ECLI:NL:PHR:2023:1021

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2023
Publicatiedatum
12 november 2023
Zaaknummer
23/03395
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 5.4.9 SvArt. 5.4.10 SvArt. 445 SvArt. 552d Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van beklag tegen beslag op gegevensdragers na Europees onderzoeksbevel en voortijdige overdracht aan Duitse autoriteiten

Op 23 mei 2023 vond een doorzoeking plaats in de woning van klaagster waarbij drie gegevensdragers werden in beslag genomen op basis van een Europees onderzoeksbevel (EOB) van Duitse justitiële autoriteiten. Klaagster, eigenaar van het pand sinds 2021, betwist de rechtmatigheid van het beslag omdat zij geen relatie heeft met de verdachte die op het adres stond ingeschreven.

De rechtbank Overijssel oordeelde dat het klaagschrift ontvankelijk was, omdat klaagster pas op 19 juni 2023 kennisnam van het beslag, waarna zij tijdig op 29 juni 2023 klaagschrift indiende. De rechtbank verklaarde het klaagschrift gegrond en gelast dat de officier van justitie zich inspant om de in beslag genomen goederen terug te halen uit Duitsland, zodat het klaagschrift inhoudelijk kan worden beoordeeld.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert dat de beschikking een tussenbeschikking is, omdat de rechtbank nog niet definitief heeft beslist over het klaagschrift. Hierdoor is het cassatieberoep niet-ontvankelijk, aangezien cassatie tegen tussenbeschikkingen alleen gelijktijdig met het beroep tegen de eindbeschikking kan worden ingesteld. Tevens wordt opgemerkt dat de voortijdige overdracht van de goederen aan Duitsland onrechtmatig was.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de beschikking een tussenbeschikking betreft.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03395 Br
Zitting14 november 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de klaagster

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij beschikking van 9 augustus 2023 het klaagschrift van de klaagster gegrond verklaard en gelast dat de officier van justitie zich in zal spannen om te zorgen dat de in de woning in beslag genomen goederen door de Duitse justitiële autoriteiten worden teruggestuurd naar de officier van justitie opdat vervolgens een beslissing kan worden genomen over het klaagschrift.
1.2
Namens het openbaar ministerie heeft H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland, een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingediend. Namens klaagster is door mr. A.M.C.J. Baaijens op 28 september 2023 een schriftelijke reactie op de schriftuur van het openbaar ministerie ingediend.

2.Het procesverloop en waar het in deze beklagzaak om gaat

2.1
Uit de processtukken kan worden opgemaakt dat op 23 mei 2023 een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning van de klaagster waarbij een drietal gegevensdragers in beslag zijn genomen. De beslaglegging is gedaan ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) dat is uitgevaardigd door de justitiële autoriteiten van Duitsland in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar de zoon (hierna: de verdachte) van degenen van wie de klaagster de woning in 2021 heeft gekocht. De verdachte stond ten tijde van de doorzoeking als enige persoon ingeschreven op het adres van deze woning. Ten tijde van de doorzoeking was niemand aanwezig in de woning. Na afloop van de doorzoeking is – zo blijkt uit de akte van uitreiking – in de woning een
ongedateerdekennisgeving beklagrecht achtergelaten waarin onder meer wordt aangegeven dat in de woning een doorzoeking heeft plaatsgevonden op 23 mei 2023 en dat binnen twee weken, gerekend vanaf de datum van de kennisgeving, beklag tegen het beslag en het voornemen om de in beslag genomen voorwerpen over te dragen naar het buitenland kan worden ingediend.
2.2
Vervolgens is op 19 juni 2023 namens de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Overijssel een brief gericht aan de bewoners van het doorzochte pand gestuurd waarin wordt gerelateerd dat op 23 mei 2023 een doorzoeking heeft plaatsgevonden. Als bijlage is bijgevoegd het proces-verbaal van de doorzoeking. Op 27 juni 2023 is een klaagschrift ingediend met het verzoek dat de rechtbank een last zal geven aan het openbaar ministerie “tot directe en fysieke feitelijke teruggave van het sinds 23 mei 2023 inbeslaggenomen genoemde gegevensdragers, aan verzoekster”.
2.3
Het klaagschrift is op 9 augustus 2023 in raadkamer behandeld. Aldaar is de ontvankelijkheid van het klaagschrift aan bod gekomen, omdat ex art. 5.4.10 Sv een klaagschrift tegen inbeslagneming naar aanleiding van een EOB binnen veertien dagen na kennisgeving van de beklagmogelijkheid bij de rechtbank moet zijn ingediend. De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de klaagster niet-ontvankelijk is in het klaagschrift, nu dit niet binnen veertien dagen na kennisgeving van het beslag op 23 maart 2023 bij de rechtbank is ingediend.
2.4
De rechtbank heeft geoordeeld dat het klaagschrift ontvankelijk is en dit als volgt gemotiveerd:

4. De ontvankelijkheid
Het klaagschrift is ontvankelijk. Gebleken is dat klaagster eerst op 19 juni 2023 op de hoogte geraakt is van het leggen van beslag op haar spullen na doorzoeking van haar woning aan de [a-straat 1] in [plaats] op 23 mei 2023 door de rechter-commissaris ter uitvoering van een van de Duitse justitiële autoriteiten afkomstig EOB. Het EOB ziet op verdenking van plofkraken in Duitsland door [betrokkene 1] en anderen. [betrokkene 1] staat als enige ingeschreven op het adres aan de [a-straat 1] in [plaats]. Blijkens de stukken is op 23 mei 2023 na de doorzoeking in de woning (waar niemand aanwezig was) een ongedateerde brief van de officier van justitie mr. B. Veelders achtergelaten voor de bewoner(s) van het pand met daarin de mededeling dat er goederen in beslag genomen zijn op verzoek van een buitenlandse rechter en dat binnen veertien dagen bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, beklag kan worden gedaan over het voornemen van de officier van justitie om de inbeslaggenomen goederen over te dragen aan de Duitse justitiële autoriteiten. Klaagster heeft gesteld dat zij eerst bij schrijven van 19 juni 2023 met bijlage met stempel van de Raad voor de Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland / rechtbank Overijssel (zie stukken) op de hoogte is gesteld van het gelegde beslag op haar spullen. Op donderdag 29 juni 2023 is het klaagschrift met bijlagen ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland in Utrecht. Volgens de raadsman is het daarmee tijdig ingediend na kennisneming van de brief van 19 juni 2023 met als bijlage het proces-verbaal van doorzoeking, gedateerd op 12 juni 2023, over het op 23 mei 2023 gelegde beslag door de rechter-commissaris.
In aanmerking genomen dat de kale mededeling op de akte van uitreiking bij de ongedateerde brief van de officier van justitie mr. Veelders in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] op 23 mei 2023 waar ten tijde van de doorzoeking die dag niemand aanwezig was, niets zegt over de kennisneming daarvan door klaagster, nu klaagster weliswaar eigenaar is van het pand maar daar niet is ingeschreven terwijl zij ook geen weet had van de inschrijving van een ander op dat adres en zij verdachte [betrokkene 1] ook helemaal niet kent, is de raadkamer van oordeel dat het op 29 juni 2023 bij de rechtbank Midden Nederland door haar raadsman ingediende klaagschrift tijdig binnen veertien dagen na kennisneming van het beslag is binnengekomen.”
2.5
De rechtbank is voorts overgegaan tot beoordeling van het klaagschrift en heeft in dit verband het volgende overwogen en beslist:

