand.