Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.De beschikking van de rechtbank
3.Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
4.Opmerkingen over het verschoningsrecht van advocaten in dienstbetrekking
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Het verschoningsrecht - dat wegens het grote belang van de waarheidsvinding een uitzonderingskarakter heeft - komt slechts toe aan een beperkte groep van personen die uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie verplicht zijn tot geheimhouding van al hetgeen hun in hun hoedanigheid wordt toevertrouwd (vgl. HR 6 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB9405, rechtsoverweging 4.2 en HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, rechtsoverweging 3.6.2.2). Het behoort tot de taak van deze beperkte groep van verschoningsgerechtigde personen aan anderen hulp te verlenen maar zij kunnen deze taak slechts naar behoren vervullen indien zij zich kunnen verschonen ten aanzien van geheimen welke hun zijn toevertrouwd door hulpzoekenden die zonder de zekerheid van geheimhouding tegenover justitie aan deze beroepsbeoefenaren geen hulp zouden vragen (vgl. HR 25 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4685).
De verdere voorwaarden voor het bij wijze van dienstverrichting uitoefenen van werkzaamheden door deze andere dan in Nederland ingeschreven advocaten – in artikel 16c Advocatenwet aangeduid als ‘bezoekende advocaten’ – komen erop neer dat de voor in Nederland ingeschreven advocaten geldende beroepsregels in acht moeten worden genomen (artikel 16d lid 2 Advocatenwet en artikel 16f Advocatenwet; in de laatstgenoemde bepaling wordt daarbij bepaald dat deze beroepsregels alleen toepasselijk zijn “voor zover zij kunnen worden nageleefd door een advocaat die niet in Nederland is gevestigd en de naleving ervan objectief gerechtvaardigd is ten einde in Nederland de behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden van advocaten, de waardigheid van het beroep en de inachtneming van de bedoelde regels inzake onverenigbaarheid te verzekeren”). Voor degene die in Nederland onder de oorspronkelijke beroepstitel permanent werkzaam is en die zich daartoe op grond van artikel 16h lid 1 Advocatenwet heeft laten inschrijven, geldt op grond van artikel 16k lid 1 Advocatenwet dat hij voor alle werkzaamheden die hij in Nederland uitoefent aan dezelfde beroeps- en gedragsregels en aan dezelfde voorwaarden is onderworpen als een advocaat dieovereenkomstig artikel 1 Advocatenwet Pro op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten in Nederland is ingeschreven.
Een en ander brengt met zich dat een persoon die op grond van § 2a respectievelijk § 2b van de Advocatenwet is gerechtigd in Nederland werkzaamheden te verrichten, moet beschikken over het in artikel 5.12 lid 1 Voda bedoelde statuut, voor zover het daarbij gaat om de uitoefening van de praktijk in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onder g, Voda. Aan die persoon komt – in relatie tot de juridische dienstverlening die hij in zijn hoedanigheid van advocaat heeft verricht ten behoeve van deze werkgever – alleen het verschoningsrecht toe als hij ten tijde van de werkzaamheden over dit statuut beschikt. Aan dit vereiste wordt ook voldaan als deze persoon kan aantonen dat hij beschikt over een naar het recht van het land van herkomst gesloten overeenkomst met de werkgever, die weliswaar niet volledig gelijk is aan het daartoe op grond van artikel 5.12 lid 3 Voda opgestelde en in de Regeling op de advocatuur neergelegde model, maar wel gelijkwaardige garanties biedt voor een onafhankelijke praktijkuitoefening en de ongestoorde naleving van de beroeps- en praktijkregels door de advocaat.
Dit uitgangspunt geldt onverkort als het gaat om een in Nederland of elders ingeschreven advocaat die in dienst is van een werkgever en binnen dat dienstverband uitsluitend optreedt voor die werkgever of in de groep met de werkgever verbonden rechtspersonen. Ook dan kan de advocaat zich uitsluitend op een verschoningsrecht beroepen ten aanzien van wat hem is toevertrouwd vanwege zijn hoedanigheid van advocaat en dus in het kader van de werkzaamheden als advocaat die zijn gericht op de uitoefening van de reguliere rechtspraktijk. Of daarvan sprake is, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld, waarbij met name van belang is of de door de advocaat verrichte werkzaamheden verband houden met een aanhangige of te verwachten procedure. In gevallen waarin de inhoud van inbeslaggenomen stukken niet duidt op een zodanige uitoefening van de rechtspraktijk, zal het beroep op het verschoningsrecht moeten falen (vgl. HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3258).
5.Beslissing
24 mei 2022.