5. De beoordeling
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.
Feiten en omstandigheden
Naar aanleiding van het EOB van de Duitse autoriteiten, is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in Duitsland ter zake van de verdenking van betrokkenheid bij plofkraken van een op het adres aan de [a-straat 1] in [plaats] ingeschreven verdachte, genaamd [betrokkene 1], op 23 mei 2023 door de rechter-commissaris beslag gelegd op een laptop, een USB-stick en een navigatiesysteem. Klaagster stelt eigenaar te zijn van de inbeslaggenomen goederen. Zij kent geen persoon met de naam [betrokkene 1] en heeft haar woning en schuur aan niemand ter beschikking gesteld. Zij stelt dat het beslag dan ook onrechtmatig is gelegd nu het nooit tot een doorzoeking in haar woning en schuur had mogen koen omdat er geen enkele relatie is met de verdachte [betrokkene 1].
Maatstaf
Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd ter uitvoering van een EOB van de Duitse justitiële autoriteiten in Düsseldorf. De raadkamer dient daarom te beoordelen of a) de in beslagname gebaseerd is op een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse justitiële autoriteit, en b) de inbeslaggenomen stukken van overtuiging de waarheidsvinding kunnen dienen in verband met het feit waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft.
Beoordeling
De Leitende Oberstaatsanwalt in Düsseldorf heeft op 8 mei 2023 een aan Nederland gericht rechtshulp gedaan, onder meer strekkende tot het doorzoeken van de woning van [betrokkene 1] aan de [a-straat 1] in [plaats] en het veiligstellen van bewijsmiddelen. Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie bij de rechter-commissaris op 16 mei 2023 gevorderd dat aan dit rechtshulpverzoek uitvoering zou worden gegeven. Daarop heeft de rechter-commissaris op 23 mei 2023 in het kader van een doorzoeking in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] beslag gelegd op de voorwerpen zoals genoemd op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, gevoegd bij het proces-verbaal van doorzoeking d.d. 12 juni 2023 dat op 19 juni 2023 naar de bewoner(s) van het perceel aan de [a-straat 1] in Utrecht is gestuurd.
Overwegingen
Klaagster stelt eigenaar te zijn van de inbeslaggenomen goederen en wenst de goederen terug te krijgen. Klaagster is sinds 2021 eigenaar van het perceel aan de [a-straat 1] in Utrecht. Zij kent [betrokkene 1] niet. De inbeslaggenomen spullen zijn van klaagster en op de gegevensdragers staan bovendien gegevens van patiënten van [A] waar klaagster een bestuursfunctie vervult. Klaagster stelt niets te maken te hebben met [betrokkene 1] en wist ook niet dat [betrokkene 1] ingeschreven staat op het adres aan de [a-straat 1] in Utrecht. Zij heeft dat perceel in 2021 gekocht van de ouders van [betrokkene 1]. Volgens klaagster is uit het onderzoek van de politie ook niet gebleken dat [betrokkene 1] op dit adres is gezien terwijl er voorts ook geen aanwijzingen zijn dat [betrokkene 1] daar heeft verbleven. Klaagster meent daarom dat de doorzoeking op dit adres niet had mogen plaatsvinden en dat het beslag onrechtmatig is gelegd. Zij maakt zich bovendien zorgen over de gevoelige gegevens op de USB-stick en de laptop van patiënten van [A]. Namens klaagster heeft haar raadsman gesteld dat de inbeslagneming van haar spullen onrechtmatig is. Dat klemt te meer nu het ook nog eens gevoelige gegevens betreffen die onder haar geheimhoudingsplicht vallen.
