[002] (ABN-AMRO) tnv: [betrokkene 1] , [b-straat 1] Nijmegen,
[003] (ABN-AMRO) tnv: [verdachte] , [b-straat 1] Nijmegen.
Tot januari 2008 werd er ook contant geld gestort op bankrekening [004] (ABN-AMRO) tnv: [betrokkene 1] , [b-straat 1] Nijmegen.
Tussen januari 2008 en juni 2013 werd er volgens de bankafschriften van verdachte [verdachte] en [betrokkene 1] op de diverse bankrekeningen gestort:
2008 € 23.299,--
2009 € 23.640,--
2010 € 30.920,--
2011 € 23.875,--
2012
€ 28.725,--
Totaal € 130.459,--
Verder blijkt uit de diverse aangetroffen facturen/kassabonnen, dat er veel goederen werden gekocht door middel van contante betalingen, terwijl er geen (nihil) geldopnames hebben plaatsgevonden.
Uit deze facturen/kassabonnen blijkt dat er tussen januari 2008 en juni 2013 aan contante betalingen werd gedaan:
2008 € 1.979,-
2009 € 5.533,16
2010 € 7.689,14
2011 € 3.526,89
2012
€ 2.220,26
Totaal € 20.948,45
Het ging veelal om facturen/kassabonnen van:
- aankoop elektronica;
- onderhoud motorvoertuigen;
- bouwmarkten.
Uit gegevens van de belastingdienst blijkt dat verdachten [verdachte] en [betrokkene 1] in een huurwoning woonden en sinds 2008 geen looninkomsten hebben.
-
Als relaas van verbalisanten, p. 72 e.v.:
Als bijlage bij de Aanwijzing Witwassen van het College van procureurs-generaal is een lijst met zogenaamde witwastypologieën gevoegd. Het gaat hierbij om min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring leert, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven. Uit de hiervoor gerelateerde bevindingen rijst het vermoeden dat de volgende witwastypologieën van toepassing zijn:
- Beide verdachten ( [verdachte] en [betrokkene 1]) hebben sinds 1 januari 2008 geen looninkomsten of inkomsten uit uitkeringen. Wel ontving verdachte [betrokkene 1] zorg- en kindertoeslag;
- Verdachte [betrokkene 1] zou aan toeslagen en inkomsten hebben ontvangen: € 23.296,-- (periode 2008-2013);
- Beide verdachten weigerden te verklaren over de herkomst van het geld;
- In de woning van de verdachten werden op verschillende plaatsen geldbedragen van totaal € 44.758,-- in verschillende valuta aangetroffen.
2.
een proces-verbaal aanvraag machtiging leggen conservatoir beslag, voor zover inhoudende, p. 114 e.v.:
Uit de op 20 juni 2013 in beslag genomen administratieve bescheiden blijkt dat door de verdachten [verdachte] en [betrokkene 1] in november en december 2007 in totaal voor € 4.180,-- aan contant geld op de diverse bankrekeningen is gestort. Ook bleek dat er in november en december 2007 voor € 484,-- aan contant geld werd uitgegeven aan diverse veelal luxe artikelen.
3.
Als schriftelijke bescheiden, de door
[gelet op het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 februari 2017 begrijp ik: op verzoek van, D.P.]de verdediging in hoger beroep overgelegde facturen/aankoopbonnen, zoals genoemd in het proces-verbaal terechtzitting van 20 februari 2020.”
8. Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging:
“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde onder 3 wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”
9. In de aanvulling op zijn arrest heeft het hof verder de volgende bewijsoverweging opgenomen:
“De tenlastelegging onder 3, eerste gedachtestreepje, gaat uit van een totaalbedrag van € 146.239,--. Uit het dossier volgt dat dit bedrag is gebaseerd op de periode 2008 tot en met 2013. Uit het proces-verbaal aanvraag machtiging conservatoir beslag volgt dat ook in de maanden november en 2007, die vallen binnen de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode, een bedrag van € 4.180,-- contant is gestort op de eigen rekening van verdachte. De bewezenverklaarde periode loopt tot en met 31 december 2012, zodat het bedrag over het jaar 2013 in mindering moet worden gebracht.
