II.
Het eerste middel en de bespreking daarvan
Het middel
3. Het eerste middel keert zich met een motiveringsklacht tegen ’s hofs verwerping van een door de verdediging gevoerd verweer.
Het oordeel van het hof
4. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Het hof is van oordeel dat uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening dient te worden gehouden met een mogelijke belastingheffing daarover. Indien en voor zover voordeel wordt ontnomen, wordt een belastingheffing daarover ongedaan gemaakt. Datzelfde geldt voor het geval de belasting al geheven is. De door de raadsman aangedragen jurisprudentie ziet naar het oordeel van het hof op andere situaties en leidt daarom niet tot een ander oordeel.
Voor zover komt vast te staan dat over het vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel reeds belasting is geheven, dient dat naar het oordeel van het hof in het kader van het executietraject te worden beoordeeld.”
Het verweer van de verdediging
5. De raadsman van de betrokkene heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota d.d. 12 mei 2021, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd:
“[…] Door de verrichte betalingen is het wederrechtelijk verkregen voordeel immers niet meer het
bedrag dat de rechtbank heeft vastgesteld (€ 204.995,-) maar is er – in de visie van [betrokkene] – in het geheel geen sprake meer van een wederrechtelijk verkregen voordeel. Hij heeft immers toch al betaald (aan de belastingdienst).
Het doel van ontneming is immers – althans in theorie – om de winst van het gepleegde misdrijf te neutraliseren. Met andere woorden: “de veroordeelde terug te brengen in de (vermogens) situatie van vóór het gepleegde delict”. Dat heeft – volgens de raadsman – als logisch gevolg dat inkomsten waarover eerder belasting is betaald een aftrekpost moeten opleveren zodat de belastingheffing wordt geneutraliseerd.
De combinatie van ontnemen en belastingheffing leidt niet tot een aanvaardbare oplossing. Eigenlijk is er sprake van een dubbele bestraffing. In deze zaak: eerst de fiscus en dan de ontneming. En in deze zaak geldt des te meer dat [betrokkene] al zijn verplichtingen richting de fiscus is nagekomen. Als toelichting geldt dan nog het volgende. Het plukken van [betrokkene] kan maar één keer gebeuren. […]
Door de afwikkeling met de fiscus kan nu het inkomen van [betrokkene] niet meer worden gecorrigeerd door een eventuele strafrechtelijke ontneming. Ontneming is op grond van de belastingwet immers pas aftrekbaar wanneer deze door “betaling of overdracht aan de Staat” daadwerkelijk is betaald. Betalen gaat echter niet meer omdat [betrokkene] de fiscus al heeft betaald. Zijn geld is op.
De fiscus is sneller dan het strafrecht/de ontnemingsprocedures. Daardoor ontstaan problemen. Het inkomen en de aftrek (de eventuele ontneming) passen niet meer op elkaar.
Als [betrokkene] immers een ontnemingsbedrag had betaald dan had hij dat fiscaal kunnen verrekenen. In dit verband merkt de verdediging op dat de belastingdienst gebruik heeft gemaakt van het conservatoire beslag dat hij OM heeft gelegd. Uit dit beslag is de fiscale schuld van [betrokkene] verrekend.
Het is voor [betrokkene] nu niet meer mogelijk om een ontnemingsbedrag te betalen en daardoor een aftrek in de inkomstenbelastingsfeer te genereren. Had hij die mogelijkheid wel gehad, dan had hij géén inkomstenbelasting meer behoeven te betalen.
Tussen de belastingdienst en het OM geldt een afstemmingsprotocol (vastgelegd in het protocol AAFD). Het protocol is gemaakt om doublures van ontneming en belastingheffing te voorkomen. Er valt te lezen: “
om te voorkomen dat de verdachte/veroordeelde nadat hem een ontnemingsmaatregel is opgelegd of met hem een schikking of transactie met een ontnemingscomponent is getroffen, ook nog wordt geconfronteerd met belastingheffing over het wederrechtelijk verkregen voordeel, stemt het OM het voornemen tot de ontnemer af met de belastingdienst wanneer het geschatte voordeel tenminste € 5.000,- bedraagt”.
Hier is het andersom. De fiscus heeft de centen van [betrokkene] al ontvangen maar de ontneming wordt voor het volle pond doorgezet.