De raadkamer overweegt daarover het volgende.
De raadkamer stelt voorop dat op grond van de stukken en de behandeling op de zitting vast staat dat het rechtshulpverzoek en de daaruit voortvloeiende inbeslagname doof de rechter commissaris is gebaseerd op de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie en het als integraal onderdeel hiervan afgesloten Protocol. Het rechtshulpverzoek is uitgegaan van een bevoegde autoriteit en voldoet aan de ter zake geldende wet- en regelgeving.
De inbeslagneming heeft plaatsgevonden in de woning van klaagster.
Het uitgangspunt dat aan een op een Verdrag gebaseerd rechtshulpverzoek dat ook overigens voldoet aan de daaraan door wet en verdragen gestelde eisen, zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven, brengt mee dat de rechter in het kader van de beklagprocedure ex artikel 552a Sv bij zijn oordeel of het beslag gehandhaafd moet blijven in het belang van de waarheidsvinding van een in het buitenland lopend onderzoek, als regel mag vertrouwen op het oordeel dienaangaande van de justitiële autoriteiten van de verzoekende staat.
De beklagrechter zal zich ook bij deze uitleg in het kader van de klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv een eigen oordeel moeten vormen over de vraag of aannemelijk is dat de inbeslaggenomen stukken kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding. Onder omstandigheden, mede afhankelijk van hetgeen door de klager is aangevoerd, zal daarbij niet met een globaal oordeel kunnen worden volstaan en zal een kaal beroep op het vertrouwensbeginsel het oordeeI van de rechtbank niet kunnen dragen.
Met inachtneming van dat toetsingskader stelt de raadkamer vast dat het op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk is dat klaagster eerst op 19 juni 2023 op de hoogte geraakt is van de doorzoeking en de inbeslagneming van haar toebehorende goederen. Ten onrechte is aangenomen dat klaagster niet binnen de termijn van veertien dagen na 23 mei 2023 toen de brief met de kennisgeving van de doorzoeking in haar woning is achtergelaten, een klaagschrift heeft willen indienen. Zij kon dat niet eerder doen dan na kennisneming van de brief van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juni 2023 waarna op 29 juni 2023 het klaagschrift is ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. In de tussentijd zijn de inbeslaggenomen goederen door de officier van justitie echter overgedragen aan de autoriteiten in Duitsland.
Gelet op het feit dat klaagster wel degelijk beklag heeft willen doen binnen de wettelijke termijn maar dat niet heeft kunnen doen door omstandigheden die buiten haar schuld liggen, is de raadkamer van oordeel dat de officier van justitie de goederen niet aan de Duitse justitiële autoriteiten had mogen overdragen.
De raadkamer acht het klaagschrift daarom gegrond en gelast de officier van justitie om de overgedragen goederen (een laptop, merk: Dell, een USB-stick, een navigatiesysteem, merk: Tomtom) terug te halen naar Nederland waarna het klaagschrift van klaagster over de onrechtmatigheid van het beslag door de raadkamer opnieuw kan worden beoordeeld. Daarbij kan ook de vraag aan de orde komen of überhaupt van de gegevens op de USB-stick en de laptop kennis genomen mag worden nu wordt gesteld dat het om gevoelige gegevens gaat die onder de geheimhoudingsplicht van klaagster vallen.
Conclusie
De raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard.

