11.59 -[slachtoffer]: en kinderen van zorg gaan me nu hoer noemen enzo
(..)
12:00 - [slachtoffer]: k ga gelijk naar de les met [betrokkene 4] in gesprek
4. Het proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 21 januari 2020 (…), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 5]:
(…)
V:We gaan je horen als getuige. Er is aangifte gedaan door [slachtoffer] van een zedenmisdrijf.
(..)
V: Waar ken je [slachtoffer] van?
A: Van school het [school].(..). Ze zit bij mij in de klas. (..) Ik was er ook bij toen dat gebeurde. (..)
V: Weet je nog wanneer dat is geweest?
A: Ik weet dat het tijdens de les VHO was en het gebeurde in de keuken. (..) Het was in 2019. (..)
V: Wat gebeurde er?
A: [verdachte] zat aan [slachtoffer] en ik hoorde haar zeggen dat hij moest stoppen. Ik hoorde haar ook lachen en gillen tegelijk. Ze was best wel bang. Ik zag dat ze achter ons ging staan. Het ging zo verder en toen stopte hij. We moesten toen in het restaurant verder aan ons werk.
V: Hoe heet [verdachte] met zijn achternaam?
A: Volgens mij heet hij [verdachte].
V: Wat zag jij?
A: Ik zag dat [verdachte] aan haar borsten, buik en kont zat. In de keuken stond [verdachte] voor haar en ik zag dat hij aan haar borsten zat. .(..)
V: Zei [slachtoffer] nog iets bij dat lachen en gillen?
A: Ze zei dat hij moest stoppen. Maar dat deed hij niet. Toen heeft ze het tegen onze docent [betrokkene 7] gezegd. [betrokkene 7] zei tegen [slachtoffer] dat ze er ook aangifte van kon doen.
V: [slachtoffer] is toen achter jullie gaan staan?
A: Ja, dat was bijna aan het einde van de les.
(…)
V: Wat zei [slachtoffer] tegen jullie hierover?
A: Ze zei gewoon help mij. Mag ik achter jullie staan. (..) We hebben haar toen geholpen en zijn voor haar blijven staan.
(..)
V: Wat zou de reden kunnen zijn dat [slachtoffer] lachte op dat moment?
A: Ik heb aan haar gevraagd waarom ze moest lachen. [slachtoffer] vertelde dat als ze niet goed wist wat ze moest doen en gestrest was moest lachen.
5. Het proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 4 februari 2020 (…), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:
(…)
V: U bent werkzaam op het [school] in Roosendaal. Wat is uw functie binnen deze school?
A: Ik ben coördinator van de brugklas in het VMBO. (..)
V: In welke relatie staat u tot [slachtoffer]?
A: Ik ben haar coördinator. (..)
V: Wanneer heeft u voor het eerst gehoord over seksueel misbruik van [slachtoffer]?
A: Dat waar de aangifte over gaat is dezelfde dag geweest. [slachtoffer] sprak mij op de gang aan en ze wilde met mij spreken. (..)
V: Wanneer is dat geweest?
A: Ik weet het niet meer zeker, maar ik denk ergens in november vorig jaar.(..) We hebben dus eerst moeder opgevangen en met haar het gesprek aangegaan. [slachtoffer] vertelde wel dat er iets was gebeurd, maar ik wist niet wat. Ik heb toen van moeder aangehoord wat er gebeurd was, [slachtoffer] was daar zelf wel bij. (..) [slachtoffer] vertelde dat ze aangerand was, seksueel niet juist was aangeraakt. Ze waren aan het koken in de keuken. Daar was wat ontstaan en had hij aan haar borsten gezeten. (..) Dit zou [verdachte] hebben gedaan, een jongen die toen nog bij haar in de klas zat.
(…)
V: Weet u nog wat [slachtoffer] in dat eerste gesprek aan u vertelde over de handelingen?
A: Niet heel uitgebreid, maar vooral het betasten, dat hij aan haar borsten had gezeten en aan haar billen.
6. Het proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 11 maart 2020 (…) voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 7]:
V: U bent werkzaam op het [school] in Roosendaal. Wat is functie binnen deze school?
A: Ik ben docent horeca.
V: In welke relatie staat u tot [slachtoffer]?
A: [slachtoffer] is een leerling van mij. Zij is een eerstejaars leerling.
(…)
V: Wanneer heeft u voor het eerst gehoord over seksueel misbruik van [slachtoffer]?
A: (..) Zij was bij mij in de les samen met [verdachte]. Zij kwam naar mij toe. Ze zei tegen mij dat [verdachte] aan haar zat. Ik liep vervolgens naar [verdachte] toe en zei tegen hem dat hij met zijn poten van haar af moest blijven. [verdachte] zei toen tegen mij van “Oke, Oke”. Op dat moment heb ik daar niets mee gedaan. Ik gaf [verdachte] wel een standje. Toen de les afgelopen was, was er niets meer aan de hand. Een aantal dagen later of een week later kwam er uit dat het serieuzer was. Ik heb toen gehoord dat er aangifte van was gedaan. Toen ik dat hoorde ben ik weer in gesprek met [slachtoffer] gegaan. [slachtoffer] vertelde mij toen wat er was gebeurd. [slachtoffer] vertelde mij dat [verdachte] haar op bepaalde plekken had aangeraakt. [slachtoffer] vertelde mij ook dat wanneer zij zenuwachtig is zij altijd lacherig overkomt. Maar omdat [slachtoffer] best altijd wel om aandacht vraagt ging ik er die eerste keer niet zo op in. Mijn eerste reactie naar [verdachte] was toen ook dat hij gewoon van haar af moest blijven.
