“De verdachte verklaart, op vragen van de voorzitter, als volgt:
Het klopt dat ik op 23 oktober 2017 om 04.40 uur ben aangehouden. Ik kan het mij vaag herinneren, het was in de ochtend. Ik had een gezellige avond gehad. Ik was in [plaats] geweest en ik had wat gedronken. Toen heb ik op de website kinky.nl een dame uitgezocht en ben ik naar haar toe gegaan. Ik weet het adres niet meer. Ik heb een leuke avond met die dame gehad. Vervolgens ben ik richting de metro gelopen. Toen kwam ik de medeverdachte [betrokkene 1] tegen. Ik ben bij hem op de scooter gestapt. Ik ken [betrokkene 1] via via van gezicht. Ik ben inderdaad als bestuurder op de scooter gaan rijden.
Ik weet niks van het weggooien van spullen door de bijrijder. Het was de verkeerde tijd, de verkeerde plek. [betrokkene 1] heeft niets gezegd.
Ik was toen drie jaar jonger, voor mij was het vrij normaal dat er 's nachts veel jongeren buiten waren, jointje rookten, lachgas gebruikten. Ik wist niet dat [betrokkene 1] gereedschap en WB 40 bij zich had.
Ik heb in eerste instantie gewoon met de politie gepraat. Daarna zat ik in de cel en ging ik erover nadenken of dit wel klopte, dan word je ook boos, ik was moe en een beetje dronken. De politie kon me ook niet wakker krijgen. Als ik wel wakker was geworden, had ik natuurlijk gewoon een verklaring afgelegd. Ik weet er helemaal niets van.
Ik had volgens mij geen handschoen op zak. Dat kan ik mij niet herinneren. Er wordt ook gezegd dat ik autosleutels heb terug gekregen, maar dat is helemaal niet waar. De politie heeft autosleutels en een zonnebril in beslag genomen, de zonnebril heb ik teruggekregen, maar de autosleutels niet. Ik heb sinds die dag ook problemen gehad met de onkosten voor die auto, omdat deze op de openbare weg stond.
De brillenkoker en de zonnebril van Louis Vuitton waren niet van mij. Die had ik een paar weken daarvoor van iemand geleend in het park, omdat het lekker weer was.
(…)
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging. Zij voert het volgende aan:
Ik bepleit vrijspraak. Cliënt heeft verklaard er niets mee te maken te hebben. De inbraak in de woning in vereniging moet uit de bewijsmiddelen blijken. De verdachte en de medeverdachte zijn op een scooter aangehouden, omdat het licht van de scooter niet werkte. De medeverdachte heeft spullen op de grond gegooid. Dit bleken sieraden te zijn die herleid kunnen worden naar de woninginbraak. De vraag is echter of er direct bewijs is dat cliënt iets met de woninginbraak te maken heeft. Of dat alleen de medeverdachte daarbij betrokken is. Cliënt heeft verklaard niets van de sieraden te weten. Dat is ook logisch, want de medeverdachte zat achterop toen hij de sieraden weggooide. Cliënt is niet bij de woning aangetroffen en daar is verder ook geen onderzoek naar gedaan.
Op basis van de camerabeelden worden twee personen en verschillende auto’s beschreven. In het dossier zit een foto van cliënt met een jas met een capuchon. Op de camerabeelden is echter niet te zien dat er personen met een jas met een capuchon bij de woning zijn geweest. Ook de tijdstippen komen niet overeen met de melding van de alarmcentrale, daar zit ruimte tussen. De schoenprofielen zijn ook niet onderzocht en dat kan nu ook niet meer, omdat de schoenen die cliënt aan had niet zijn gefotografeerd. De gehele afstand tussen de woning en de plaats waar mijn cliënt is aangehouden, is maar liefst 1,5 kilometer, dat is veel meer dan 300 meter naast de woning. Cliënt heeft verklaard dat hij enkel bij de medeverdachte op de scooter is gestapt. Het medeplegen blijkt nergens uit. De verdachte en de medeverdachte hebben alleen samen op een scooter gereden. Ik verzoek de verdachte in elk geval van het medeplegen vrij te spreken. Er is geen bewijs dat cliënt spullen heeft meegenomen.
(…)"