6.De beslissing

De raadkamer verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de officier van justitie zich in te spannen dat de in het perceel aan de [a-straat 1] in [plaats] inbeslaggenomen goederen (een laptop, merk: Dell, een USB-stick, een navigatiesysteem, merk: Tomtom) door de Duitse justitiële autoriteiten worden teruggestuurd naar de officier van justitie opdat vervolgens een beslissing kan worden genomen over het klaagschrift.”
2.6
Het cassatieberoep richt zich zowel tegen de ontvankelijkverklaring van het klaagschrift, de gegrondverklaring hiervan en de aan de officier van justitie gegeven last zich in te spannen de in beslag genomen en overgedragen goederen terug naar Nederland te laten sturen.
3.
Ambtshalve opmerkingen over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep
3.1
Ik heb mij afgevraagd of tegen de beschikking van de rechtbank wel cassatieberoep openstaat.
3.2
Ingevolge art. 445 Sv Pro staat tegen beschikkingen alleen beroep in cassatie open in gevallen bij het Wetboek van Strafvordering bepaald. Art. 552d Sv biedt de mogelijkheid om tegen een beschikking als bedoeld in art. 552a Sv binnen veertien dagen na betekening cassatieberoep in te stellen. Volgens de Hoge Raad moet onder een beschikking ingevolge artikel 552a Sv “worden verstaan een beschikking waarin de beklagrechter zich onbevoegd heeft verklaard tot kennisneming van het (inleidend) klaagschrift, de klager niet-ontvankelijk heeft verklaard in het (inleidend) klaagschrift, het beklag als bedoeld in artikel 552a Sv ongegrond heeft verklaard of dit beklag gegrond heeft verklaard en “de daarmede overeenkomende last” heeft gegeven als in die bepaling bedoeld”. [1]
3.3
In de onderhavige zaak is mijns inziens geen sprake van een beschikking ingevolge art. 552a Sv. De rechtbank heeft het klaagschrift weliswaar gegrond verklaard, maar daarbij de officier van justitie gelast dat hij zich in zal spannen om te bewerkstelligen dat de in beslag genomen goederen door de Duitse justitiële autoriteiten naar de officier van justitie worden teruggestuurd, opdat “vervolgens een beslissing kan worden genomen over het klaagschrift”.
3.4
Hieruit blijkt dat de rechtbank, ook al heeft zij in haar beslissing de woorden “verklaart het klaagschrift gegrond” gebruikt, (nog) niet op dit klaagschrift heeft beslist, maar blijkens de daaropvolgende tekst van de beslissing voornemens is het klaagschrift later inhoudelijk te behandelen. Deze interpretatie ligt in de rede nu de rechtbank – had zij het klaagschrift gegrond willen verklaren – ook had moeten gelasten dat de in beslag genomen voorwerpen aan klaagster terug zouden worden gegeven. [2] Dat heeft de rechtbank niet gedaan blijkens de last aan de officier van justitie dat de voorwerpen aan hem zouden moeten worden teruggestuurd. Overigens is de Hoge Raad niet gebonden aan hoe de rechtbank haar beschikking noemt. [3]
3.5
De rechtbank heeft met haar beschikking klaarblijkelijk willen bewerkstelligen dat de situatie zoals deze zou zijn geweest als de kennisgeving klaagster wel tijdig had bereikt en vervolgens op tijd een klaagschrift zou zijn ingediend, wordt hersteld. Het openbaar ministerie had dan ingevolge art. 5.4.9 lid 1 Sv de gegevensdragers niet mogen overdragen aan de Duitse autoriteiten voordat de rechtbank op het klaagschrift had beslist. Daarbij zou, zo luidt de beschikking, ook de vraag moeten worden beantwoord “of überhaupt van de gegevens op de USB-stick en de laptop kennis genomen mag worden nu wordt gesteld dat het om gevoelige gegevens gaat die onder de geheimhoudingsplicht van klaagster vallen”.
3.6
Het voorgaande brengt mee dat de onderhavige beschikking moet worden aangemerkt als tussenbeschikking. [4] Naar analogie van art. 428 Sv Pro kan in zo’n geval het cassatieberoep alleen gelijktijdig met het beroep tegen de eindbeschikking worden ingesteld. [5] Dat betekent dat het openbaar ministerie niet in het ingestelde beroep kan worden ontvangen.
3.1
Ten overvloede wil ik nog opmerken dat men zich nog kan afvragen of de rechtbank de officier van justitie wel heeft kunnen gelasten zich in te spannen de in beslag genomen en overgedragen voorwerpen terug te halen. Uit de rechtspraak van de HR volgt dat ingeval toepassing is gegeven aan art. 5.4.9 lid 3 Sv en het beklag gegrond wordt verklaard, dat oordeel tot gevolg heeft dat:
“de officier van justitie, indien en voor zover hij toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5.4.9 lid 3 Sv, de uitvaardigende autoriteit moet verzoeken – in overeenstemming met de in artikel 5.4.9 lid 3 Sv genoemde voorwaarden – de terbeschikkingstelling te beschouwen als niet te hebben plaatsgevonden, de overgedragen resultaten niet (verder) te gebruiken en de betreffende voorwerpen te retourneren, dan wel de betreffende gegevens te vernietigen”. [6]
Het ligt in de rede dat zulks ook geldt in een zaak als de onderhavige waarin het openbaar ministerie de in beslag genomen voorwerpen pas had mogen overdragen na de beslissing op het beklag en de overdracht dus voortijdig heeft plaatsgevonden.
3.2
Mocht de Hoge Raad met betrekking tot de ontvankelijkheidsvraag een andere opvatting zijn toegedaan, dan ben ik graag bereid aanvullend te concluderen.
3.3
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:760, NJ 2023/236, m.nt Klaassen en Mevis, rov. 3.2.2. Hierbij wordt verwezen naar HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:370. Zie ook A.J.A van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 204.
2.Zie HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7591, rov. 4.2.
3.Zie voor een omgekeerde situatie HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6964, waarin de rechtbank haar beschikking als tussenbeschikking had aangemerkt; de Hoge Raad zag dit anders en bepaalde dat de als tussenbeschikking aangeduide beschikking had te gelden als een definitieve beslissing, rov. 2.1-2.2.
4.Vgl. HR 20 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9669, rov. 4.3.
5.A.J.A van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 204. Zie in dit verband ook de conclusie van AG Jörg (onder 4) voor HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6964, NJ 2009/585.
6.HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:887, rov. 4.5.