V: Wat heeft [slachtoffer] u later hierover nog verteld?
A: Volgens mij heeft ze verteld dat zij aan haar borsten en billen is aangeraakt door [verdachte].
V: Op welke manier vertelde [slachtoffer] u dat?
A: Dat vertelde zij mij serieus. Het was op dat moment een één op één gesprek.
V: Hoe reageerde u hierop?
A: Ik heb haar toen verteld dat ik liever dit had gehoord die eerste keer zodat ik direct had kunnen ingrijpen.
7. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 mei 2022, inhoudende:
Het klopt dat [slachtoffer] mij [verdachte] noemde.’
7. Het hof heeft in verband met de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:
‘De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is − op gronden als verwoord in de pleitnota − aangevoerd dat:
- de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 5] onvoldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te bezigen. Er is sprake van beïnvloeding door de moeder van [slachtoffer]. Daarbij is ook [betrokkene 5] beïnvloed door [slachtoffer], nu zij erbij was toen [slachtoffer] met haar moeder sprak over hetgeen gebeurd was;
- indien de tenlastegelegde handeling desalniettemin bewezen worden geacht deze niet kunnen worden aangemerkt als
ontuchtigehandelingen nu er geen sprake was van ondergeschiktheid in rol c.q. leeftijd en door [slachtoffer] geen duidelijk signaal werd gegeven dat zij het contact als ongewenst intiem ervaarde.
Betrouwbaarheid verklaringen
Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 5] overweegt het hof als volgt.
Uit de verklaringen van [slachtoffer], [betrokkene 5] en docent [betrokkene 7] volgt dat [slachtoffer] tijdens de les al tegen [betrokkene 7] heeft gezegd dat de verdachte aan haar zat. Na de les heeft [slachtoffer] in een WhatsApp-gesprek haar moeder gemeld dat zij later zou komen omdat zij in gesprek zou gaan gaat met haar coördinator [betrokkene 4]. In dit gesprek heeft zij in eerste instantie aangegeven dat ze thuis wel zou vertellen waarover zij contact wilde met haar coördinator. Op de vraag van haar moeder of het over iets ergs betrof, antwoordde [slachtoffer] dat het over de verdachte ging en dat hij aan haar had gezeten. Hierop is de moeder van [slachtoffer], aangeefster [betrokkene 1], direct naar school gekomen. Uit de verklaring van [betrokkene 4] komt naar voren dat zij op de gang door [slachtoffer] werd aangesproken omdat zij haar wilde spreken. Er was namelijk iets met haar gebeurd. De moeder van [slachtoffer] was kort nadat [slachtoffer] de coördinator had aangesproken op school aangekomen. Vervolgens heeft op school een gesprek plaatsgevonden tussen [betrokkene 4], [slachtoffer] en de moeder en stiefvader van [slachtoffer]. [betrokkene 4] heeft over dit gesprek verklaard dat moeder veel aan het woord was, dat [slachtoffer] vertelde dat de verdachte tijdens de kookles aan haar borsten had gezeten en dat moeder hetgeen [slachtoffer] vertelde steeds aanvulde.
Het hof begrijpt uit de verklaring van [betrokkene 4] dat de moeder van [slachtoffer] zeer aanwezig was tijdens het gesprek dat zij samen voerden. Het is, zoals de raadsman suggereert, mogelijk dat de dit enige invloed heeft gehad op [slachtoffer]. Het hof is echter van oordeel dat deze mogelijke beïnvloeding niet zodanig is geweest dat de verklaring van [slachtoffer] als onbetrouwbaar terzijde moet worden geschoven. Het hof kent bij dat oordeel gewicht toe aan het feit dat [slachtoffer] reeds voordat zij met haar moeder had gesproken tegen docent [betrokkene 7] heeft gezegd dat verdachte aan haar had gezeten, hetgeen duidt op seksueel getinte handelingen, en een gesprek met coördinator [betrokkene 4] heeft aangevraagd.
Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat [slachtoffer] in het Whatsapp-gesprek met haar moeder zegt: “hij zat aan me” en " kinderen van zorg gaan me nu hoer noemen enzo”, hetgeen impliceert dat het ‘iets’ waarover zij [betrokkene 4] wil spreken seksueel getinte handelingen betreft. Op het moment dat [slachtoffer] dit appt heeft er nog geen gesprek met [betrokkene 4] plaatsgevonden en kan er derhalve geen sprake van zijn dat [slachtoffer] op dit punt door haar moeder is beïnvloed. [slachtoffer] heeft gedetailleerd en authentiek verklaard en het hof ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van haar verklaring te twijfelen.