Het hof komt op grond van na te melden bewijsmiddelen tot de volgende opsomming:
Jaar Contante storting
2007 € 4.180,--
2008 € 23.299,--
2009 € 23.640,--
2010 € 30.920,--
2011 € 23.875,--
2012 €
28.725,--
Totaal € 134.639,--.
In de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode werden ook voorwerpen gekocht en diensten betaald. Dit betrof, gelet op de aangetroffen en overgelegde facturen/kassabonnen, betalingen voor de aankoop van onder meer elektronica, het onderhoud van motorvoertuigen en de aankoop van voorwerpen bij bouwmarkten. Deze uitgaven zijn niet terug te leiden tot mutaties van de onderzochte rekeningafschriften. De tenlastelegging, onder 3, tweede gedachtestreepje, gaat uit van een totaalbedrag van € 33.657,59. Uit het dossier volgt dat dit gebaseerd is op de periode van 2008 tot en met 2013. Uit het proces-verbaal aanvraag machtiging conservatoir beslag volgt dat ook in de maanden november en december 2007, die vallen binnen de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode, dergelijke contante uitgaven zijn gedaan. De bewezenverklaarde periode loopt tot en met december 2012, zodat het bedrag over het jaar 2013 dat in het dossier wordt vermeld, in de bewezenverklaring buiten beschouwing dient te worden gelaten.
Op grond van wat hiervoor is overwogen komt het hof tot de volgende opsomming:
Jaar Aankoop/uitgaven
2007 € 484,--
2008 € 1.979,--
2009 € 5.533,16
2010 € 7.689,14
2011 € 3.526,89
2012 €
2.220,26
Totaal € 21.432,45.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn door
[ik begrijp wederom: op verzoek van, D.P.]de verdediging nieuwe facturen en kassabonnen overgelegd, op basis waarvan het hof aannemelijk heeft geacht dat ook die zijn opgemaakt vanwege door verdachte en/of zijn partner contant gedane aankopen of uitgaven. Om die reden heeft het hof niet de tenlastegelegde € 33.657,59 bewezenverklaard maar ‘een groot geldbedrag’.”
10. De tenlastelegging in de onderhavige zaak is gebaseerd op art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, Sr, dat luidt:
“1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste […] jaren of geldboete van de vijfde categorie:
[...]
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.”
11. Het hof heeft onder 3 gedragingen met betrekking tot alle in de tenlastelegging aangeduide voorwerpen bewezenverklaard, maar alleen gedragingen met betrekking tot de voorwerpen bedoeld onder het derde gedachtestreepje strafbaar geacht. Het gaat daarbij om een grote hoeveelheid voorwerpen, waaronder een auto, elektronica-artikelen en kleding, die door de verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, zijn aangekocht. Voor de overige onderdelen van de bewezenverklaring, die betrekking hebben op (contante) geldbedragen, heeft het hof de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.
12. De stellers van het middel klagen – zoals eerder al aangegeven – ten eerste dat in de bewijsmotivering, zoals blijkt uit het verkorte arrest, de bewijsoverweging en de gebezigde bewijsmiddelen, niet met voldoende nauwkeurigheid de feiten en omstandigheden zijn aangeduid en ook niet de wettige bewijsmiddelen zijn aangegeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Met betrekking tot deze klacht wordt in de schriftuur gewezen op jurisprudentie van de Hoge Raad waarin het volgende is overwogen:
“Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging:
a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en
b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.”
13. De klacht is gebaseerd op de veronderstelling dat de feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring rust niet in de wettige bewijsmiddelen zijn aangegeven. Aangevoerd wordt dat bewijsmiddel 1 daarvoor niet volstaat, dat in bewijsmiddel 2 de aangeschafte luxe goederen niet nader zijn gespecificeerd en dat in bewijsmiddel 3 in het geheel niet wordt geconcretiseerd op welke voorwerpen dit bewijsmiddel betrekking heeft.