In het “afstemmingsvereiste” valt te lezen en te begrijpen dat de ontneming en de belastingheffing communicerende vaten moeten zijn.
Het is om bovenstaande redenen dat [betrokkene] van mening is dat vordering tot ontneming niet ontvankelijk moet worden verklaard nu hij zijn verplichtingen jegens de fiscus integraal is nagekomen, een eventueel bedrag van ontneming niet meer in aftrek kan nemen nu de afwikkeling met de fiscus onherroepelijk is, hij in de toekomst geen verdiencapaciteiten meer heeft en het OM rekening had dienen te houden met het afstemmingsvereiste en tenminste had dienen over te gaan tot in mindering brengen van de reeds betaalde termijnen.
Subsidiairwordt verzocht de betaalde bedragen aan de fiscus in mindering te brengen van een door uw Hof te bepalen bedrag.”
6. De raadsman heeft, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2021, daaraan in dupliek nog het volgende toegevoegd:
“[…]
U, jongste raadsheer, merkt op dat bij de conclusie van antwoord een brief is overgelegd van [betrokkene 1] . U zegt dat de verdediging in feite stelt dat betrokkene al zoveel heeft moeten betalen aan de fiscus dat de ontnemingsvordering van tafel moet. U zegt dat in de brief staat dat het bedrag winst uit onderneming over 2007 ruim twee ton is en over 2008 ruim een ton, bij elkaar opgeteld ruim drie ton. U zegt dat u aan de hand van deze berekening niet kunt beoordelen wat de inkomsten zijn geweest in deze jaren, ook gelet op eventuele aftrekposten.
[…]
Ik antwoord daarop dat de vordering van het openbaar ministerie twee ton is en dat er € 159.903,- is betaald aan de fiscus. In dat kader verwijs ik naar het protocol van de fiscus en het openbaar ministerie.
[…]
Ik antwoord daarop dat het openbaar ministerie conservatoir beslag heeft gelegd en dat daaruit dat bedrag is betaald. Ik vraag of dat bedrag kan worden verrekend. Stel dat er twee ton is opgelegd welk bedrag als aftrekpost kan gelden, dan is er geen inkomstenbelasting meer omdat betrokkene maar € 159.903,- hoeft te betalen. De fiscus doet het anders en becijfert de berekening op drie ton. De afspraken in het protocol houden in dat iemand niet twee keer wordt geknipt en geschoren. De hele ontnemingsvordering kan als aftrekpost worden opgevoerd. Maar omdat betrokkene hier schoon schip heeft gemaakt met de fiscus, kan dat niet meer. Hij kan geen twee ton meer inbrengen als aftrekpost.
[…]
Ik antwoord daarop dat het bij deze vordering tot ontneming er om gaat wat het openbaar ministerie vordert en wat er aan de fiscus is betaald en hoe het zit met de afstemming daarover.”
Bespreking van het middel
7. Het hof heeft – onder verwijzing naar bestendige rechtspraak van de Hoge Raad – geoordeeld dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening dient te worden gehouden met een mogelijke belastingheffing daarover, zo ook wanneer de belasting al geheven is. Daarmee doelt het hof kennelijk op de volgende, in het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0947,NJ1998/499 neergelegde, en nadien herhaaldelijk bevestigde,overweging: “[...] het fiscale mechanisme dat, voorzover belasting verschuldigd is over wederrechtelijk verkregen voordeel, die belastingheffing weer wordt ongedaan gemaakt indien en voorzover dat voordeel weer wordt ontnomen, [leidt] naar het oordeel van de wetgever zowel in strafrechtelijke als fiscaalrechtelijke zin tot een evenwichtig resultaat, terwijl daarentegen een rekening houden met de reeds geheven of nog te heffen belasting bij de bepaling van het te ontnemen voordeel naar het oordeel van de minister tot een onevenwichtig en onbedoeld resultaat zou leiden. De keuze voor vorenomschreven fiscaal systeem brengt volgens de wetgever mee dat de strafrechter bij de bepaling van het aan voordeel in aanmerking te nemen bedrag geen rekening zal dienen te houden met de belastingheffing.”