De raadsman heeft voorts betoogd dat ook de verklaring van [betrokkene 5] onbetrouwbaar moet worden geacht nu ook hier sprake is van beïnvloeding omdat zij met [slachtoffer] heeft gesproken over hetgeen die dag gebeurde en erbij aanwezig was toen [slachtoffer] hierover met haar moeder. Het hof is van oordeel dat van enige beïnvloeding, die [betrokkene 5]’s verklaring onbetrouwbaar zou maken, niet is gebleken. Dat [slachtoffer] en [betrokkene 5] elkaar hebben gesproken over hetgeen zich voordeed die ochtend tijdens de les ligt voor de hand nu [slachtoffer] [betrokkene 5]’s hulp heeft ingeroepen om de verdachte van haar weg te houden. [betrokkene 5] was in dezelfde ruimte als [slachtoffer] aanwezig en heeft dus kunnen waarnemen wat er gebeurde. Over die waarnemingen heeft [betrokkene 5] ook verklaard. Het hof stelt vast dat de omstandigheid dat [betrokkene 5] aanwezig was bij het gesprek dat tussen [slachtoffer] en haar moeder plaatsvond, voorafgaand aan het gesprek met coördinator, er niet toe heeft geleid dat de verklaringen van [betrokkene 5] en [slachtoffer] gelijkluidend zijn. Hun verklaringen vertonen op een aantal onderdelen, zoals met betrekking tot de verschillende momenten waarop de betastingen door de verdachte hebben plaatsvonden, verschillen. Anders dan de raadsman is het hof echter van oordeel dat dit de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 5] niet ongeloofwaardig maakt, nu zij in de kern hetzelfde hebben verklaard namelijk dat de verdachte [slachtoffer] op verschillende plaatsen van haar lichaam heeft betast.
Het betrouwbaarheidsverweer van de raadsman wordt gelet op het voorgaande verworpen.
Het door de verdachte geschetste scenario
De verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer] op een seksueel getinte wijze heeft betast. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat er wel sprake was van een conflict was tussen [betrokkene 8] en [slachtoffer] en dat hij, verdachte, samen met [betrokkene 9] had geprobeerd hen uit elkaar te houden. [slachtoffer] had hem, verdachte, toen geslagen en toen werd er over en weer getrokken en geduwd. Toen docent [betrokkene 7] tussen beiden was gekomen waren hij en [slachtoffer] nog steeds aan het trekken en schoppen.
Het hof begrijpt de verklaring van de verdachte zo dat [betrokkene 7] hem nooit heeft aangesproken op ongeoorloofd seksueel getint gedrag naar [slachtoffer], maar enkel tussenbeide is gekomen bij dit door de verdachte beschreven conflict met [slachtoffer]. Het hof acht de verklaring van de verdachte echter ongeloofwaardig en overweegt daartoe dat behalve verdachte niemand over een vechtpartij heeft verklaard. Ook getuige [betrokkene 7] die volgens verdachte degene is geweest die hen uit elkaar heeft gehaald en dus de vechtpartij zou hebben beëindigd, zegt hier niets over, terwijl hij wel verklaart dat [slachtoffer] naar hem toe kwam en tegen hem zei dat verdachte aan haar zat. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat [betrokkene 7] niet nader heeft gespecificeerd wat begrepen moet worden onder “aan haar zitten’ en dat daar ook uit kan worden afgeleid dat [slachtoffer] bij hem kwam omdat er sprake was van een vechtpartij. Nog onverlet dat dit zou betekenen dat de vechtpartij al voorbij zou zijn, is het hof van oordeel dat, gelet op de vraagstelling van de verbalisant op pagina 39 van het politiedossier en het antwoord daarop van [betrokkene 7], het niet ging om een vechtpartij maar om seksueel getint gedrag. Het verweer van de raadsman wordt ook op dit punt verworpen.
Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 15 november 2019 te Roosendaal de borsten en billen van [slachtoffer] heeft betast. Het hof acht anders dan de rechtbank ook het betasten (over de kleding) van de vagina wettig en overtuigend bewezen. Dat de verklaring van [slachtoffer] dat de verdachte ook haar vagina heeft betast, niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel, staat een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging niet in de weg. Immers is voor het voldoen aan het wettelijk bewijsminimum niet vereist dat elk onderdeel van de tenlastelegging door twee bewijsmiddelen wordt belegd. Nu de verklaring van [slachtoffer] voor zover het betreft het betasten van de borsten en de billen door de verdachte steun vindt in andere bewijsmiddelen, ziet het hof geen reden om [slachtoffer] niet in haar verklaring te volgen dat de verdachte ook haar vagina heeft betast. Het hof merkt hierbij op dat [slachtoffer] hierover heel specifiek heeft verklaard, wat haar verklaring op dit punt reeds om die reden geloofwaardig maakt. Het hof komt tot de conclusie dat aan het bewijsminimum is voldaan.’