14. Voor zover van belang voor het onder 3, derde gedachtestreepje, bewezenverklaarde, blijkt uit bewijsmiddel 1 dat op 20 juni 2013 tijdens doorzoekingen door verbalisanten diverse facturen/kassabonnen zijn aangetroffen, waaruit volgens verbalisanten blijkt dat er tussen januari 2008 en juni 2013 veel goederen zijn gekocht door middel van contante betalingen. Het ging veelal om facturen/kassabonnen van aankopen van elektronica, van onderhoud van motorvoertuigen en van aankopen bij bouwmarkten. Uit bewijsmiddel 3 blijkt dat het hof voor de bewijsvoering gebruik heeft gemaakt van de facturen/kassabonnen die zijn genoemd in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 20 februari 2020.
15. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 20 februari 2020 houdt over deze facturen/kassabonnen het volgende in:
“De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van de zaak, waaronder:
[...]
3. Een proces-verbaal van de terechtzitting van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 februari 2017.
4. Een bundel documenten en kopieën van betalingsbewijzen, waarom is verzocht door de verdediging, gevoegd achter voornoemd proces-verbaal van de terechtzitting.
[...]
Met instemming van de advocaat-generaal, verdachte en zijn raadsman worden niet alle stukken opnieuw voorgehouden.
[...]
De raadsman voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven:
[...]
Met betrekking tot feit 3 refereer ik me aan het oordeel van het hof. De aanvullende stukken waren bij de eerdere behandeling niet beschikbaar, nu wel. Cliënt beschikte over contanten die van misdrijf afkomstig waren. Dat levert een witwassituatie op. Ik meen evenwel dat het tenlastegelegde medeplegen niet bewezen kan worden verklaard.”
16. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 februari 2017 blijkt dat de verdediging destijds (opnieuw) had verzocht om stukken (waaronder bonnen en facturen) aan het dossier toe te laten voegen. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt in dat verband in:
“De raadsman verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:
Het hoger beroep richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 2 en feit 3, voor wat betreft de hoogte van het bedrag onder het eerste gedachtestreepje en het tweede gedachtestreepje in zijn geheel. Dat er sprake is van enig misdrijf staat niet ter discussie. Wel van belang is dat het bedrag bij het tweede gedachtestreepje is gebaseerd op de melding van de politie dat er bonnen en facturen zouden zijn. De Hoge Raad heeft gecasseerd omdat mijn verzoek aan het hof om opdracht te geven om die stukken aan het dossier toe te voegen was afgewezen. Na de vernietiging en terugwijzing heb ik bij brief van 30 april 2016 aan de advocaat-generaal verzocht om de stukken aan het dossier toe te voegen. Een kopie van deze brief heb ik aan het hof doen toekomen. Ik heb volgens mij geen reminder meer gestuurd. Bij mijn weten zijn de bedoelde stukken nog niet aan het dossier toegevoegd.
[...]
Het verzoek is om het dossier te completeren met de stukken waarvan melding wordt gemaakt in de bewijsmiddelen 12, 13 en 18 van de aanvulling op het arrest van het hof. […] Bij bewijsmiddel 18 gaat het om documenten die betrekking hebben op het bedrag van 33.000 euro, zoals facturen en kassabonnen. Het verzoek is om die documenten toe te voegen aan het dossier. Dat is noodzakelijk omdat controleerbaar moet zijn wat er over die stukken is gerelateerd. De behandeling van de zaak dient daarom aangehouden te worden.
[…]
Het hof trekt zich terug ter beraadslaging.
Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede – zakelijk weergegeven:
Het hof zal het verzoek van de raadsman inwilligen. Het hof is van oordeel dat de stukken genoemd in de bewijsmiddelen 12, 13 en 18 in het dossier dienen te worden gevoegd. […]”
17. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt dat het in het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 februari 2017 genoemde bewijsmiddel 18, waarvan de facturen en kassabonnen die daarin worden genoemd aan het dossier dienen te worden toegevoegd, het proces-verbaal bevat dat door het hof in het thans bestreden arrest als bewijsmiddel 1 is gebruikt. Verder blijkt dat zich bij deze stukken bevindt de aanvulling op het arrest van het hof van 25 juli 2014 in de ontnemingszaak tegen de verdachte, met aangehecht een bundel van (kopieën van) facturen en aankoopbonnen. Kennelijkgaat het hier om stukken waarvan de verdediging ter terechtzitting van 24 februari 2017 de toevoeging aan het dossier had verzocht en waarvan de verdediging ter terechtzitting van 20 februari 2020 heeft aangegeven dat zij inmiddels beschikbaar waren. Voormelde bundel bevat inderdaad (kopieën van) facturen en aankoopbonnen van een grote hoeveelheid voorwerpen, waaronder een auto, elektronica-artikelen en kleding. Uit het voorgaande blijkt aldus dat de schriftelijke bescheiden die zijn gebruikt als bewijsmiddel 3 de facturen/kassabonnen betreffen waarnaar in bewijsmiddel 1 wordt verwezen en dat met de voorwerpen bedoeld onder het derde gedachtestreepje wordt gedoeld op alle voorwerpen die blijkens de aangetroffen facturen en aankoopbonnen zijn aangeschaft, hetgeen een nadere concretisering niet nodig maakt. In bewijsmiddel 2 gaat het vervolgens om dezelfde schriftelijke bescheiden (facturen/kassabonnen) die bij de doorzoekingen zijn aangetroffen. In zoverre faalt de klacht dat de feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring rust niet in de wettige bewijsmiddelen zijn aangegeven.
18. Voor zover de stellers van het middel nog klagen dat uit de bewijsmiddelen niets blijkt met betrekking tot het bewezenverklaarde verwerven, voorhanden hebben, overdragen en/of omzetten van een motorvoertuig of van kleding, merk ik allereerst op dat de bewezenverklaarde gedragingen niet alleen verband houden met het onder 3, derde gedachtestreepje, bewezenverklaarde, maar ook met het bewezenverklaarde onder 3, eerste en tweede gedachtestreepje. Voorts geldt dat het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte met een ander de voorwerpen als bedoeld onder 3, derde gedachtestreepje, heeft verworven en voorhanden gehad, overgedragen
en/ofomgezet en dat uit de aankoop van de voorwerpen kan worden afgeleid dat de verdachte en/of zijn medeverdachte deze voorwerpen heeft/hebben verworven en voorhanden gehad. De klacht berust in zoverre dus op een verkeerde lezing van het bestreden arrest.
19. De eerste klacht faalt.
20. Ten tweede klagen de stellers van het middel dat het hof er ten onrechte geen blijk van heeft gegeven dat het aan de hand van de inhoud van facturen en kassabonnen, waarnaar in de bewijsmiddelen 1 en 2 wordt verwezen, heeft gecontroleerd of de conclusies die in die bewijsmiddelen worden getrokken overeenkomen met de gevolgtrekking die het hof daaruit trekt. Zij verwijzen daarvoor naar twee arresten van de Hoge Raad.Ik geef eerst de essentie van deze twee arresten weer, voordat ik op de klacht inga.
21. Het arrest van 26 juni 2012 betrof een zaak waarin de verdachte was veroordeeld wegens – kort gezegd – een gewoonte maken van groepsbelediging wegens ras en/of godsdienst (art. 137c, tweede lid, Sr). Een van de middelen was gericht tegen het gebruik voor het bewijs van een proces-verbaal van politie, waarin was gerelateerd dat uitlatingen waren gepubliceerd “die discriminerend zijn” en welk proces-verbaal dus een conclusie inhield. De Hoge Raad oordeelde dat het bewijsmiddel inderdaad een conclusie inhield, maar dat dit niet tot cassatie hoefde te leiden:
“3.3. Voor zover deze verklaring inhoudt dat de op de website gepubliceerde uitlatingen discriminerend zijn, berust deze niet op een eigen waarneming of ondervinding, doch bevat zij een conclusie. Zulks behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden op grond van het navolgende.