8. De steller van het middel acht het oordeel van het hof onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, omdat:
(i) het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan het pleidooi van de raadsman voor zover daarin een beroep is gedaan op de toepasselijkheid van het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen (hierna: Protocol AAFD);
(ii) met het oordeel dat in de executiefase moet worden beoordeeld of reeds belasting is geheven in verband met het wederrechtelijk verkregen voordeel, het hof heeft miskend dat in dit geval blijkens ingebrachte accountantsstukken al vaststond dat ter zake reeds belasting was geheven.
9. In hoger beroep is namens de betrokkene betoogd dat het openbaar ministerie het Protocol AAFD had moeten toepassen, zodat – als waren het communicerende vaten – het bedrag aan reeds geheven belasting als aftrekpost zou zijn verrekend bij de bepaling van het als wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking te nemen bedrag.
10. Het Protocol AAFDziet op de afstemming tussen de Belastingdienst en het openbaar ministerie op onder meer het gebied van de voordeelsontneming. De vierde paragraaf zegt daarover het volgende, voor zover hier relevant (met weglating van een voetnoot):
“Voorkomen moet worden dat de belastingheffing ter zake van wederrechtelijk verkregen voordelen en de strafrechtelijke ontneming van die voordelen op een ongewenste wijze op elkaar inwerken. Daarom is met het OM afgesproken dat de Belastingdienst de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen zo min mogelijk belemmert.
Om te voorkomen dat de verdachte/veroordeelde nadat hem een ontnemingsmaatregel is opgelegd, of met hem een schikking of transactie met een ontnemingscomponent is getroffen, ook nog wordt geconfronteerd met belastingheffing over het wederrechtelijk verkregen voordeel, stemt het OM het voornemen tot ontnemen af met de Belastingdienst wanneer het geschatte voordeel ten minste € 5.000 bedraagt.”
11. Uit de tekst van paragraaf vier volgt dat de afstemmingsregeling enkel geldt in het geval dat de betrokkene wordt geconfronteerd met de bedoelde belastingheffing
nadathem een ontnemingsmaatregel is opgelegd. Een dergelijke situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. De verdediging heeft in hoger beroep immers aangevoerd dat de betrokkene eerder al belasting heeft afgedragen over het bedrag dat hij door het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feitencomplex heeft verkregen en dat het hof daarmee rekening had moeten houden bij de vaststelling van (de omvang van) het ontnemingsbedrag.
12. Voor zover de steller van het middel ad (i) klaagt dat het hof het door de verdediging gedane beroep op het Protocol AAFD niet heeft behandeld, berust de klacht op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft namelijk overwogen dat de door de raadsman aangedragen jurisprudentie op andere situaties doelt en daarom niet tot een ander oordeel leidt. Het komt mij, mede gelet op hetgeen de raadsman bij pleidooi naar voren heeft gebracht, voor dat het hof daarmee (mede) heeft bedoeld te zeggen dat het Protocol AAFD niet van toepassing is op de onderhavige situatie. Dat oordeel, dat niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, acht ik niet onbegrijpelijk en, gelet op hetgeen door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd, genoegzaam gemotiveerd. Het middel mist derhalve doel.
13. Wat betreft de deelklacht ad (ii), kon volgens de steller van het middel het hof niet met enkel een verwijzing naar de executiefase volstaan, nu vaststaat dat de betrokkene belasting heeft betaald over inkomsten die verband houden met de strafbare feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld.
14. Ik kan de steller van het middel daarin niet volgen. Het hof heeft met het bestreden oordeel tot uitdrukking gebracht dat het zich bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft onthouden van een beoordeling van de vraag of en, zo ja, hoeveel belasting reeds is geheven aangaande het als wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking te nemen bedrag. Hoewel het middel geen rechtsklacht bevat, merk ik wel op dat het hof daarmee het juiste rechtskader heeft toegepast. In de hiervoor aangehaalde rechtspraak heeft de Hoge Raad immers (telkens) geëxpliciteerd dat het niet aan de rechter in de ontnemingsfase is om rekening te houden met reeds geheven belastingen. Dat, zoals de steller van het middel betoogt, in dit geval zou vaststaan dat reeds belasting is geheven “in verband met de zaken waarvoor de betrokkene is veroordeeld” maakt dat niet anders. Het bestreden oordeel van het hof is derhalve niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd.
15. Het middel faalt in beide onderdelen.